Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ0415

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-09-2006
Datum publicatie
24-10-2006
Zaaknummer
143901
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vooralsnog is niet aannemelijk geworden dat het besluit van gedaagde om af te zien van haar levenslang recht op gebruik en bewoning niet is genomen met inachtneming van alle daartoe van belang zijnde elementen en evenmins aannemelijk is dat zij de consequenties van haar besluit onvoldoende heeft overzien, het beroep op vernietiging van de overeenkomsten naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet kan slagen. Dit betekent dat gedaagde gehouden is haar verplichtingen uit de overeenkomsten na te komen en zij de woning zal dienen te verlaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 143901 / KG ZA 06-501

Vonnis in kort geding van 26 september 2006

in de zaak van

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur en advocaat mr. R.P.M. Ngasirin te Ede,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.W. van der Linde te [woonplaats].

Eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers] en gedaagde zal [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. G. van Ekeris (eiser sub 1) en A.B. van Ekeris-Van Baak zijn gehuwd. G. van Ekeris is de zoon van [gedaagde]. Hij is sinds 1988 eigenaar van het pand gelegen aan de Stationsweg 83 te [woonplaats]. Op 1 maart 1993 hebben [gedaagde] en haar echtgenoot [betrokkene 1] de economische eigendom van het naastgelegen pand aan de [adres] en het daarin door hen gedreven pension, overgedragen aan [eisers]. Daarbij hebben [gedaagde] en haar echtgenoot het persoonlijk levenslang recht van gebruik en bewoning van een aantal kamers in het pand verkregen. [betrokkene 1] is in 2002 overleden. [gedaagde] woont nog in het pand. Een dochter woont bij haar in.

2.2. In de notariële akte van overdracht van de economische eigendom is onder meer bepaald dat de voor de juridische overdracht vereiste levering zal plaatsvinden op eerste verzoek van koper ([eisers]) op een door koper te bepalen tijdstip.

2.3. Bij brief van 30 januari 2006 deelt [gedaagde] [eisers] onder meer mee dat zij na een enorme strijd met zichzelf een beslissing heeft genomen, hopende dat het zal leiden tot een betere verstandhouding jegens elkaar en voorts dat zij heeft besloten van alle rechten om levenslang in de woning te kunnen blijven wonen, af te zien en te trachten de strijdbijl te begraven.

2.3. Op 22 februari 2006 sluiten [eisers] en zijn echtgenote enerzijds en [gedaagde] anderzijds een tweetal schriftelijke overeenkomsten die door hen zijn ondertekend. Partijen hebben de overeenkomsten niet in elkaars aanwezigheid getekend. [betrok[betrokkene 2], accountant van de familie [eisers] bezoekt daartoe eerst [eisers] en vervolgens [gedaagde]. In de eerste overeenkomst staat, voor zover in deze procedure relevant, vermeld:

“Artikel 1. met betrekking tot de onroerende zaak [woonplaats]

A. Ondergetekende 2 ([gedaagde]) verklaart dat zij - in afwijking van de afspraken die gemaakt zijn bij de overdracht in 1993 – met ingang van 1 september 2006 afstand doet van haar persoonlijk levenslang recht van gebruik en bewoning van de privévertrekken in de onroerende zaak gelegen aan de [woonplaats] en dat zij derhalve per deze datum de betreffende onroerende zaak vrij zal opleveren.

B. Ondergetekende 2 verklaart dat zij in de periode tussen het tekenen van deze overeenkomst en 1 september 2006 aan ondergetekende 1 ([eisers]) de gelegenheid biedt om de zakelijke vertrekken in de onroerende zaak gereed te maken voor de verhuur. Hierbij zorgt ondergetekende 1 ervoor dat er steeds niet meer dan één vertrek op enig moment niet voor verhuur geschikt is in de zojuist genoemde periode.

Artikel 2. met betrekking tot de lijfrente

A. Ondergetekende 1 zal de voorziening die zij heeft gevormd op haar ondernemingsbalans voor de lijfrenteverplichting die zij heeft aan ondergetekende 2 op 1 september 2006 - in afwijking van de afspraken die gemaakt zijn bij de overdracht in 1993 – in één keer geheel uitbetalen aan ondergetekende 2, op een door ondergetekende 2 aan te geven bankrekeningnummer, een en ander mits ondergetekende 2 op deze datum haar afspraken zoals beschreven in artikel 1 nagekomen is.

Artikel 3. met betrekking tot de vordering van ondergetekende 1 op

ondergetekende 2

A. Ten aanzien van de vordering die ondergetekende 1 heeft op ondergetekende 2 en de schuld die ondergetekende 2 heeft aan ondergetekende 1, welke per 31 december 2004 € 99.220 bedroeg, wordt bepaald dat deze exact zal worden vastgesteld en aan de ondergetekenden zal worden opgegeven naar de situatie per 1 september 2006 door de externe accountant.

