Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AY9017

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-07-2006
Datum publicatie
28-09-2006
Zaaknummer
141908
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burenrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 141908 / KG ZA 06-375

Vonnis in kort geding van 18 juli 2006

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur en advocaat mr. P.F.M. Verstegen,

tegen

1a. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

1b. [gedaagde 2]

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. P.A.C. de Vries te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde sub1] c.s. (gedaagden sub 1) en [gedaagde sub 2] (gedaagde sub 2) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de mondelinge behandeling;

- de pleitnota van [eiser];

- de wijziging van eis;

- de pleitnota van [gedaagde sub1] c.s. en [gedaagde sub 2].

- de brief van [eiser] van 10 juli 2006 met bijlagen;

- de brief van [eiser] van 11 juli 2006 met bijlagen.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] en [gedaagde sub1] c.s. zijn buren. [eiser] is eigenaar en bewoner va[adres]an de [adres] [gedaagde sub1] c.s. zijn de bewoners van[adres]n de [adres].

2.2. [gedaagde sub 2] was tot 1992 eigenaar van het perceel grond waarop in 1993 door zijn dochter en schoonzoon, [gedaagde sub1] c.s., de woning [adres] is gebouwd. In 1992 heeft hij het perceel in economisch eigendom aan hen overgedragen. Bij de stukken bevindt zich een uittreksel van de dienst voor het kadaster en de openbare registers te Arnhem van 12 juni 2006 waaruit blijkt dat [gedaagde sub 2] de eigenaar van het erf c.q. de tuin aan de [adres] is sinds 2 november 1993.

2.3. Tussen de percelen van [eiser] en [gedaagde sub1] c.s. staan in de achtertuin betonnen palen met gaas. Langs een gedeelte van de erfgrens staat daarnaast, in de achtertuin van [gedaagde sub1] c.s. op [adres], een laurierhaag. Deze circa 25 meter lange laurierhaag staat gedeeltelijk binnen een afstand van 50 cm. van de erfgrens (volgens [eiser] over een lengte van 15 meter, volgens [gedaagde sub1] c.s. over een lengte van 8 meter). De haag is ongeveer 1.10 meter breed en groeit door het gaas heen. Op sommige plaatsen is de haag, gemeten vanaf het erf van [eiser], 2.80 meter hoog.

2.4. Het erf van [gedaagde sub1] c.s. ligt iets hoger dan het erf van [eiser]. Het erf van [eiser] loopt schuin af.

2.5. In de achtertuin van [gedaagde sub1] c.s. staat in de laurierhaag langs de erfgrens tussen beide percelen een krentenboom.

2.6. In de naar de erfgrens gekeerde zijgevel van de woning van [gedaagde sub1] c.s. bevinden zich binnen twee meter van de erfgrens een (schuin) dakraam en een deur. Op de eerste pagina van de tekening die [eiser] als productie 3 in het geding heeft gebracht zijn de deur en het dakraam met geel gemarkeerd, hieruit blijkt dat het gaat om de linker deur van de linker zijgevel (in de garage) en het onderste dakraam van deze zijgevel.

Het dakraam is geplaatst bij de bouw van het huis in 1993/1994. Achter het dakraam zit een berging. De zijdeur van de garage heeft gefigureerd glas. Vanuit de garagedeur kan op dit moment - door de aanwezigheid van de laurierhaag die langs de garage groeit - niet op het erf van [eiser] worden gekeken.

2.7. In 2006 zijn aan de inrit van de woning van [gedaagde sub1] c.s. herstelwerkzaamheden verricht in verband met verzakt straatwerk. Hierna zijn in mei 2006 drie dennen van [eiser] doodgegaan. [eiser] heeft deze dennen vervangen.

2.8. De woning van [gedaagde sub1] c.s. is inmiddels verkocht aan de familie [betrokkene]. De feitelijke en juridische levering (transport) zal op 1 augustus 2006 plaatsvinden.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert na wijziging van eis samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub1] c.s. en [gedaagde sub 2] tot:

a. verwijdering van de laurierhaag op het perceel [adres] langs de erfgrens met het perceel [adres];

b. verwijdering van de krentenboom op het perceel [adres] binnen 2 meter van de erfgrens met het perceel [adres];

c. verwijdering dan wel het vaststaand en ondoorzichtig maken van de deuropening en het dakraam in de zijgevel van de woning [adres] die naar het perceel [adres] gekeerd zijn;

d. aanbrenging van een waterkerende folie tussen de inrit van de [adres] en de erfgrens met het perceel [adres],

het voorgaande binnen veertien dagen na de datum van het vonnis, uiterlijk voor overdracht en levering van de woning aan [betrokkene], op straffe van een dwangsom van € 250,- per overtreding per dag dat de overtreding voortduurt, en voorts veroordeling tot betaling van

€ 350,-, vermeerderd met de kosten van de procedure.

