Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ0772

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-10-2006
Datum publicatie
24-10-2006
Zaaknummer
143230
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vereniging (belangengroep) van huurders van standplaatsen op camping ontvankelijk in haar vorderingen vanwege mogelijk nog steeds van kracht zijnde huurrelatie met gedaagde. Afsluiten percelen en nutsvoorzieningen door gedaagde wordt verboden voor zover dit het ongestoorde huurgenot (bereikbaarheid en bruikbaarheid) van het gehuurde belemmert. Misbruik van bevoegdheid tot afsluiten eigen perceel (5:48 BW) niet aangenomen: voorshands niet aannemelijk dat belang van de curator bij het voorkomen van de afsluiting in bodemprocedure zwaarder zal wegen dan belang van gedaagde om zich feitelijk als afzonderlijke camping te presenteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 143230 / KG ZA 06-459

Vonnis in kort geding van 24 oktober 2006

in de zaak van

1. MR. J.J. DINGEMANS Q.Q.

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Holding Nooijen B.V.,

kantoorhoudende te Utrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CORLÉ BELEGGING EN BEHEER B.V.,

gevestigd te Dongen,

3. de vereniging

BELANGENGROEP L 1288,

gevestigd te Zaltbommel,

eisers,

procureur mr. L. Paulus,

advocaat mr. G.G.M. Liesker te Breda,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CAMPING AALST B.V.,

gevestigd te Aalst, gemeente Zaltbommel,

gedaagde,

procureur mr. M.C. Brans,

advocaat mr. B.J.M. van Meer te Arnhem.

Eisers sub 1, 2 en 3 zullen ieder afzonderlijk ook worden aangeduid als de curator en / of Holding Nooijen, respectievelijk Corlé, respectievelijk de belangengroep. Gedaagde zal worden aangeduid als Camping Aalst.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling op vrijdag 11 augustus 2006 en de bij die behandeling door beide partijen overgelegde pleitnota´s

- de aanhouding ten behoeve van schikkingsonderhandelingen

- de voortzetting van de mondelinge behandeling op 10 oktober 2006 en de bij die behandeling door beide partijen overgelegde pleitnota´s.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In juli 2003 heeft Holding Nooijen van Corlé in eigendom verkregen de strook grond gelegen aan het Esmeer, kadastraal bekend gemeente Brakel, sectie L, nr. 1288 (hierna: perceel L 1288), welke strook grond deel uitmaakt van camping ‘De Maasplas’ en is ingedeeld in vijftig kavels voor vaste standplaatsen voor stacaravans.

2.2. Camping Aalst is eigenaresse van de naburige percelen, kadastraal bekend gemeente Brakel, sectie L, nrs. 1082 en 1289 (hierna: percelen L 1082 en L 1289) die ook deel uitmaken van camping ‘De Maasplas’.

2.3. Camping Aalst exploiteerde de gehele camping ´De Maasplas´. Op 24 januari 2005 heeft Camping Aalst met Holding Nooijen een huurovereenkomst gesloten, krachtens welke zij het perceel L 1288 van Holding Nooijen huurde voor de duur van vijftien jaar, met ingang van 1 januari 2005 (hierna: de huurovereenkomst). Camping Aalst heeft op 31 maart 2005 nieuwe `huurovereenkomsten jaarplaats´ gesloten met de standplaatshouders van perceel L 1288. Blijkens deze (onder)huurovereenkomsten vormen deze een onlosmakelijk geheel met de tussen Holding Nooijen en de betreffende standplaatshouders op 1 april 2004 ondertekende `mantelovereenkomsten jaarplaats´.

2.4. Op 12 oktober 2005 heeft de rechtbank te ’s-Hertogenbosch het faillissement uitgesproken van Holding Nooijen. Dingemans is daarbij als curator aangesteld.

2.5. Bij brief van 10 november 2005 aan Camping Aalst heeft de curator de huurovereenkomst tussen Holding Nooijen en gedaagde met betrekking tot perceel L 1288 op grond van artikel 42 van de Faillissementswet buitengerechtelijk vernietigd, omdat Holding Nooijen deze rechtshandeling onverplicht zou hebben verricht terwijl zij wist of behoorde te weten dat de schuldeisers hierdoor zouden worden benadeeld (faillissementspauliana). Bij vonnis van 27 april 2006 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht de vordering van Camping Aalst om de curator te gebieden de buitengerechtelijke vernietiging ongedaan te maken afgewezen.

