Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ0072

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-09-2006
Datum publicatie
13-10-2006
Zaaknummer
143567
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beëindiging maatschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 143567 / KG ZA 06-484

Vonnis in kort geding van 12 september 2006

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. J. Koekkoek te Haarlem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TANDARTSENPRAKTIJK [gedaagde],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.A.C. van Buul te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiseres]

- de wijziging van eis

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte zijn partijen overeengekomen verder te onderhandelen. De onderhandelingen hebben niet tot resultaat geleid, zodat vonnis is gevraagd.

2. De feiten

2.1. [eiseres] en [gedaagde] zijn begin 2000 een maatschapsovereenkomst aangegaan.

2.2. In de maatschapsovereenkomst is [gedaagde] aangeduid als A en [eiseres] als B.

In de overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:

2.1. Ieder der partijen brengt in de maatschap in zijn/haar arbeidskracht, vlijt en kennis en wel tot de navolgende omvang:

(A): voltijds

(B): voltijds

2.2. (A) brengt tevens in het genot van zijn tandartsenpraktijk en het gebruik van het praktijkhuis, zulks met inbegrip van de personele en materiele praktijkvoorzieningen.

2.3. (A) en (B) brengen instrumentarium en inventaris in ter waarde van f 30.000 per inbrenger.

6. Deze overeenkomst wordt beëindigd:

6.1 door opzegging door een der partijen met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden, met dien verstande dat een dergelijke opzegging niet zal kunnen leiden tot beëindiging voor …2001.

(…)

7. Bij het einde der overeenkomst eindigt de samenwerking van partijen. Indien (A) bij dat einde de praktijk ter plaatse niet neerlegt, staakt (B) de praktijkuitoefening in het praktijkhuis en verlaat zij het met het hare. (B) heeft het recht zich dan elders ter plaatse als tandarts te vestigen. (…)

8.4 Bij het einde der overeenkomst en bij toepassing van artikel 8.1 heeft de blijvende partij de plicht tesamen met de maatschapspraktijk ook het praktijkhuis en de roerende zaken over te nemen.

9.1 Alle geschillen die naar aanleiding van of i.v.m. deze overeenkomst mochten ontstaan, zowel door juridische als feitelijke, ook al worden zij slechts door een partij als zodanig beschouwd, zullen (met inachtneming van het bepaalde in 9.6) met uitsluiting van de gewone rechterlijke macht alleen worden beslist door drie scheidsmannen.

9.6 De bepalingen in dit artikel brengen geen wijziging in de bevoegdheid van partijen, zich in spoedeisende gevallen te wenden tot de president van de rechtbank in kort geding teneinde een voorlopige voorziening bij voorraad te verkrijgen, en de tegen een uitspraak in kort geding openstaande rechtsmiddelen toe te passen.

2.3. Tussen partijen zijn (ernstige) problemen gerezen. Deze problemen hebben ertoe geleid dat de maatschapsovereenkomst tussen partijen is beëindigd. Formeel is de maatschap bij brief van 9 mei 2005 van [gedaagde] per 1 september 2006 ontbonden.

2.4. Partijen hebben inmiddels, ter afwikkeling van de beëindiging van de maatschap overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 van de maatschapsovereenkomst, een eigen arbiter aangewezen.

2.5. [eiseres] heeft wil zo spoedig mogelijk haar nieuwe praktijkruimte betrekken. Zij adverteert inmiddels al onder een nieuwe naam, “ Tandartsenpr[naam]] en beschikt ook over een eigen (nieuw) telefoonnummer.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat en nadat zij ter zitting haar eis heeft verminderd - dat [gedaagde] het gebruik van het woord Tandartsenpraktijk [woonplaats] of enig ander soortgelijke benaming zal staken en gestaakt zal houden en dat [gedaagde] zal worden verboden om het telefoonnummer van de praktijk op te zeggen, alsmede dat [gedaagde] zal worden veroordeeld om opdracht te geven aan de telefoonmaatschappij om het huidige praktijktelefoonnummer met onmiddellijke ingang voorlopig te doen vervallen waarbij dit nummer beschikbaar wordt gehouden voor een in onderling overleg nader vast te stellen telefonische mededeling, waarbij partijen naar rato de hiermee samenhangende kosten voor hun rekening zullen nemen, een en ander op straffe van verbeurte van dwangsommen,

en subsidiair:

voor zover het gevorderde ten aanzien van het telefoonnummer zal worden afgewezen, [gedaagde] zal worden veroordeeld om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 25.000,00 als voorschot op de nog te verdelen goodwill.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In haar dagvaarding heeft [eiseres] gevorderd dat zij het praktijkpand van [gedaagde] nog zou mogen gebruiken tot 1 april 2007. Ter zitting hebben partijen echter overeenstemming bereikt over een uiterste verhuisdatum van [eiseres] op 15 oktober 2006, of zoveel eerder als de praktijkruimte van [eiseres] zal worden opgeleverd. Nu partijen hierover overeenstemming hebben bereikt, heeft [eiseres] haar eis dienaangaande ter zitting ingetrokken.

