Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ0899

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
25-10-2006
Zaaknummer
144483 en 145359
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding, schorsing tenuitvoerlegging vonnis/executoriale verkoop woning

Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering jegens beslaglegger tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis waarbij hij is veroordeeld tot betaling van een geldsom. De gang naar de voorzieningenrechter wordt geacht te zijn afgesloten, nu in de hoofdzaak de (incidentele) vordering van eiser ex art. 351 Rv. door het gerechtshof is afgewezen en het gerechtshof daarbij dezelfde criteria heeft gehanteerd als die welke gelden in executiegeschillen als het onderhavige.

Vordering jegens de bank tot staking van de veiling van eisers woning afgewezen.

De bank maakt geen misbruik van haar executiebevoegdheid, nu zij haar rechten als eerste hypotheekhouder veilig mag stellen en dus gerechtigd en genoodzaakt is (geweest) om de executie ingevolge het bepaalde in art. 544 jo. 509 Rv. van de beslaglegger over te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

Vonnis in kort geding in gevoegde zaken van 25 oktober 2006

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 144483 / KG ZA 06-520 van

[eiser],

wonende te Lienden,

eiser,

procureur mr. F.J. Boom te Arnhem,

advocaat mr. A. van der Toorn te Roermond,

tegen

[gedaagde],

wonende te Haarlem,

gedaagde,

procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek te Arnhem,

advocaat mr. P.H. van der Vleuten te Utrecht,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 145359 / KG ZA 06-582 van

[eiser],

wonende te Lienden,

eiser,

procureur mr. F.J. Boom te Arnhem,

advocaat mr. A. van der Toorn te Roermond,

tegen

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK UTRECHT-NIEUWEGEIN U.A.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

procureur mr. J.M. Bosnak te Arnhem,

advocaat mr. D.J. Bos te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde] en de Rabobank genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen in de beide zaken en de daarbij behorende producties

- de door [gedaagde] en de Rabobank overgelegde producties

- de in beide zaken tegelijkertijd gehouden mondelinge behandeling en de naar aanleiding

daarvan door de voorzieningenrechter bevolen voeging van de zaken wegens verknochtheid

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota’s van [gedaagde] en de Rabobank.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is op vordering van [gedaagde] bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 4 april 2006 (onder meer) veroordeeld om aan [gedaagde] een bedrag ad € 84.192,50, vermeerderd met wettelijke rente, te betalen.

Dat vonnis (hierna het vonnis te noemen) is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De inhoud van het vonnis geldt als hier herhaald en ingelast.

2.2. [eiser] heeft hoger beroep tegen het vonnis ingesteld en een bodemprocedure tegen [gedaagde] aanhangig gemaakt. In het ingestelde hoger beroep heeft [eiser] tevens op de voet van het bepaalde in artikel 351 Rv. -incidenteel- gevorderd de tenuitvoerlegging van het vonnis (alsnog) te schorsen totdat het Gerechtshof in de hoofdzaak bij onherroepelijke, in kracht van gewijsde gegane uitspraak op het hoger beroep zal hebben beslist. Die vordering is bij arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 22 augustus 2006 afgewezen.

2.3. [gedaagde] is voornemens om tot tenuitvoerlegging van het vonnis over te gaan door middel van executoriale verkoop van de woning van [eiser], gelegen aan de [adres]. Op die woning is door/namens [gedaagde] executoriaal beslag gelegd. Op die woning rust tevens een eerste hypotheek ten gunste van de Rabobank. Het saldo van de door die bank aan [eiser] verstrekte hypothecaire geldlening bedroeg per 28 september 2006 € 581.126,88, exclusief rente sedert 31 augustus 2006.

Op de woning rusten voorts nog een tweetal andere beslagen: een conservatoir beslag tot verhaal van een vordering van Internationaal Theater & Organisatiebureau Martin Hanson BV op [eiser] ad € 60.000,-- en een executoriaal beslag tot een bedrag van € 5.487,-- , gelegd op verzoek van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wegens door [eiser] aan zijn gewezen echtgenote verschuldigde achterstallige alimentatie.

2.4. Omstreeks medio augustus 2006 heeft de Rabobank op (uitdrukkelijk) verzoek van [gedaagde] ingevolge het bepaalde in artikel 509 jo. 544 Rv. de executoriale verkoop van de woning van [eiser] overgenomen van [gedaagde]. Bij brief van 14 augustus 2006 heeft zij de door haar aan [eiser] verstrekte financiering met onmiddellijke ingang opgezegd en [eiser] gesommeerd om het totale bedrag van het door hem aan de bank verschuldigde bedrag ad € 590.741,86 binnen zeven dagen te voldoen, bij gebreke waarvan tot executoriale verkoop van de woning van [eiser] zal worden overgegaan. [eiser] heeft aan die sommatie niet voldaan. De veiling van de woning van [eiser] staat gepland op

6 december 2006.

Met betrekking tot de waarde van die woning zijn door partijen verschillende taxatierapporten overgelegd. De daarin opgenomen executie-waarde van de woning varieert van € 480.000,--/€ 580.000,-- tot € 670.000,--.

De woning staat op dit moment te koop voor € 1.270.000,-- k.k. De WOZ-waarde van de woning bedraagt – volgens taxatie per 8 juni 2006 - € 1.001.000,--. [eiser] heeft tegen de aanslag onroerende zaakbelasting bezwaar gemaakt en vervolgens beroep bij deze rechtbank ingesteld.

2.5. [eiser] heeft de woning in strijd met het daaromtrent bepaalde in de hypotheekakte met ingang van 1 oktober 2003 verhuurd aan zijn partner.

3. Het geschil

in de zaak [eiser]-[gedaagde] (zaak-/rolnummer: 144483 / KG ZA 06-520)

3.1. [eiser] stelt zich op het standpunt dat het vonnis een feitelijke en/of juridische misslag bevat, omdat de voorzieningenrechter de onderliggende vordering van [gedaagde] niet inhoudelijk heeft beoordeeld maar slechts marginaal heeft getoetst, terwijl aan de specificatie van die vordering diverse gebreken kleven.

Daarnaast voert [eiser] aan dat handhaving en uitwinning van het door [gedaagde] gelegde beslag op de woning misbruik van recht oplevert, omdat voldoende aannemelijk is dat de vordering van [gedaagde], gelet op de executiewaarde van de woning en de daarop rustende hypotheek en overige beslagen, bij openbare verkoop van de woning uit de opbrengst daarvan niet zal kunnen worden voldaan. Daaruit volgt in de visie van [eiser] dat [gedaagde] -tegenover het belang van [eiser] om niet met zijn gezin dakloos te worden- geen rechtens te respecteren belang heeft bij voortzetting van de executie. Op grond daarvan vordert [eiser] thans -samengevat- primair [gedaagde] te verbieden het vonnis ten uitvoer te leggen althans de executoriale verkoop van zijn woning voort te zetten subsidiair die tenuitvoerlegging c.q. executoriale verkoop te staken zolang geen in kracht van gewijsde gegane onherroepelijke rechterlijke beslissing omtrent de verschuldigdheid en de omvang van de vordering van [gedaagde] is gegeven, een en ander versterkt met een dwangsom.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak [eiser]-de Rabobank (zaak-/rolnummer 145359 / KG ZA 06-582)

3.3. Mede onder verwijzing naar hetgeen door hem ten aanzien van de vordering tegen [gedaagde] is betoogd, stelt [eiser] dat ook de Rabobank - tegenover het hiervoor onder 3.1. geschetste belang van [eiser] en zijn gezin - geen rechtens te respecteren belang heeft bij de executie van de woning. De opbrengst daarvan zal volgens [eiser] immers onvoldoende zijn om de gehele (restant-) hypotheekschuld te voldoen. Bovendien stelt [eiser] dat hij stipt aan zijn betalingsverplichting ter zake de hypotheekschuld voldoet en dat het pand inmiddels ter onderhandse verkoop is aangeboden.

Daarom vordert [eiser] samengevat - primair de Rabobank te verbieden om de executoriale verkoop van de woning voort te zetten en subsidiair die verkoop te staken zolang geen in kracht van gewijsde gegane onherroepelijke rechterlijke beslissing omtrent de verschuldigdheid en de omvang van de vordering van [gedaagde] is gegeven, een en ander versterkt met een dwangsom.