2.6. Bij brief van 26 mei 2006 heeft Camping Aalst de huurders van de standplaatsen op perceel L 1288 (onder meer) op de hoogte gesteld van de bovengenoemde buitengerechtelijke ontbinding en daarbij aangekondigd haar eigendommen op perceel

L 1288 te gaan ontruimen en een hekwerk te gaan plaatsen tussen het perceel L 1288 en de percelen L 1082 en L 1289, teneinde de percelen L 1082 en L 1289 in alle opzichten volledig van perceel L 1288 te scheiden. Ook heeft Camping Aalst in die brief aangekondigd haar eigen percelen te gaan herinrichten door een reorganisatie van de boven- (o.a. wc-/ doucheruimtes) en ondergrondse infrastructuur (electriciteit, licht en water) van de camping en voor haar eigen percelen een WOR (Wet op de Openluchtrecreatie)-vergunning te hebben aangevraagd.

2.7. Bij brief van 14 juni 2006 heeft de curator Camping Aalst gesommeerd af te zien van het voornemen om een hekwerk te plaatsen en aangekondigd een kort geding procedure te starten indien Camping Aalst hieraan geen gehoor zou geven. Ook heeft hij aangekondigd in kort geding de aanwijzing van een noodweg te vorderen. Bij brief van 20 juni 2006 heeft Camping Aalst aan de curator (onder meer) verklaard geen gehoor te willen geven aan de sommatie. Wel heeft Camping Aalst zich in die brief bereid verklaard een noodweg te laten aanleggen en de slagboom te verplaatsen, met inachtneming van artikel 5:57, derde lid BW, te weten op de voor haar minst belastende wijze. Bij brief van 5 juli 2006 heeft de curator aan Camping Aalst (onder meer) bericht bereid te zijn om in overleg te komen tot de vaststelling van een noodweg die gelijk is aan de reeds bestaande noodweg. Bij brief van 7 juli 2006 heeft Camping Aalst (onder meer) geantwoord zich hierin niet te kunnen vinden omdat de reeds bestaande noodweg voor Camping Aalst niet ‘de minst belastende route’ is.

2.8. Bij brief van 29 september 2006 heeft Camping Aalst aan de standplaatshouders van perceel L 1288 met wie zij in 2005 een ‘huurovereenkomst jaarplaats’ heeft gesloten (onder meer) medegedeeld dat naar haar mening de huurrelatie op 21 december 2005 van rechtswege is geëindigd. Voor zover er nog een huurrelatie mocht bestaan heeft Camping Aalst deze alsnog opgezegd, en wel tegen 1 januari 2007, althans tegen 1 januari 2008 indien en voor zover de standplaatshouder al vóór 1 januari 2004 een huurovereenkomst jaarplaats met haar of haar rechtsvoorganger zou hebben afgesloten.

2.9. De belangengroep heeft als (statutaire) doel de behartiging van de belangen van de ongeveer dertig leden die een vaste standplaats (jaarplaats) huren op perceel L 1288.

3. Het geschil

3.1. Eisers vorderen:

a) Camping Aalst te verbieden om over te gaan tot de plaatsing van een hekwerk op of tegen het erf van de curator,

b) Camping Aalst te verbieden om over te gaan tot afsluiting van de nutsvoorzieningen, zulks totdat de nutsbedrijven zullen hebben gezorgd voor een afzonderlijke aansluiting (op perceel L 1288),

c) (voorwaardelijk, indien het onder a gevorderde verbod wordt afgewezen) over te gaan tot aanwijzing van een noodweg op grond van het bepaalde in de zin van artikel 5:57 BW op de wijze zoals in het lichaam van de dagvaarding aangegeven,

d) Camping Aalst te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. Eisers stellen daartoe - onder meer - primair dat Camping Aalst misbruik maakt van de haar krachtens artikel 5:48 BW toekomende bevoegdheid tot afsluiting van haar erf, omdat Camping Aalst daarbij geen rechtens te respecteren belang heeft. Ook zou de plaatsing van een hekwerk tot een uiterst onveilige en dus ontoelaatbare situatie leiden. Meer subsidiar zou de belangengroep van huurders jegens Camping Aalst aanspraak kunnen maken op nakoming van de doorlopende verplichtingen krachtens de ‘huurovereenkomsten jaarplaats’ dan wel de post-contractuele verplichtingen, te weten het verschaffen van een ongestoorde voortzetting van het huurgenot. Camping Aalst dient de mogelijk negatieve gevolgen van haar eigen onrechtmatig handelen voor haar huurders zoveel mogelijk te beperken, aldus eisers.

