Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AY9187

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-09-2006
Datum publicatie
29-09-2006
Zaaknummer
AWB 06/1446
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststellen eerste arbeidsongeschiktheidsdag. In het rapport ontbreekt een beschouwing van de verzekeringsarts waaruit blijkt dat deze zich de vraag heeft gesteld wat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 06/1446

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door F.W. van Dijk, adviseur Helpdesk Sociale Zekerheid B.V. te Zwolle,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 27 januari 2006, uitgereikt door het UWV te Nijmegen.

2. Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft verweerder geweigerd aan eiser per 24 april 2005 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 5 september 2006. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door F.W. van Dijk voornoemd.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.A. van de Berkt, medewerker van het UWV te Arnhem.

3. Overwegingen

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat 26 april 2004 de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van eiser was. Eiser stelt echter dat de arbeidsongeschikt in de loop der jaren geleidelijk is ontstaan en dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is gelegen ruim voor 26 april 2004.

In het kader van het onderzoek naar de medische beperkingen van eiser is deze op 29 juni 2005 door de verzekeringsarts E.F. van der Molen onderzocht. Uit het rapport van de verzekeringsarts blijkt dat voor eiser per 26 april 2004 beperkingen gelden, die het rechtstreeks gevolg zijn van ziekte of gebrek. In de door de verzekeringsarts opgestelde functionele mogelijkhedenlijst d.d. 29 juni 2005 zijn beperkingen opgenomen bij diverse aspecten in de rubrieken dynamische handelingen en statische houdingen.

Naar aanleiding van de stelling van eiser dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag voor 26 april 2004 ligt heeft de bezwaarverzekeringsarts M. Carere in haar rapport van 26 april 2006 onder meer het volgende opgenomen:

‘Gezien het feit dat gemachtigde zelf aangeeft dat de klachten van belanghebbende in de loop der tijd zijn toegenomen, betekent dit omgekeerd dat voorafgaand aan het onderzoek de toch al beperkte afwijkingen nog geringer geweest zullen zijn. Er zijn onvoldoende medische redenen om de eerste arbeidsongeschiktheidsdatum nog verder naar voren te schuiven dan de 14 maanden die de verzekeringsarts al heeft gedaan.’

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, althans dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom 26 april 2004 de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is, en overweegt daartoe het volgende.

Uit het rapport van de verzekeringsarts blijkt niet dat het onderzoek gericht is geweest op het vaststellen van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. In het rapport ontbreekt een beschouwing van de verzekeringsarts waaruit blijkt dat deze zich de vraag heeft gesteld wat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is, en een motivering waarom dat 26 april 2004 zou zijn. De enkele stelling in het rapport dat aangenomen kan worden dat 26 april 2004 de eerste dag is dat eiser de door de verzekeringsarts beschreven mogelijkheden kan benutten, is onvoldoende om als zodanige beschouwing en motivering te worden aangemerkt.

De door de bezwaarverzekeringsarts gegeven motivering is eveneens onvoldoende. Dat, zoals de bezwaarverzekeringsarts stelt, de afwijkingen beperkt zijn, neemt niet weg dat eiser vanwege de beperkingen die het gevolg zijn van die afwijkingen, in ieder geval per 26 april 2004 niet meer geschikt is voor zijn eigen werk. De enkele omstandigheid dat de klachten in de loop van de tijd zijn toegenomen, sluit niet uit dat eiser reeds eerder dan op 26 april 2004 niet meer geschikt was voor zijn werk.

Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking en verweerder dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 2 augustus 2005 met inachtneming van deze uitspraak.

Uit het rapport van de verzekeringsarts blijkt dat eiser voordat hij op 26 april 2004 naar de huisarts ging al fysiotherapie en speciale fitness had gehad. Ter zitting heeft eiser meegedeeld dat de fitness om cardiofitness ging en dat hij hiervoor geen verwijzing van de huisarts had. Voor de fysiotherapie had hij wel een verwijzing van de huisarts. De rechtbank leidt hieruit af dat de huisarts waarschijnlijk informatie over de rugklachten van eiser kan verstrekken over de periode vóór 26 april 2004.

Hoewel de rechtbank niet medisch deskundig is komt het de rechtbank voor dat in dit specifieke geval, waarin vrijwel geen medische informatie beschikbaar is over het klachtenverloop, het bijzonder zinvol kan zijn om informatie op te vragen bij de huisarts van eiser. De rechtbank geeft verweerder dan ook in overweging om zulks bij de voorbereiding van een nieuw besluit op bezwaar te doen.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten en reiskosten, welke zijn begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand. De reiskosten zijn begroot op

€ 9,76, uitgaande van het tarief openbaar vervoer tweede klas.

Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 2 augustus 2005 met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 653,76 en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoedt en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet vergoeden;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiser betaalde griffierecht van € 37,- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van G.W. Jansink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2006.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: