Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ1123

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-10-2006
Datum publicatie
30-10-2006
Zaaknummer
348499 \ CV EXPL 04-4437
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet. Rekening houden met gedragingen direct na het gegeven ontslag. Stelplicht werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 348499 \ CV EXPL 04-4437 \ jt

uitspraak van 27 oktober 2006

Vonnis

in de zaak van

[eiser]

wonende te Nijmegen

eisende partij

gemachtigde Mr. Z. Alkan

tegen

[gedaagde] Netherlands B.V.

gevestigd te Wijchen

gedaagde partij

gemachtigde Mr. B.J. Bloemendal

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit

- het tussenvonnis van 22 april 2005

- de akte uitlating getuigenverhoor van [eiser]

- de processen-verbaal van getuigenverhoren van 17 november 2005, 1 en 8 juni 2006.

De verdere beoordeling

1. De kantonrechter volhardt in het tussenvonnis.

2. In het tussenvonnis is [gedaagde] in conventie toegelaten te bewijzen dat [eiser] de beveiligingsbeambte [betrokkene] zwaar heeft beledigd en uitgescholden, eigendommen uit haar handen heeft geslagen, [betrokkene] een harde klap in haar gezicht heeft gegeven, en zijn manager bij het verlaten van het bedrijf heeft aangevallen en hem aan zijn stropdas heeft opgetild, alsmede dat [eiser] zich eerder agressief heeft gedragen waarop hij door [gedaagde] is aangesproken.

3. (…)

4. (…)

5. (…)

6. Uit de getuigenverklaringen aan de zijde van [gedaagde] is komen vast te staan dat [eiser] de beveiligingsbeamte [betrokkene] zwaar heeft beledigd en uitgescholden, eigendommen uit haar handen heeft geslagen en zijn manager bij het verlaten van het bedrijf heeft aangevallen en hem aan zijn stropdas heeft opgetild. De andersluidende verklaringen van de getuigen aan de zijde van [eiser] zijn van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen.

Dit betekent dat niet bewezen wordt geacht dat [eiser] [betrokkene] een klap in haar gezicht heeft gegeven alsmede dat hij zich eerder agressief heeft gedragen waarop hij door [gedaagde] is aangesproken.

7. De vraag is thans of [eiser], gezien de bewezenverklaarde feiten, terecht op staande voet is ontslagen. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

De wettelijke eis dat de reden van het ontslag op staande voet onverwijld aan de werknemer wordt meegedeeld, strekt ertoe de werknemer in staat te stellen zijn standpunt met betrekking tot het ontslag te bepalen en in het bijzonder om hem er reeds aanstonds mee op de hoogte te brengen met welke ontslaggrond hij in eventueel rechtsgeding zal worden geconfronteerd (HR 6 november 1981, NJ 1982, 100). In de brief van 28 mei 2003 heeft [gedaagde] als ontslaggrond aangevoerd de agressieve handelwijze van [eiser], eruit bestaande dat [eiser] [betrokkene] zwaar heeft beledigd, uitgescholden en eigendommen uit haar handen heeft geslagen, welke vorm van agressiviteit vaker is voorgekomen naar anderen toe. Verder wordt in deze brief opgemerkt: “Vervolgens heeft u tot onze spijt bij het verlaten van het bedrijf uw manager aangevallen waarbij u hem aan zijn stropdas optilde.” Uit deze brief heeft [eiser] in redelijkheid kunnen afleiden dat zijn - verbaal en fysiek - agressieve handelwijze ten opzichte van [betrokkene] en zijn manager op 28 mei 2003, in aanmerking genomen dat agressiviteit naar anderen toe in het verleden vaker is voorgekomen, aan het ontslag op staande voet in rechte ten grondslag zou worden gelegd.

Maar nu niet is bewezen dat [eiser] [betrokkene] een klap in haar gezicht heeft gegeven en dat agressiviteit naar anderen toe in het verleden vaker is voorgekomen, terwijl [gedaagde] niet heeft gesteld dat zij [eiser] ook op staande voet zou hebben ontslagen, indien zij, anders dan zij blijkens de ontslagbrief meende, daarvoor niet meer grond zou hebben dan in rechte is komen vast te staan, kan het ontslag op staande voet hierom in rechte geen stand houden

(HR 1 september 2006, JAR 2006, 228). Hierbij wordt er op gewezen dat [gedaagde] blijkens haar conclusie van antwoord in conventie onder punt 8. zich op het standpunt stelt

“dat de incidenten van 28 mei 2003 op zich alsmede deze incidenten (bedoeld hiermee zijn kennelijk het genoemde incident op 10 november 1999 en de genoemde regelmatige woedeaanvallen nadien van [eiser], kantonrechter) in onderlinge samenhang beschouwd met eerdere incidenten een dringende reden zijn in de zin der wet.”

8. Dit betekent dat de vorderingen in conventie van [eiser] zullen worden toegewezen. De stelling van [gedaagde] dat [eiser] zich niet, althans onvoldoende gedurende de loonvorderingsperiode beschikbaar heeft gehouden voor arbeid en ook daadwerkelijk in staat is geweest deze arbeid te hervatten, wordt als niet (voldoende) feitelijk onderbouwd gepasseerd. De door [gedaagde] aangevoerde grond voor matiging van de wettelijke verhoging kan deze niet dragen. Dat [gedaagde] “te goeder trouw mocht aannemen dat sprake was van een dringende reden, nu dit is geoordeeld in Kort Geding en voorwaardelijke ontbindingen” is onvoldoende, reeds omdat in beide procedures geen bewijslevering door middel van getuigenverhoren heeft plaatsgevonden. Andere gronden voor de gewenste matiging van de loonvordering zijn niet gesteld of gebleken.

Voorts wordt niet toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de vordering in reconventie, nu de daaraan gekoppelde voorwaarde, te weten dat de kantonrechter in conventie oordeelt dat sprake is van een dringende reden, niet is vervuld.

9. [gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de conventie en de reconventie veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad zoals telkens gevorderd.

De beslissing

De kantonrechter

in conventie

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van

a.) een bedrag van € 7.838,35 bruto ter zake het salaris over de periode van 28 mei 2003 tot 26 september 2003,

b.) een bedrag van € 627,07 bruto ter zake de vakantietoeslag over voornoemde periode;

c.) een bedrag van € 1.413,42 bruto ter zake opgebouwde, doch niet opgenomen vakantiedagen;

d.) een bedrag van € 4.939,42 ter zake de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW ad 50% van alle bij sub a. tot en met c. genoemde bedragen;

e.) de wettelijke rente over alle sub a. tot en met d. genoemde bedragen vanaf die dag dat die bedragen zijn verschuldigd;

f.) een bedrag van € 917,09 ter zake buitengerechtelijke incassokosten,

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] bepaald op € 83,78 aan kosten dagvaarding, € 190,- aan vastrecht en € 1.300,00 aan salaris gemachtigde,

in voorwaardelijke reconventie

stelt vast dat niet wordt toegekomen aan de inhoudelijke behandeling van de vordering in recoventie,

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 225,- aan salaris gemachtigde,

in conventie en voorwaardelijke reconventie

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.W.M. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2006.