3.3. Camping Aalst voert gemotiveerd verweer. Corlé en de belangengroep dienen volgens Camping Aalst niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen. Op het verweer van Camping Aalst en de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

4.1. Corlé en de curator

De curator en Corlé stellen dat de curator perceel L 1288 inmiddels heeft verkocht (maar nog niet geleverd) aan Corlé en dat in de koopovereenkomst zou zijn overeengekomen dat de economische eigendom reeds voorafgaand aan de levering zou overgaan naar Corlé. Uit dien hoofde zou Corlé economisch belanghebbende zijn bij de vorderingen. De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent dat de omstandigheid dat de curator en Corlé, ondanks herhaald verzoek daartoe, geen inzicht hebben gegeven in de tussen hen met betrekking tot perceel L 1288 gesloten koopovereenkomst, met zich meebrengt dat niet worden nagegaan of Corlé op grond van die beweerde koopovereenkomst reeds een eigen belang heeft bij de gevraagde voorzieningen. Corlé zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Het voorgaande brengt met zich mee dat wordt aangenomen dat de curator als curator nog steeds eigenaar is van perceel L 1288 en een eigen belang heeft bij de gevorderde voorzieningen. Uit dien hoofde is de curator ontvankelijk in zijn vorderingen.

4.2. De belangengroep

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de belangengroep op twee gronden ontvankelijk in de door haar gevorderde voorzieningen. Daarbij wordt als onbetwist en dus vaststaand aangenomen dat de belangengroep voldoet aan de in artikel 3:305a BW gestelde eisen voor het instellen van een collectieve actie. Voor de belangengroep is de inzet van het geding de bruikbaarheid en bereikbaarheid van het gehuurde. Nu niet valt uit te sluiten dat de rechter in een bodemprocedure zal oordelen dat de ‘huurovereenkomsten jaarplaats’ tussen Camping Aalst en de leden van de belangengroep nog steeds van kracht zijn en de leden van de belangengroep nog steeds huurders zijn van Camping Aalst, is de eerste grond voor de ontvankelijkheid van de belangengroep reeds gelegen in deze mogelijke huurrelatie. Voor zover aan de vorderingen misbruik van recht ten grondslag ligt, is de belangengroep ontvankelijk nu zij niet alleen procedeert, maar met instemming van en samen met de curator als eigenaar. Het verweer van Camping Aalst dat de tijdelijke gebruiker / huurder geen beroep toekomt op aspecten van het burenrecht met goederenrechtelijke implicaties voor de langere termijn treft, hoewel op zichzelf niet onjuist, om die reden geen doel.

Ten aanzien van de curator

Misbruik van bevoegdheid

4.3. Vast staat dat Camping Aalst als eigenaar op grond van artikel 5: 48 BW de bevoegdheid heeft om haar percelen L 1082 en L 1289 af te sluiten. In artikel 3:13, tweede lid BW is bepaald dat van misbruik van bevoegdheid (onder meer) sprake is in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij die uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Om voorshands te oordelen dat Camping Aalst ten opzichte van de curator naar redelijkheid geen gebruik kan maken van deze bevoegdheid zou voldoende aannemelijk moeten zijn dat het belang van de curator bij het voorkomen van een erfafscheiding zwaarder weegt dan het belang van Camping Aalst bij een erfafscheiding. Nu vooralsnog noch gesteld, noch gebleken is van een juridische relatie tussen de curator en de belangengroep, biedt de eventuele hinder van de erfafscheiding voor de leden van de belangengroep de curator hierbij weinig soelaas. De curator heeft, zoals ook door Camping Aalst is aangevoerd, door het inroepen van de faillissementspauliana en de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst tussen Holding Nooijen en Camping Aalst zélf de situatie in het leven heeft geroepen dat camping ´De Maasplas´ niet meer in één exploiterende hand is maar er sprake is van twee afzonderlijke delen / campings. Onder die omstandigheden is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voorshands niet aannemelijk dat het belang van de curator (de mogelijke hinder die de curator zelf zal ondervinden van die erfafscheiding) in een bodemprocedure zwaarder zal wegen dan het belang voor Camping Aalst om zich ook feitelijk als afzonderlijke entiteit te presenteren. Bij het vooralsnog ontbreken van een juridische relatie tussen de curator en de leden van de belangengroep, heeft de curator zelf, voorshands geoordeeld, evenmin voldoende belang bij of recht op het voorkomen van afsluiting van de nutsvoorzieningen voor perceel L 1288.

Noodweg

4.4. Voorop gesteld wordt dat de (voorwaardelijk) gevorderde aanwijzing in kort geding van een noodweg op grond van 5:57 BW leidt tot een declaratoir vonnis, dat de rechtstoestand tussen partijen vaststelt. Dit is in strijd met het voorlopige karakter van het kort geding, zodat de gevorderde aanwijzing reeds om die reden zal worden geweigerd. Daarnaast heeft de curator naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gesteld waaruit blijkt dat de door Camping Aalst aangeboden noodweg voor hem als grondeigenaar niet adequaat zou zijn. Voor zover de curator heeft betoogd dat zijn belang is gelegen in het vergroten van de bruikbaarheid en aantrekkelijkheid van het perceel is de voorzieningenrechter van oordeel dat de curator dit betoog onvoldoende met feiten heeft onderbouwd en dat dit betoog – mede gezien het door Camping Aalst gedane aanbod voor een alternatieve uitweg – niet de conclusie kan rechtvaardigen dat het belang van Camping Aalst bij afsluiting van haar percelen op de door haar bepleite wijze moet wijken voor het belang van de curator bij handhaving van de status quo.

