Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AY9110

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-09-2006
Datum publicatie
28-09-2006
Zaaknummer
AWB 06/925
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2008:BD8946, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onvoldoende motivering waarom eiser ondanks visusbeperkingen in staat moet worden geacht de geduide functies te verrichten. Nu de visusbeperkingen kennelijk uit een andere oorzaak voortkomen dan de oorzaak ter zake waarvan een uitkering werd ontvangen, kunnen de visusbeperkingen daarom niet tot een herziening van de uitkering wegens toeneming van arbeidsongeschiktheid leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 06/925

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. A.L. Kuit,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 27 december 2005, uitgereikt door het UWV te Rotterdam.

2. Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2003 heeft verweerder de uitkering die eiser ingevolge de WAO ontvangt, per 28 oktober 2003 ongewijzigd vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Bij besluit van 27 oktober 2004 heeft verweerder de WAO-uitkering van eiser ongewijzigde vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Eiser heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en de besluiten van 30 oktober 2003 en 27 oktober 2004 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 5 september 2006. Eiser en zijn gemachtigde mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.A. van de Berkt, werkzaam bij het UWV te Arnhem.

3. Overwegingen

Het bestreden besluit betreft de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 28 oktober 2003 en 27 oktober 2004. Eiser heeft visusbeperkingen en andere beperkingen. Gelet op de onderliggende stukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank er van uit dat verweerder zich primair op het standpunt stelt dat, indien alle beperkingen van eiser in aanmerking worden genomen, de mate van arbeidsongeschiktheid op beide data 25 tot 35% bedraagt. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat, voor zover de mate van arbeidsongeschiktheid op die data groter is, de visusbeperkingen ingevolge het bepaalde in artikel 37, lid 2, van de WAO niet kunnen leiden tot verhoging van de WAO-uitkering.

Met betrekking tot het primaire standpunt van verweerder overweegt de rechtbank het volgende.

Arbeidsongeschikt in de zin van de WAO is, kort weergegeven, degene die op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet in staat is om met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 85% te verdienen van het inkomen dat een met hem of haar wat betreft opleiding en arbeidservaring vergelijkbare gezonde persoon (de maatman) kan verwerven.

Eerst dient te worden vastgesteld welke medische beperkingen betrokkene heeft en welke algemeen geaccepteerde arbeid betrokkene, rekening houdend met die beperkingen, kan verrichten. Om de mate van arbeidsongeschiktheid te bepalen moet vervolgens een vergelijking worden gemaakt tussen het inkomen dat de betrokkene met algemeen geaccepteerde arbeid kan verdienen en het maatgevende inkomen.

Gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder (met name) de rapporten van de verzekeringsarts R.M.E. Blanker van 28 oktober 2003 en 8 oktober 2004, en van de bezwaarverzekeringsarts J.C. Kokenberg van 30 mei 2005 en 10 oktober 2005, is de rechtbank van oordeel dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door verweerder vastgestelde belastbaarheid van eiser per 28 oktober 2003 en 27 oktober 2004.

Eiser heeft aangevoerd dat hij meer beperkingen heeft en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest.

Eiser is op 28 oktober 2003 en 8 oktober 2004 onderzocht door de verzekeringsarts. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben de in het dossier aanwezige medische informatie bij hun beoordeling betrokken en inzichtelijk gemotiveerd waarom zij het niet nodig vonden om informatie bij de behandelend sector op te vragen. De medische informatie die door eiser na de hoorzitting aan verweerder is toegestuurd is door de bezwaarverzekeringsarts beoordeeld.

Gelet op een en ander valt niet in te zien dat de medische grondslag van de schatting onzorgvuldig is voorbereid.

Aangezien de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts inzichtelijk hebben gemotiveerd hoe zij tot de vastgestelde beperkingen zijn gekomen en eiser geen medische informatie heeft overgelegd waaruit volgt dat hij meer of andere beperkingen zou hebben, kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn stelling dat de beperkingen onjuist zijn vastgesteld.

Geoordeeld moet worden dat eiser op de in geding zijnde data in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde belastbaarheid.

