Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ0991

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
26-10-2006
Zaaknummer
AWB 06/1242
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV 2002. Onkostenvergoeding. Loon. Artikel 15b, eerste lid, aanhef en onderdeel f Wet LB 1964. Artikel 30 Uitvoeringsregeling lb 2001. Artikel 3.81 Wet IB 2001. In casu geen sprake van onbelaste onkostenvergoeding verstrekt door werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/1242

Uitspraakdatum: 18 oktober 2006

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van [P] kantoor [Z], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (aanslagnummer [******]) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.873.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 januari 2006 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 9 februari 2006, ontvangen bij de rechtbank op 10 februari 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2006 te Arnhem.

Eiseres is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen [Y]

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiseres was in het betrokken jaar als bedrijfsjuriste werkzaam bij [A] B.V., gevestigd te [Q] (hierna: de werkgever). In maart 2001 is haar dienstverband van 24 uur per week omgezet in een dienstverband van 12 uur per week. Daarbij is overeengekomen dat eiseres minimaal vier uren per week op kantoor werkzaam zou zijn en dat zij de overige acht uren vanuit huis zou werken. In verband hiermee ontving eiseres voortaan per maand een bedrag van € 82,36, c.q. per jaar € 1.150, meer. Door de werkgever is hierover loonbelasting ingehouden en afgedragen. In november 2003 is het dienstverband tussen eiseres en de werkgever beëindigd.

Volgens een berekening van eiseres bedragen de kosten van het thuiswerken in 2001 € 2.487.

Eiseres heeft voor het jaar 2002 voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.386, zijnde het door haar uit voornoemde dienstbetrekking genoten loon. Volgens een opgave van de werkgever heeft zij in het betrokken jaar € 18.873 aan loon genoten. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder het aangegeven inkomen met € 2.487 verhoogd.

Tot de stukken behoort een brief met dagtekening 1 juli 2003, afkomstig van [B], hoofd personeelszaken van de werkgever en gericht aan de Belastingdienst [C]. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld:

“Op verzoek van mevrouw [X] (…) bevestig ik hierbij dat in februari 2001 met mevrouw [X] overeengekomen is, dat haar dienstverband vanaf maart 2001, na afloop van haar zwangerschapsverlof, zou worden teruggebracht van 24 uur per week naar minimaal 12 uur per week. Daarbij werd afgesproken dat zij van deze 12 uur minimaal 4 uur op kantoor aanwezig zou zijn; de overige uren zou zij vanuit huis werken. (…) In verband met de door mevrouw [X] te maken onkosten voor het vanuit eigen huis werkzaam zijn voor ons bedrijf, is mevrouw [X] een loonsverhoging toegekend van f 181,50 per maand. Deze loonsverhoging strekte tot gedeeltelijke tegemoetkoming in de door mevrouw [X] te maken thuiswerkkosten. Voor het meerdere, moest het bruto-maandsalaris van mevrouw [X] geacht worden tevens een vergoeding voor deze thuiswerkkosten in te houden. Mevrouw [X] heeft zich met deze onkostenregeling accoord verklaard.”.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder het bedrag van € 2.487 terecht als loon in de heffing heeft betrokken, dan wel, zoals eiser bepleit, dit bedrag als onbelaste onkostenvergoeding moet worden aangemerkt.

Eiseres concludeert primair tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag met € 2.487 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.386. Subsidiair concludeert eiseres tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag met € 1.150 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.723.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Volgens eiseres heeft haar werkgever beoogd haar een onkostenvergoeding toe te kennen van € 1.150 per jaar maar haar in plaats daarvan een bruto-loonsverhoging voor hetzelfde bedrag toegekend omdat zij formeel niet voldeed aan de vereisten voor een onbelaste onkostenvergoeding.

Volgens eiseres heeft zij in het jaar 2002 feitelijk meer dan 70 procent van haar werkzaamheden vanuit haar woning heeft verricht. Volgens eiseres zijn werknemers die formeel voldoen aan de eis dat meer dan 70 procent van het inkomen vanuit de thuiswerkplek wordt verdiend, gelijk aan werknemers die daar formeel niet aan voldoen maar materieel wel, wanneer de werkgever heeft beoogd hen een onkostenvergoeding te willen toekennen en moeten zij mitsdien gelijk worden behandeld. Volgens eiseres is in haar geval aan beide criteria voldaan nu zij meer dan 70 procent vanuit haar thuiswerkplek heeft verdiend en voorts haar werkgever haar een onbelaste onkostenvergoeding heeft willen toekennen. Volgens eiseres volgt hieruit dat zij recht heeft op een onbelaste onkostenvergoeding ter hoogte van de werkelijke kosten van haar werkplek, te weten € 2.487.

Volgens verweerder is er sprake van loon en niet van een onkostenvergoeding en is daarom geen sprake van gelijke gevallen. Volgens verweerder wil eiseres in feite een verkapte beroepskostenaftrek en is dit in strijd met de wet en de jurisprudentie, te weten HR 8 juli 2005, nr. 39870, BNB 2005/310c*.

De rechtbank acht in verband hiermee het volgende van belang.

In artikel 15b, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst zoals die luidde van 2001 tot en met 2003) is voor zover hier van belang het volgende bepaald:

“Tot de vrije vergoedingen behoren niet vergoedingen ter zake van: (…)

f. werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in de woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer voor zover niet is voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels die mede betrekking hebben op de mate waarin de vergoeding niet tot de vrije vergoedingen wordt gerekend”.

Aan de hierin opgenomen delegatiebevoegdheid is uitvoering gegeven in artikel 30 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 waarin voor zover hier van belang het volgende is bepaald:

“1. Tot de vrije vergoedingen behoren niet vergoedingen ter zake van werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in de woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, indien (…) ingeval de werknemer tevens soortgelijke werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn belastbare loon (…) niet hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft”.

In artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is voor zover hier van belang het volgende bepaald:

“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder loon: loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting.”.

Voor een onbelaste onkostenvergoeding is vereist dat sprake is van een afzonderlijk vastgestelde vergoeding (vergelijk HR 13 april 1994, BNB 1994/318). Eiseres heeft gesteld dat het bedrag van f 181,50 dat zij sinds maart 2001 na de omzetting van haar arbeidscontract, maandelijks extra ontving, aan haar werd uitgekeerd in de vorm van een loonsverhoging. Ook uit de inhoud van de onder 2 vermelde brief van 1 juli 2003 van het hoofd van de afdeling personeelszaken van de werkgever, blijkt dat sprake was van een loonsverhoging en niet van een afzonderlijk vastgestelde vergoeding. Anders dan bij een onkostenvergoeding het geval is, is genoemd bedrag eiseres als een beloningsvoordeel toegekend. Daaraan doet niet af dat de werkgever van eiseres haar met deze loonsverhoging kennelijk heeft willen compenseren voor de kosten welke zij mogelijk in verband met het verrichten van werkzaamheden vanuit haar woning zou moeten maken. Nu het bedrag deel is gaan uitmaken van het loon, moet het er immers voor worden gehouden dat het is bedoeld om ook te worden uitbetaald als daar geen kosten tegenover staan.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder voor de berekening van het belastbare inkomen uit werk en woning terecht is uitgegaan van het bedrag van € 18.873 dat eiseres volgens de opgave van haar werkgever in het betrokken jaar als loon uit dienstbetrekking heeft genoten.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep reeds hierom ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 18 oktober 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E.C.G. Okhuizen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.