4.5. Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van de curator worden afgewezen.

Ten aanzien van de belangengroep

4.6. Hiervoor is reeds overwogen dat niet valt uit te sluiten dat de rechter in een bodemprocedure zal oordelen dat de ‘huurovereenkomsten jaarplaats’ tussen Camping Aalst en de leden van de belangengroep nog steeds van kracht zijn en de leden van de belangengroep nog steeds huurders zijn van Camping Aalst. Vast staat dat Camping Aalst aan de huurders van perceel L 1288 tot voor kort altijd een goede toegang met de auto tot dat perceel en de standplaatsen daarop heeft geboden en hen – tegen betaling - gebruik liet maken van de nutsvoorzieningen en de voorzieningen met betrekking tot de toegangscontrole. Die voorzieningen / toegang moeten worden geacht deel uit te maken van de op grond van de ‘huurovereenkomsten jaarplaats’ aan de huurders toekomende rechten. Als verhuurster mag Camping Aalst naar oordeel van de voorzieningenrechter de huurders niet belemmeren in het ongestoorde huurgenot, hetgeen betekent dat zij niet door het plaatsen van een hekwerk de toegang tot het gehuurde onmogelijk mag maken en dat zij niet op korte termijn tot afsluiting van de nutsvoorzieningen mag overgaan, zolang als de nutsbedrijven de realisatie van een eigen aansluiting voor perceel L 1288 (door Corlé aangevraagd) nog niet hebben gerealiseerd. Dat Camping Aalst mogelijk verder geen zeggenschap meer heeft over perceel L 1288 (dat moet een bodemprocedure over de kwestie van de vermeende faillissementspauliana, die door de gemachtigde van Camping Aalst ter zitting al is aangekondigd en waartoe de stukken al zouden zijn voorbereid, uitwijzen) maakt niet dat zij dit onderdeel van de huurovereenkomsten op dit moment niet meer kan of moet nakomen.

4.7. Camping Aalst zal daarom op de wijze als hierna zal worden bepaald, worden verboden een hekwerk te plaatsen op zodanige wijze dat de leden van de belangengroep, via de bij partijen bekende en voorheen gebruikelijke verharde weg, niet meer met hun auto bij hun standplaatsen op perceel L 1288 kunnen komen. Ook zal Camping Aalst worden verboden om over te gaan tot afsluiting van de nutsvoorzieningen, zulks tot de op perceel

L 1288 aan te brengen nutsvoorzieningen klaar zijn en uiterlijk tot 1 januari 2007. De gevorderde dwangsommen worden, gelet op de omstandigheden van het geval, passend gevonden, maar wel aan een maximum gebonden.

4.8. Nu de onder 3.1 sub a) en b) gevorderde verboden grotendeels worden toegewezen, wordt ten aanzien van de belangengroep aan de beoordeling van de voorwaardelijk gevorderde aanwijzing van een noodweg niet meer toegekomen.

4.9. Aangezien partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van dit kort geding tussen hen worden gecompenseerd.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

Op de vorderingen van Corlé

5.1. verklaart Corlé niet-ontvankelijk in haar vorderingen,

Op de vorderingen van de curator

5.2. wijst de gevorderde voorzieningen af,

Op de vorderingen van de belangengroep

5.3. verbiedt Camping Aalst om over te gaan tot plaatsing van een hekwerk op of tegen perceel L 1288 op zodanige wijze dat de leden van de belangengroep niet meer met hun auto op de gebruikelijke wijze en via de gebruikelijke verharde weg bij hun standplaatsen op perceel L 1288 kunnen komen,

5.4. verbiedt Camping Aalst om over te gaan tot afsluiting van de bij partijen bekende nutsvoorzieningen, zulks tot de door de nutsbedrijven op perceel L 1288 aan te brengen voorzieningen klaar zijn en uiterlijk tot 1 januari 2007,

5.5. veroordeelt Camping Aalst om voor elke dag dat zij (na betekening van dit vonnis) bovenstaande verboden overtreedt, aan de belangengroep een dwangsom te betalen van € 10.000,-- , echter met een maximum van € 250.000,--,

5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

Op de vorderingen van Corlé, de curator en de belangengroep gezamenlijk

5.7. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

5.8. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.I.M.W. Bartelds en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Satijn op 24 oktober 2006.