3.2. [eiser] heeft hiertoe onder meer gesteld dat de laurierhaag en krentenboom van [gedaagde sub1] c.s. zonder zijn toestemming en in strijd met artikel 5:42 BW binnen twee meter van de erfgrens staan en dat hij hinder ondervindt van de laurierhaag in de vorm van onkruid en het ontnemen van licht en lucht aan zijn tuin.

[eiser] stelt eveneens hinder te ondervinden van het dakraam en de deur (in de vorm van een verlies van privacy) die zich onrechtmatig op een afstand van minder dan twee meter van de erfgrens bevinden, nu [gedaagde sub1] c.s. vanuit het raam en, na verwijdering van de laurierhaag ook vanuit de deuropening, uitzicht hebben op zijn erf en woning.

Bij werkzaamheden aan de oprit van [gedaagde sub1] c.s. zou ten slotte een wateraantrekkende laag zijn ontstaan ten gevolge waarvan drie dennen van [eiser] zijn doodgegaan. [eiser] stelt hierdoor schade te hebben geleden ter hoogte van € 350,-.

3.3. [gedaagde sub1] c.s. en [gedaagde sub 2] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] heeft gesteld een spoedeisend belang te hebben bij de door hem ingestelde vorderingen omdat het huis van zijn buren binnenkort wordt overgedragen aan [betrokkene] en hij met hen vanaf het begin een goede burenrelatie wil. Het door [eiser] gestelde spoedeisende belang is door [gedaagde sub1] c.s. en [gedaagde sub 2] betwist. De afwezigheid van een spoedeisend belang blijkt volgens hen uit het feit dat [eiser] gedurende 22 dan wel 12 jaar geen actie heeft ondernomen.

De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening dient te worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. De omstandigheid dat de eisende partij lang heeft stilgezeten kan bij die afweging een rol spelen, en de omstandigheid dat een rechtsvraag in geschil is waarop het antwoord niet evident is, kan leiden tot behoedzaamheid bij de gevraagde voorziening. Deze omstandigheden kunnen echter noch ieder voor zich, noch in onderlinge samenhang het oordeel rechtvaardigen dat de eisende partij geen spoedeisend belang (meer) heeft bij de gevraagde voorziening. Evenmin zijn die omstandigheden op zichzelf voldoende voor het oordeel dat de eisende partij, door een vordering in kort geding in te stellen, handelt in strijd met de goede procesorde (vgl. HR 29 november 2002, NJ 2003, 78).

In dit geval heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt een spoedeisend belang te hebben bij zijn vordering, gelet op het feit dat hij binnen enkele weken nieuwe buren krijgt en conflicten met hen wil voorkomen. Gelet op het bovenstaande rechtvaardigt het enkele feit dat [eiser] niet eerder een kort geding heeft ingesteld tegen [gedaagde sub1] c.s. en [gedaagde sub 2] niet de conclusie dat geen sprake (meer) is van een spoedeisend belang.

4.2. Met betrekking tot het door [gedaagde sub1] c.s. en [gedaagde sub 2] gevoerde verweer dat sprake is van verjaring van (een deel van) de vordering van [eiser] wordt vooropgesteld dat de voorzieningenrechter de stukken die [eiser] hierover na de zitting nog aan de rechtbank heeft doen toekomen buiten beschouwing zal laten nu deze in een te laat stadium in het geding zijn gebracht.

Overigens is de voorzieningenrechter van oordeel dat voorshands niet is vast komen te staan dat sprake is van verjaring van de vordering tot verwijdering van de laurierhaag, nu hiervoor op grond van artikel 3:306 jo 3:314 BW een termijn geldt van 20 jaar en niet is vast komen te staan dat deze termijn is verstreken.

Voorts kan het bestaan van een erfdienstbaarheid met betrekking tot de laurierhaag, het dakraam en de deur niet worden aangenomen – ondanks het feit dat deze meer dan 10 jaar aanwezig zijn - nu niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5:72 BW. In het bijzonder is niet gesteld of gebleken dat een akte van vestiging van een erfdienstbaarheid bestaat dan wel dat sprake is van een op een inschrijving in de openbare registers gebaseerd bezit te goeder trouw.

Laurierhaag

4.3. Vooropgesteld wordt dat in dit geval de vordering met betrekking tot verwijdering van de laurierhaag ingevolge artikel 5:42 BW zowel tegen de bewoners/gebruikers van het erf ([gedaagde sub1] c.s.) als tegen de eigenaar van het erf ([gedaagde sub 2]) kan worden ingesteld.