B. Nadat de afspraken, zoals beschreven in artikel 1, zijn nagekomen, verklaart ondergetekende 1 met betrekking tot de in het vorige lid genoemde vordering van ondergetekende 2 geen aflossing te vorderen op de betreffende vordering, waarbij overigens de vordering zelf in stand blijft.

C. Nadat de afspraken, zoals beschreven in artikel 1, zijn nagekomen, verklaart ondergetekende 1 met betrekking tot de in het vorige lid genoemde vordering daarnaast dat zij het rentepercentage met ingang van 1 september 2006 vaststelt op 0%.

Artikel 5. gevolgen van niet nakoming van deze overeenkomst

A. De ondergetekende die de afspraken en verplichtingen uit hoofde van deze

overeenkomst jegens de andere ondergetekende niet of niet geheel nakomt,

verbeurt een dadelijk opeisbare boete van € 500 voor iedere

week gedurende welke de niet-nakoming plaats vindt, alles op eerste

aanmaning en zonder dat een ingebrekestelling vereist is van de

ondergetekende die haar afspraken en verplichtingen niet nakomt.

2.4. In de tweede overeenkomst staat, voor zover in deze procedure relevant, vermeld:

“A. Ondergetekende 1 ([eisers]) geeft de wens aan om van de betreffende

onroerende zaak op korte termijn het juridische eigendom te verkrijgen.

Ondergetekende 2 ([gedaagde]) zegt hiertoe alle medewerking toe (onder

meer het toegang verlenen tot de betreffende onroerende zaak aan een

makelaar en het tekenen bij de notaris) en ondergetekenden verklaren beiden

de overdracht van de juridische eigendom uiterlijk op 31 mei 2006 te laten

plaatsvinden bij een door ondergetekende 1 aan te wijzen notaris. (…)”

2.5. De overeengekomen juridische overdracht per 31 mei 2006 heeft niet plaatsgevonden.

2.6. Bij brief van 6 juni 2006 aan de door [gedaagde] ingeschakelde registeraccountant [betrokkene 3] verzoekt de advocaat van [eisers] [gedaagde] de overeenkomst van 22 februari 2006 na te komen en de woning uiterlijk op 31 augustus 2006 te verlaten.

2.7. Bij fax van 22 juni 2006 deelt accountant [betrokkene 3] de advocaat van [eisers] onder meer mee dat [gedaagde] de woning niet zal verlaten en voorts dat haar in de nadere overeenkomst van 22 februari 2006 een volstrekt onjuiste voorstelling van zaken is verstrekt, dat zij de overeenkomst onder druk van [betrokkene 2] heeft ondertekend en dat zij hierin gedwaald heeft.

2.8. Tot op heden is [gedaagde] in het pand blijven wonen en heeft de juridische overdracht ervan niet plaatsgevonden.

2.9. De notaris heeft desgevraagd laten weten de akte voor de levering van de juridische eigendom pas te kunnen passeren indien [gedaagde] bereid is mee te werken aan een leveringsakte waarbij zij uitdrukkelijk afziet van het voorbehouden persoonlijk levenslang recht van gebruik en bewoning.

3. Het geschil

3.1. [eisers] vordert samengevat - [gedaagde], op straffe van een dwangsom, te veroordelen tot nakoming van de op 22 februari 2006 ondertekende overeenkomsten, door de notaris en [eisers] schriftelijk te berichten afstand te doen van het persoonlijk levenslang recht van gebruik en bewoning van één of meer kamers in het pand aan de [adres], alsmede [gedaagde] te veroordelen tot het verlenen van haar volledige medewerking aan de juridische levering van voornoemd pand aan [eisers], onder afstand van haar persoonlijk levenslang recht van gebruik en bewoning. Daarnaast vordert [eisers] [gedaagde], op straffe van een dwangsom, te veroordelen voornoemde woning uiterlijk 19 september 2006 te verlaten, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2. Als grondslag voor zijn vordering voert [eisers] het navolgende aan. Tussen [eisers] en zijn gezin enerzijds en [gedaagde] anderzijds zijn de laatste jaren spanningen ontstaan. In een poging de spanningen te verminderen en tot een oplossing te geraken zijn er vanaf januari 2006 onder leiding van de heer [betrokkene 2] gesprekken gevoerd tussen partijen. [betrokkene 2] is de accountant van [eisers] en was dat tot medio mei 2006 tevens van [gedaagde]. Nadat [gedaagde] [eisers] bij brief van 30 januari 2006 onder meer heeft meegedeeld af te zien van alle rechten om levenslang in de woning te blijven wonen en nadat wederom overleg was gevoerd tussen partijen waarbij [betrokkene 2] is opgetreden als bemiddelaar, hebben partijen op 22 februari 2006 de twee overeenkomsten gesloten, zoals hiervoor onder De feiten weergegeven. [gedaagde] is gehouden beide overeenkomsten na te komen, hetgeen zij tot op heden heeft geweigerd.