Praktijknaam

4.2. Ter zitting hebben partijen verklaard dat de naam Tandartsenpraktijk [woonplaats] na het totstandkomen van de maatschap in gebruik is genomen met als belangrijkste doel dat in de mondelinge communicatie naar buiten toe niet steeds de afzonderlijke namen van partijen als gebruikers van het praktijkhuis genoemd hoeven te worden. De naam is voorts alleen vermeld op een naambord bij de toegangsdeur en op de gemeenschappelijke enveloppen van partijen. Voor het overige gebruiken partijen in correspondentie naar buiten toe alleen hun eigen namen.

4.3. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] ter zitting onvoldoende aannemelijk gemaakt wat haar (spoedeisend) belang is bij het voortdurende gebruik van deze naam, nu zij al adverteert onder de naam Tandartsenpraktijk [naam]. Tevens is het zo dat, voor zover deze naam een bepaalde financiële waarde vertegenwoordigt, dit tot uitdrukking zal moeten komen in de vaststelling van de waarde van de goodwill en de afrekening daarvan.

Telefoonnummer

4.4. [eiseres] stelt dat haar het voortdurend gebruik op het door partijen gezamenlijk gevoerde telefoonnummer toekomt, nu zij een veel grotere praktijk heeft dan [gedaagde] en haar praktijk ook nog groeit, terwijl de praktijk van [gedaagde] alleen maar minder wordt en zij ook altijd heeft meebetaald aan de instandhouding van dat nummer. Nu voorts de toekomstplannen van [gedaagde] onduidelijk zijn, is daarmee het voortbestaan van het telefoonnummer, als dat bij [gedaagde] blijft, ook onduidelijk, aldus [eiseres].

[gedaagde] beroept zich op het bepaalde in de artikelen 7 en 8 in de maatschapsovereenkomst.

Hij zet zijn praktijk voort in het praktijkhuis en uit dien hoofde heeft hij recht op het voortdurend gebruik van het nummer, aldus [gedaagde].

4.5. Vast staat dat [gedaagde] over het telefoonnummer beschikte voor het aangaan van de maatschap. [eiseres] was gerechtigd ten behoeve van de uitoefening van haar praktijk in het praktijkhuis, mede over dat telefoonnummer te beschikken. Voorshands geoordeeld wordt het telefoonnummer, evenals de praktijknaam, verondersteld verbonden te zijn aan het praktijkhuis. Ook hier geldt dus dat op grond van artikel 8.4 van het maatschapscontract [gedaagde] het gebruik van het telefoonnummer toekomt. Dat [eiseres] een grotere praktijk heeft dan [gedaagde] of dat [gedaagde] wellicht in de nabije toekomst zijn praktijk zal beëindigen doet daaraan niet af.

Voorts heeft hier eveneens te gelden dat, voor zover dit telefoonnummer een bepaalde financiële waarde vertegenwoordigt, dit tot uitdrukking zal moeten komen in de vaststelling van de waarde van de goodwill en de afrekening daarvan.

Voorschot op de goodwill

4.6. Nu [eiseres] niet het telefoonnummer krijgt toegewezen, komt de voorzieningenrechter toe aan de beoordeling van de vordering van [eiseres] tot een voorschot op betaling van het aan [eiseres] toekomende aandeel in de goodwill.

4.7. Deze vordering is een geldvordering. Voor toewijzing daarvan binnen het kader van een kort geding moet in ieder geval de voorwaarde zijn vervuld dat het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn. Dit is het geval als de vordering niet wordt bestreden of indien met voldoende mate van zekerheid is te verwachten dat de bodemrechter met verwerping van de gevoerde verweren de vordering zal toewijzen. Voorts moet uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist zijn en mag het risico van onmogelijkheid van terugbetaling – bij afweging van de belangen van partijen – niet aan toewijzing in de weg staan.

4.8. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] nieuwe patiënten die zich – al dan niet naar aanleiding van de door haar geplaatste advertentie - telefonisch aanmelden, niet doorverwijst naar [eiseres], maar zelf houdt. Daardoor zou zij omzet missen. [gedaagde] betwist nadrukkelijk dat hij patiënten niet zou doorverwijzen naar [eiseres]. En zo dat we het geval zou zijn, dan is het daarvoor gevorderde bedrag extreem hoog in de visie van [gedaagde]. Nu het om een voorschot op de te verdelen goodwill gaat, stelt [gedaagde] voorts nog dat deze vordering ter beoordeling voorgelegd moet worden aan de arbiters.

4.9. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat [eiseres] ter zitting het spoedeisend belang bij deze vordering geenszins aannemelijk heeft gemaakt. Om die reden zal de vordering worden afgewezen. Ten overvloede zij hier voorts nog opgemerkt dat [eiseres] heeft nagelaten haar vordering op enige wijze te onderbouwen. Nu de vordering gemotiveerd is bestreden, had ook daarin een reden gelegen kunnen zijn de vordering als onvoldoende aannemelijk gemaakt af te wijzen.

Proceskosten

4.10. Gelet op het bovenstaande zullen de door [eiseres] gevraagde voorzieningen worden geweigerd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal zij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

weigert de gevorderde voorzieningen,

veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 816,00 voor salaris en op € 248,00 voor verschotten.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Blaisse en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.A. van Gemert op 12 september 2006.