4.4. [eiser] vordert verwijdering van de laurierhaag op grond van artikel 5:42 lid 1 en 2 BW. Bij dagvaarding stelde hij zich op het standpunt dat de laurierhaag een heg betreft, ter zitting heeft hij echter betoogd dat het gaat om een boom. De voorzieningenrechter overweegt dat er naar gangbaar spraakgebruik en gelet op de plaatselijke omstandigheden van uit moet worden gegaan dat een laurierhaag een heg is en geen boom.

Op grond van bovengenoemd artikel is het niet toegestaan een heg binnen 50 centimeter van de erfgrens te hebben, tenzij (onder meer) sprake is van toestemming van de eigenaar van het aangrenzende erf of ingevolge een plaatselijke gewoonte een kleinere afstand is toegelaten. Vast staat dat in elk geval een deel van de laurierhaag met een lengte van 8 meter binnen deze 50 centimeter van de erfgrens staat. In dit geval is niet gesteld of gebleken dat [eiser] de bedoelde toestemming heeft gegeven. Omtrent de door [gedaagde sub1] c.s. en [gedaagde sub 2] gestelde plaatselijke gewoonte is voorts onvoldoende aangevoerd om voorshands te kunnen worden aangenomen dat er een plaatselijke gewoonte is. Hieruit volgt dat het gedeelte van de laurierhaag waarvan de voet van de stam(men) zich binnen 50 centimeter van de erfgrens bevindt in beginsel verwijderd dient te worden.

4.5. De redelijkheid en billijkheid verzetten zich echter tegen verwijdering indien sprake is van een heg met een zodanige hoogte dat deze op zichzelf ter plaatse toelaatbaar is. Omtrent deze hoogte wordt overwogen dat in artikel 5:49 BW een scheidsmuur van 2 meter hoogte wordt toegelaten en dat artikel 5:42 lid 3 BW heggen toelaat tot de hoogte van de scheidsmuur. Hieruit kan worden afgeleid dat in beginsel een heg tot een hoogte van 2 meter toelaatbaar is wanneer deze, zoals in het onderhavige geval, de functie vervult van scheidsmuur die de buren tegenover elkaar privacy moet bieden.

Hieruit volgt dat aan de vordering tot verwijdering in dit geval kan worden voldaan door de beplantingen die boven de (denkbeeldige) scheidsmuur uitsteken, tot (onder) de scheidsmuur terug te brengen. Daar komt bij dat verwijdering in dit geval een onomkeerbaar gevolg heeft en het niet zeker is dat de rechter in een bodemprocedure hiertoe zal besluiten. Voorts is niet gebleken dat de beplanting de door [eiser] gestelde hinder veroorzaakt.

De voorzieningenrechter zal daarom in dit geval het mindere toewijzen, namelijk dat de laurierhaag voor zover deze zich binnen 50 centimeter van de erfgrens bevindt, gesnoeid wordt gehouden tot maximaal twee meter.

4.6. Nu de achtertuinen van partijen in hoogte verschillen rijst de vraag van welk erf gemeten moet worden. Een redelijke uitleg van artikel 5:42 lid 3 en 5:49 BW brengt met zich mee om in het onderhavige geval te meten van het hoogst gelegen erf, te weten dat van [gedaagde sub1] c.s. en [gedaagde sub 2]. Een andere uitleg zou tot de onaanvaardbare consequentie leiden dat [gedaagde sub1] c.s. hun privacy niet op dezelfde wijze zouden kunnen waarborgen als [eiser].

Krentenboom

4.7. Met betrekking tot een krentenboom in de achtertuin van [gedaagde sub1] c.s. en [gedaagde sub 2] heeft [eiser] eveneens gesteld dat deze zich op grond van artikel 5:42 BW onrechtmatig binnen een afstand van twee meter van de erfgrens bevindt.

[gedaagde sub1] c.s. en [gedaagde sub 2] hebben echter aangevoerd dat over de krentenboom in een eerdere procedure is beslist, wat door [eiser] niet is betwist. Nu de vordering tot verwijdering van de krentenboom door [eiser] pas ter zitting is toegevoegd, hebben [gedaagde sub1] c.s. en [gedaagde sub 2] niet de gelegenheid gehad tijdig stukken hieromtrent (met name het vonnis in de bedoelde procedure) in het geding te brengen. Ook door [eiser] zijn geen stukken met betrekking tot een eerdere procedure in het geding gebracht. Het feit dat thans onvoldoende duidelijkheid bestaat over de (juridische) geschiedenis van de krentenboom komt voor risico van [eiser]. De vordering tot verwijdering van de krentenboom zal daarom worden afgewezen.