3.3. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer, waarop, voor zover van belang, hierna nader zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [gedaagde] heeft als voornaamste verweer gevoerd dat zij niet gehouden is de overeenkomsten van 22 februari 2006 na te komen, omdat zij deze buitengerechtelijk heeft vernietigd. Zij stelt daartoe dat zij bij het aangaan van de overeenkomsten niet heeft overzien van de consequenties ervan waren. Zij heeft gedwaald omdat zij niet is gewezen op de waarde van het vruchtgebruik en deze niet in één van de overeenkomsten is opgenomen. Naar de voorzieningenrechter begrijpt wordt hier overigens bedoeld de waarde van haar levenslange recht op gebruik en bewoning. Daarnaast is er volgens haar sprake van misbruik van omstandigheden, gezien het late tijdstip (22.00 uur) waarop de betreffende overeenkomsten zijn getekend en het feit dat zij onder druk en zonder verdere begeleiding, de overeenkomsten heeft ondertekend. Zij stelt te hebben gehandeld in het vertrouwen dat [betrokkene 2] mede haar belang in het oog zou houden. [betrokkene 2] heeft naar haar zeggen misbruik van haar vertrouwen gemaakt door slechts het belang van [eisers] te behartigen en haar met het oog op dat belang te bewegen de overeenkomsten te ondertekenen.

4.2. [eisers] heeft de stellingen van [gedaagde] betwist, stellende dat voorafgaand aan het totstandkomen van de overeenkomsten uitvoerig overleg is geweest tussen [betrokkene 2] en [gedaagde] enerzijds en [betrokkene 2] en [eisers] anderzijds. Daarbij is ook de waarde van het recht van gebruik en bewoning besproken. [eisers] stelt voorts dat [gedaagde], gelet op de datum van haar brief van 30 januari 2006 en de overeenkomsten van 22 februari 2006, tijd heeft gehad om haar toezegging en de uitwerking daarvan te overdenken en desgewenst te bespreken met anderen, hetgeen zij ook daadwerkelijk heeft gedaan.

4.3. Naar het voorlopig oordeel van voorzieningenrechter kan het beroep van [gedaagde] op vernietiging van de overeenkomsten niet slagen. Onvoldoende gesteld of gebleken is dat zich ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten feiten of omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan voorshands dwaling of misbruik van omstandigheden kan worden aangenomen. Aan het tijdstip van ondertekening van de overeenkomsten komt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op zichzelf geen betekenis toe. [gedaagde] heeft voorts gesteld dat zij zonder verdere begeleiding de overeenkomsten heeft ondertekend en zonder zich bewust te zijn van de consequenties daarvan. Ter zitting heeft zij desgevraagd echter verklaard dat op de avond van 22 februari 2006, tijdens het gesprek met [betrokkene 2], telefonisch contact is geweest met haar (andere) kinderen, naar haar zeggen als ondersteuning en om haar bij te staan. De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat zij de inhoud van de besprekingen en de (te maken) afspraken met deze kinderen had besproken en ook het feit dat op die avond ondertekening zou plaatsvinden. Daarbij komt dat uit de overgelegde producties en uit hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard, in voldoende mate is gebleken dat er in de dagen en de uren voorafgaand aan de ondertekening van de overeenkomsten meerdere malen overleg is geweest met [betrokkene 2] en [gedaagde] enerzijds en [betrokkene 2] en [eisers] anderzijds. Dat [betrokkene 2] de belangen van [eisers] zou hebben laten prevaleren boven de belangen van [gedaagde] is, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door [eisers], onvoldoende gesteld en gebleken. Bovendien heeft [gedaagde] [eisers] reeds eerder, bij brief van 30 januari 2006, meegedeeld af te zien van haar levenslang recht van gebruik en bewoning. In voornoemde brief schrijft zij onder meer ook dat deze beslissing is genomen “na een enorme strijd met mijzelf, hopende dat het zal leiden tot een betere verhouding jegens elkaar”. Uit een en ander volgt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, dat [gedaagde] wist wat ze deed toen zij de overeenkomsten ondertekende en dat ondertekening volgde op een weloverwogen beslissing. Zij heeft haar persoonlijk recht op levenslang gebruik en bewoning opgegeven, wetende dat zij uit de woning zou moeten vertrekken en dus ook wetende dat zij elders tegen betaling, woonruimte zou moeten vinden, in de hoop dat dit zou bijdragen aan een oplossing van de gerezen problemen.

4.4. Voor de gestelde dwaling of misbruik van omstandigheden is ook geen grond te vinden in de omstandigheid dat aan het recht van gebruik en bewoning in de overeenkomsten niet expliciet een waarde is toegekend. In de hiervoor onder De feiten weergegeven overeenkomst staat in artikel 3 vermeld dat [eisers], nadat de afspraken zoals beschreven in artikel 1 zijn nagekomen, van de schuld die [gedaagde] aan hem heeft en die per 31 december 2004 € 99.220,- bedroeg, geen aflossing zal vorderen en het rentepercentage op nul procent zal worden gesteld. Voorshands is voldoende aannemelijk dat het niet invorderen van deze schuld te beschouwen is als tegenprestatie voor het opgeven van het levenslange recht van gebruik en bewoning (om niet) door [gedaagde], zoals [eisers] en [betrokkene 2] ter zitting hebben verklaard.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat, nu vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat het besluit van [gedaagde] om af te zien van haar levenslang recht op gebruik en bewoning niet is genomen met inachtneming van alle daartoe van belang zijnde elementen en evenmin aannemelijk is dat zij de consequenties van haar besluit onvoldoende heeft overzien, het beroep op vernietiging van de overeenkomsten naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet kan slagen. Dit betekent dat [gedaagde] gehouden is haar verplichtingen uit de overeenkomsten na te komen en zij de woning zal dienen te verlaten.

4.6. Vast staat dat er grote spanningen bestaan tussen partijen en dat het is in het belang van beide partijen dat daaraan op de kortst mogelijke termijn een einde komt. Op grond van een belangenafweging bestaat echter aanleiding [gedaagde] een langere termijn te gunnen voor de ontruiming – als ook voor de juridische levering – dan in de dagvaarding is gevorderd. [eisers] heeft weliswaar gesteld, mede ter onderbouwing van zijn spoedeisend belang, dat hij het (relevante deel van het) pand heeft verhuurd per 1 september 2006 maar ter zitting is onvoldoende duidelijk geworden dat die verhuur meebrengt dat [gedaagde] ook daadwerkelijk op de gevorderde datum zou moeten vertrekken, mede gelet op het feit dat de ingangsdatum van de verhuur kennelijk zonder consequenties is vestreken. Tegenover het belang van [eisers] bij een spoedig vertrek van [gedaagde] staat het belang van [gedaagde] bij het hebben van een ruime termijn om vervangende woonruimte te zoeken. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking de lange periode dat [gedaagde] in het pand heeft gewoond, het feit dat haar dochter inwoont, het feit dat het afzien van het recht van gebruik en bewoning haar initiatief is geweest maar ook dat zij al sinds 22 februari 2006 weet dat zij het pand dient te verlaten en zij dus al enige tijd ongebruikt voorbij heeft laten gaan. Al met al is de voorzieningenrechter van oordeel dat [gedaagde] de tijd dient te hebben tot 1 april 2007 zodat zij uiterlijk op die datum de woning ontruimd dient te hebben. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding de datum van de juridische levering te koppelen aan het vertrek van [gedaagde]. Wellicht ten overvloede geeft de voorzieningenrechter partijen in overweging om binnen deze termijn al hetgeen in voornoemde overeenkomsten is vastgelegd af te wikkelen en een totaaloplossing te bereiken.

4.7. De vorderingen zullen worden toegewezen als na te melden. De gevorderde dwangsommen zullen worden gematigd en het totaal daarvan zal worden gemaximeerd.

4.8. Gelet op de familierechtelijke betrekkingen tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde] om, na betekening van dit vonnis, uiterlijk op 1 april 2007 de woning aan de [adres] te verlaten,

5.2. veroordeelt [gedaagde] de op 22 februari 2006 ondertekende overeenkomsten na te komen, door notaris Van der Kolk te Ede en [eisers] binnen 14 dagen na haar feitelijk vertrek uit de woning doch uiterlijk op 1 april 2007, schriftelijk mede te delen dat zij afstand doet van haar persoonlijk levenslang recht van gebruik en bewoning van één of meer kamers in de onroerende zaak, gelegen aan de [adres],

5.3. veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na haar feitelijk vertrek uit de woning doch uiterlijk op 1 april 2007, haar volledige medewerking te verlenen aan de levering van de onroerende zaak, gelegen aan de [adres], aan [eisers], zonder behoud van haar persoonlijk levenslang recht van gebruik en bewoning van één of meer kamers in voornoemde onroerende zaak,

5.4. bepaalt dat van Donselaar voor iedere week dat zij in strijd handelt met het onder 5.1., 5.2. en 5.3. bepaalde, aan [eisers] een dwangsom verbeurt van EUR 500,-, tot een maximum van EUR 25.000,-,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Blaisse en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.S.M. Daamen op 26 september 2006.