3.4. De Rabobank voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in de zaak [eiser]-[gedaagde] (zaak-/rolnummer: 144483 / KG ZA 06-520)

4.1. [gedaagde] beroept zich allereerst op de niet-ontvankelijkheid van [eiser], omdat in de appèlprocedure reeds is beslist over de door [eiser] ex artikel 351 Rv. ingestelde

(incidentele) vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis. [gedaagde] voert aan dat het in strijd met een goede procesorde is om nu voor de tweede maal een oordeel daarover van de voorzieningenrechter uit te lokken. Dit verweer slaagt.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 351 Rv. blijkt dat dit artikel uit oogpunt van doelmatigheid is opgenomen en beoogt te voorkomen dat naast de gang naar de appelrechter een aparte procedure nodig is bij de voorzieningenrechter. Hoewel zo’n procedure niet per definitie uitgesloten is – een kort geding tot schorsing van de executie biedt in het algemeen immers uitzicht op een snellere beslissing dan bij het uitprocederen van een incidentele vordering in de hoofdzaak (in appel) het geval zal zijn – wordt in dit geval, waarin op de door [eiser] ingestelde incidentele vordering door het Gerechtshof reeds uitvoerig gemotiveerd (afwijzend) is beslist en waarbij het hof (onder rechtsoverweging 4.3) dezelfde criteria als uitgangspunt heeft genomen als die welke de Hoge Raad voor executiegeschillen heeft geformuleerd (vgl. HR 22-4-1983, NJ 1984, 145), geoordeeld dat de gang naar de voorzieningenrechter is afgesloten.

Het voorgaande betekent dat [eiser] niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn primaire en subsidiaire vorderingen jegens [gedaagde].

4.2. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht € 248,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.064,00

in de zaak [eiser]-de Rabobank (zaak-/rolnummer: 145359 / KG ZA 06-582)

4.3. Uit de hiervoor onder 2.2. genoemde beslissing van het Gerechtshof volgt dat [gedaagde] gerechtigd is het vonnis ten uitvoer te leggen. Dat betekent dat de Rabobank gerechtigd en – teneinde haar rechten als eerste hypotheekhouder veilig te stellen – zelfs

genoodzaakt is de executie ingevolge het bepaalde in artikel 544 jo. 509 Rv. over te nemen.

Daarnaast is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] nalatig is in de nakoming van zijn verplichtingen jegens de Rabobank. Niet alleen heeft hij niet voldaan aan de sommatie van de Rabobank om tot algehele aflossing van zijn hypotheekverplichtingen jegens de bank over te gaan, maar ook is onweersproken komen vast te staan dat [eiser] in strijd met het huurbeding in de hypotheekakte de woning heeft verhuurd.

Dat de Rabobank van haar executiebevoegdheid misbruik maakt, valt in de gegeven omstandigheden niet in te zien.

Daarnaast is uit de overgelegde taxatierapporten – hoezeer deze wat de uitkomsten betreft ook van elkaar verschillen – (in elk geval) voldoende aannemelijk geworden dat de vordering van de Rabobank uit de opbrengst van de executoriale verkoop van de woning van [eiser] (geheel of grotendeels) kan worden voldaan. Dat geldt temeer wanneer in aanmerking wordt genomen dat ook in het kader van die executoriale verkoop nog een onderhands bod kan worden uitgebracht en mogelijk dus een (nog) hogere opbrengst kan worden verkregen.

Het voorgaande betekent dat de primair en subsidiair gevorderde voorzieningen moeten worden geweigerd.

4.4. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Rabobank worden begroot op:

- vast recht € 248,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.064,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

in de zaak [eiser]-[gedaagde] (zaak-/rolnummer: 144483 / KG ZA 06-520)

5.1. verklaart [eiser] niet ontvankelijk in zijn vordering,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.064,00,

in de zaak [eiser]-de Rabobank (zaak-/rolnummer: 145359 / KG ZA 06-582)

5.3. weigert de gevorderde voorzieningen,

5.4. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Rabobank tot op heden begroot op € 1.064,00,

in de beide gevoegde zaken

5.5. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.J.C. van Emden-Geenen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Wouters op 25 oktober 2006.