Dakraam

4.8. Tussen partijen is niet in geschil dat zich binnen een afstand van twee meter van de erfgrens in de gevel van [gedaagde sub1] c.s. een dakraam bevindt dat uitzicht geeft op het erf van [eiser]. Het feit dat het uitzicht volgens [gedaagde sub1] c.s. slechts kan worden verkregen door dicht bij het raam te gaan staan of dit open te doen, doet daar niet aan af. Ingevolge artikel 5:50 lid 1 BW is de aanwezigheid van een venster op deze plaats en onder deze omstandigheden ongeoorloofd. Dit is slechts anders indien het een vaststaand en ondoorzichtig venster betreft, bedoeld als lichtopening (artikel 5:51 BW).

Aan de vordering tot verwijdering – in die zin dat de onrechtmatige situatie wordt opgeheven - kan in dit geval derhalve worden voldaan door het dakraam vaststaand en ondoorzichtig te maken. De voorzieningenrechter zal dit daarom dit deel van de vordering toewijzen.

4.9. [eiser] heeft ook dit deel van de vordering ingesteld tegen zowel [gedaagde sub1] c.s. als [gedaagde sub 2]. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat [gedaagde sub1] c.s. economisch eigenaar van de woning zijn en dat uit de gegevens van het kadaster voorts blijkt dat [gedaagde sub 2] juridisch eigenaar (van de woning) is. [gedaagde sub1] c.s. en [gedaagde sub 2] hebben betwist dat [gedaagde sub 2] eigenaar is van de woning. Uit het overgelegde uittreksel uit het kadaster blijkt daarbij slechts dat [gedaagde sub 2] eigenaar is van de tuin en het erf van [adres]. Overwogen wordt dat voorshands niet kan worden aangenomen dat [gedaagde sub 2] eigenaar is van de woning en dat het bepaalde met betrekking tot het dakraam dan ook alleen tegenover [gedaagde sub1] c.s. geldt.

Deur

4.10. Partijen verschillen evenmin van mening over het feit dat de deur in de garage van [gedaagde sub1] c.s. zich binnen een afstand van twee meter van de erfgrens met de achtertuin van [eiser] bevindt. [eiser] heeft ten aanzien van de deur gesteld na verwijdering van de laurierhaag hinder te zullen ondervinden van deze deur, in die zin dat deze dan uitzicht op zijn erf zal geven, wat voor hem verlies van privacy betekent.

Hoewel het op grond van artikel 5:50 BW inderdaad niet geoorloofd is op deze afstand van de erfgrens een muuropening, zoals in dit geval een deur, te hebben, geldt dit slechts voor zover de opening uitzicht op het erf van de nabuur geeft. In dit geval is hiervan geen sprake vanwege de aanwezigheid van de laurierhaag tussen beide erven. De vordering met betrekking tot de deur zal daarom worden afgewezen.

Dennen

4.11. Niet in geschil is dat een drietal bomen van [eiser] in mei 2006 zijn doodgegaan en dat hij hierdoor schade heeft geleden. Over de oorzaak van het doodgaan van de bomen zijn partijen het echter niet eens. Het door [eiser] gestelde causale verband tussen het doodgaan van de bomen en de werkzaamheden aan de oprit van [adres] is door [gedaagde sub1] c.s. en [gedaagde sub 2] gemotiveerd betwist.

[eiser] heeft in dit kort geding onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een dergelijk causaal verband bestaat en dat het aanbrengen van een waterkerende folie noodzakelijk is om toekomstige schade te voorkomen. De vorderingen op dit punt moeten dan ook worden afgewezen.

4.12. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt tot een bedrag van € 150,- per dag, met een maximum van € 1.500,-.

4.13. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde sub1] c.s. en [gedaagde sub 2] om de laurierhaag in de achtertuin van [adres] voor zover deze zich binnen 50 centimeter van de grenslijn bevindt tot maximaal twee meter hoogte gesnoeid te (doen) houden, gemeten vanaf het erf van [gedaagde sub1] c.s. en [gedaagde sub 2], voor 1 augustus 2006,

5.2. bepaalt dat [gedaagde sub1] c.s. en [gedaagde sub 2] voor iedere dag dat zij in strijd handelen met het onder 5.1 bepaalde, aan [eiser] een dwangsom verbeuren van EUR 150,-, tot een maximum van EUR 1.500,-,

5.3. veroordeelt [gedaagde sub1] c.s. het dakraam vaststaand en ondoorzichtig te maken voor 1 augustus 2006,

5.4. bepaalt dat [gedaagde sub1] c.s. voor iedere dag dat zij in strijd handelen met het onder 5.3 bepaalde, aan [eiser] een dwangsom verbeuren van EUR 150,-, tot een maximum van EUR 1.500,-,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Jacobs en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. drs. E.M. van der Burg op 18 juli 2006.