In het kader van het arbeidskundig onderzoek zijn functies geduid. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige D.A. Hueting van 21 november 2005 blijkt dat de schatting per 28 oktober 2003 is gebaseerd op de functies machinebediende (sbc-code 271091), wikkelaar (sbc-code 267050) en productiemedewerker industrie (sbc-code 111180). Uit het rapport van de arbeidsdeskundige D.A. Hueting van 27 oktober 2004 blijkt dat de schatting per 27 oktober 2004 is gebaseerd op de functies machinebediende (sbc-code 271091), wikkelaar (sbc-code 267050) en schilder/spuiter (sbc-code 262170). Al deze functies zijn te beschouwen als algemeen geaccepteerde arbeid.

Uit de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsarts en de met betrekking tot beide in geding zijnde data opgestelde functionele mogelijkhedenlijsten, blijkt dat eiser visusbeperkingen heeft. In de omschrijving van de geduide functies is, behoudens een enkel hier niet van belang zijnd aspect, op het belastingspunt “zien” geen bijzondere belasting vermeld. Gelet op de systematiek van het CBBS betekent dit dat in de functies op het aspect zien een normale belasting geldt. Aangezien eiser visusbeperkingen heeft, kan er niet zonder meer van uitgegaan worden dat de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van eiser niet overschrijdt. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom eiser, ondanks zijn visusbeperkingen, in staat moet worden geacht de geduide functies te verrichten. Het bestreden besluit is op dit punt derhalve onvoldoende gemotiveerd.

De rechtbank is van oordeel dat voor het overige in de hiervoor genoemde rapporten van de arbeidsdeskundige Hueting, het rapport van de arbeidsdeskundige C. Weegman van 1 september 2005 en in de notities functiebelasting van 27 oktober 2004, voldoende is gemotiveerd dat de geduide functies de belastbaarheid van eiser niet overschrijden.

Het voorgaande betekent dat het primaire standpunt van verweerder niet gevolgd kan worden.

Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van verweerder overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de stukken blijkt dat de WAO-uitkering van eiser op 2 januari 1995 voor het eerst is berekend naar een mate van arbeidsongschiktheid van minder dan 45%. Vanaf dat moment omvat de verzekering voor personen bedoeld in artikel 37, lid 2, van de WAO niet het risico van toename van de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een kennelijk andere oorzaak dan ter zake waarvan uitkering wordt ontvangen (CRvB 28 januari 2005, RSV 2005/87).

De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat de visusbeperkingen van eiser zijn ontstaan na 2 januari 1995, dat deze visusbeperkingen kennelijk uit een andere oorzaak voortkomen dan de oorzaak ter zake waarvan op 2 januari 1995 uitkering werd ontvangen, en dat de visusbeperkingen derhalve niet tot een herziening van de uitkering wegens toeneming van arbeidsongeschiktheid kunnen leiden. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Aan de herziening van de uitkering per 2 januari 1995 liggen de rapporten van de verzekeringsarts A.J. Colijn van 19 maart 1994 en 6 juli 1994 ten grondslag. Uit deze rapporten en het door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon gedateerd 21 september 1994 blijkt niet dat de oogklachten van eiser de oorzaak zijn van de arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan hij per 2 januari 1995 een uitkering ontvangt. Niet gebleken is dat verweerder later op dit besluit is teruggekomen.

In het voorgaande heeft de rechtbank geconcludeerd dat in verband met de visusbeperkingen van eiser onvoldoende gemotiveerd is dat de geduide functies passend zijn. Indien verweerder op basis van deze conclusie tot een heroverweging zou overgaan, zou dat kunnen leiden tot een toeneming van arbeidsongeschiktheid per de in geding zijnde data. Nu echter tevens is geconcludeerd dat de visusbeperkingen niet tot een herziening van de uitkering wegens toeneming van arbeidsongeschiktheid kunnen leiden is niet meer van belang of de eerdere conclusie van de rechtbank tot toeneming van arbeidsongeschiktheid zal leiden.

Indien de visusbeperkingen buiten beschouwing worden gelaten zijn de geduide functies als passend aan te merken. Aangezien uit het arbeidskundig onderzoek voorts blijkt dat eiser met de functies waarop de schatting is gebaseerd een zodanig inkomen kan verdienen dat hij op beide data voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van G.W. Jansink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2006.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: