Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AY8837

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
26-09-2006
Zaaknummer
122881
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van aanneming van werk tussen een Belgische partij en een Nederlandse partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 122881 / HA ZA 05-154

Vonnis van 26 juli 2006

in de zaak van

de naamloze vennootschap

WONINGBOUW EIJSSEN N.V.,

gevestigd te Overpelt, België,

eiseres,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. P.A.Th.J. Hendrickx te Valkenswaard,

tegen

1. [gedaagde 1]

wonende te [woonplaats]

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats]

gedaagden,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. F.G.J. van der Kruis te Eindhoven.

Partijen zullen hierna Eijssen en[geda[gedaagde 1]gden] worden genoemd.[gedaagde 1]gden] zal afzonderlijk ook worden aangeduid als [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 april 2005

- het proces-verbaal van comparitie van 31 augustus 2005

- de conclusie van repliek, tevens subsidiair wijziging van eis

- de conclusie van dupliek

- de akte van Eijssen

- de antwoordakte uitlating producties van[gedaagde 1]gden].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Eijssen is een woningbouwbedrijf. In mei 2001 heeft Eijssen een voorstudie verricht voor het bouwen van een woonhuis voor [gedaagden]. Bij factuur van 29 mei 2001 heeft Eijssen aan [gedaagden] voor deze voorstudie een bedrag van (Hfl. 7.734,99, omgerekend) € 3.509,99 in rekening gebracht. [gedaagden] heeft deze factuur voldaan.

2.2. In juni 2001 heeft Eijssen architect [betrokkene] van architectenbureau [betrokkene] ingeschakeld. [betrokkene] heeft de eerste tekeningen voor de woning gemaakt. De tekeningen zijn ingediend bij de gemeente Lingewaal, maar bleken in strijd te zijn met het bestemmingsplan.

2.3. Op 30 augustus 2002 heeft Eijssen aan [gedaagden] een offerte uitgebracht voor de bouw van de woning “volgens schetsontwerp code 01.080, dd 24/05/2005”. [gedaagde 1] is met de offerte akkoord gegaan. In de offerte staat onder meer vermeld:

Bovenstaande offerte werd onder voorbehoud van de inplanting en stedebouwkundige voorschriften opgesteld.

2.4. In november 2002 heeft de gemeente Lingewaal meegedeeld dat er constructietekeningen moesten worden gemaakt voordat de bouwvergunning kon worden verleend.

2.5. Op 5 november 2002 heeft Eijssen met [gedaagde 1] – en volgens Eijssen ook met [gedaagde 2] – een overeenkomst van aanneming van werk gesloten. Daarbij is overeengekomen dat Eijssen in opdracht en voor rekening van [gedaagde 1] een woonhuis zou bouwen op een perceel in [adres]. De aannemingssom bedroeg

€ 371.755,-- exclusief BTW oftewel € 442.388,-- inclusief BTW.

2.6. In de overeenkomst staat onder meer vermeld:

Tijdstip van aanvang van het werk:

• in overleg

• of: binnen dertig dagen na bekomen bouwvergunning.

2.7. In de overeenkomst wordt verwezen naar “de aan de ommezijde vermelde Algemene Voorwaarden”. Artikel 15 lid 5 van deze Algemene Voorwaarden bepaalt:

In geval van ontbinding van de overeenkomst tussen partijen als gevolg van enige omstandigheid welke kan worden toegerekend aan de opdrachtgever heeft de aannemer recht op een gefixeerde schadevergoeding van 20% over de niet-verschenen betalingstermijnen, onverminderd het recht van de aannemer om volledige schadevergoeding te vorderen.

2.8. Begin november 2002 heeft Eijssen aan [gedaagden] meegedeeld dat de firma Wouters Bouwadvies de voor verlening van de bouwvergunning benodigde constructietekening zou maken. Eind november was de constructietekening nog niet gemaakt. [gedaagden] heeft vervolgens zelf aan [betrokkene 2] de opdracht verstrekt tot het maken van de tekening.

2.9. Op 6 november 2002 heeft Eijssen aan [gedaagde 1] een voorschotfactuur gezonden ten bedrage van € 6.783,--. [gedaagden] heeft deze factuur niet voldaan.

2.10. Op 19 december 2002 heeft [gedaagden] zelf bij de gemeente de aanvraag voor de bouwvergunning ingediend.

2.11. In januari 2003 heeft architect [betrokkene] aan [gedaagden] laten weten dat hij niet meer door Eijssen werd betaald. [gedaagden] heeft de facturen naar zijn eigen adres laten sturen en heeft deze betaald.

2.12. [gedaagden] hebben zelf alle voorbereidingswerkzaamheden verricht. In januari 2003 hebben zij samen met een binnenhuisarchitect onder meer dakpannen en deuren uitgezocht.

2.13. [gedaagden] heeft alle rekeningen van de architect en van [betrokkene 2] betaald, in totaal een bedrag van € 11.248,87.

2.14. Op 29 januari 2003 heeft Eijssen [gedaagden] een offerte gestuurd voor meerwerk.

2.15. Bij brief van 26 maart 2003 heeft de gemeente Lingewaal meegedeeld dat de aanvraag voor de bouwvergunning waarschijnlijk zou worden afgewezen. [gedaagden] heeft door architect [betrokkene] een nieuwe tekening laten maken en door [betrokkene 2] een nieuwe constructietekening. Hiermee is vervolgens een nieuwe aanvraag voor een bouwvergunning ingediend bij de gemeente Lingewaal.

2.16. Op 22 september 2003 heeft de gemeente Lingewaal meegedeeld dat het ingediende plan nog steeds niet aan de eisen voldoet. [gedaagden] hebben vervolgens een gewijzigd bouwplan ingediend.

2.17. Op 24 november 2003 heeft Eijssen [gedaagden] een nieuwe offerte gestuurd. De prijzen in deze offerte waren hoger dan die in de eerdere offerte en de offerte bevatte ook andere voorwaarden. [gedaagden] is niet met de offerte akkoord gegaan en heeft de grond te koop gezet.

2.18. Op 3 december 2003 en op 26 januari 2004 heeft Eijssen [gedaagden] wederom een offerte voor meer- en minderwerk gestuurd.

2.19. De grond van [gedaagden] was na een half jaar nog niet verkocht. Nadat Derksen in mei 2004 had vernomen dat een bouwvergunning was verleend, heeft hij in september 2004 een andere aannemer opdracht gegeven voor de bouw van een woning.

2.20. Bij aangetekende brieven van respectievelijk 2 november 2004 en 17 december 2004 heeft Eijssen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in gebreke gesteld.

2.21. Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft Eijssen op 11 januari 2005 ten laste van [gedaagden] conservatoir beslag laten leggen op het perceel van [gedaagden] te [adres].

3. Het geschil

in conventie

3.1. Eijssen vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- primair en subsidiair: de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst van 5 november 2002 ontbindt althans ontbonden verklaart wegens toerekenbare tekortkoming van [gedaagden] in de nakoming van deze overeenkomst;

- primair: [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan haar van € 88.477,60 ten titel van schadevergoeding, vermeerderd met de contractuele rente van 7% per jaar c.q. de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van betaling;

- subsidiair: [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan haar van € 82.282,67 ten titel van schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van betaling;

- primair en subsidiair: [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit geding, de beslagkosten daaronder begrepen.

3.2. Eijssen legt aan haar vordering, kort samengevat, ten grondslag dat [gedaagden] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van 5 november 2002, nu hij de voorschotfactuur niet heeft voldaan.

3.3. [gedaagden] voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. [gedaagden] vorderde in reconventie Eijssen te veroordelen tot betaling van € 3.509,99, te vermeerderen met rente en kosten. De vordering had betrekking op het bedrag dat [gedaagden] in het kader van de voorstudie aan Eijssen heeft betaald.

3.5. Eijssen heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.6. [gedaagden] heeft ter comparitie kenbaar gemaakt zijn eis in reconventie niet langer te handhaven.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1. Vooropgesteld wordt dat sprake is van een overeenkomst van aanneming van werk tussen een Belgische partij en een Nederlandse partij. De vraag rijst daarom welk recht op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing is. Aangezien partijen de Nederlandse rechter hebben aangezocht om hun geschil te beslechten, moet de vraag naar het op de rechtsverhouding tussen partijen toepasselijke recht worden beantwoord naar het Nederlands internationaal privaatrecht.

4.2. De rechtbank is van oordeel dat de vraag welk recht de vordering beheerst dient te worden beantwoord aan de hand van het EEG-Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: het EVO-Verdrag), nu sprake is van een overeenkomst met een internationaal karakter, die bovendien niet valt onder de uitzonderingen genoemd in artikel 1 lid 2 tot en met 4 van dat verdrag.

4.3. Beide partijen verwijzen in hun stellingen naar bepalingen uit het Nederlands Burgerlijk Wetboek, zodat zij er kennelijk beide van uit gaan dat op hun rechtsverhouding Nederlands recht van toepassing is. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat partijen een (impliciete) rechtskeuze hebben gedaan voor Nederlands recht, als bedoeld in artikel 3 van het EVO-Verdrag. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat volgens de algemene voorwaarden van Eijssen, wat er ook zij van de toepasselijkheid daarvan, eveneens Nederlands recht op de overeenkomst van toepassing is verklaard.

in conventie

4.4. De rechtbank stelt vast dat de beslaglegging is geschied met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke voorschriften.

4.5. Voor zover de vordering van Eijssen is gericht tegen [gedaagde 2], moet deze worden afgewezen. [gedaagden] heeft immers onweersproken aangevoerd dat [gedaagde 2] de overeenkomst niet heeft ondertekend. Daarnaast heeft Eijssen niet betwist dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onder huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd en dat deze huwelijkse voorwaarden iedere vermogensrechtelijke gemeenschap uitsluiten. Dit brengt met zich dat [gedaagde 2] geen partij is geworden bij de overeenkomst. De omstandigheid dat naderhand de facturen zijn gericht aan de familie [gedaagde 1], en dat [gedaagden] zichzelf in zijn processtukken aanduidt als “gedaagden” (meervoud), doet hieraan niet af.

4.6. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagden] houdt in, dat de overeenkomst is gesloten onder de ontbindende voorwaarde van verkrijging van een bouwvergunning. [gedaagden] verwijst daartoe naar de zinsnede in de overeenkomst die hiervoor onder 2.6 is weergegeven. Nu de bouwvergunning niet is verleend, is de ontbindende voorwaarde vervuld en is de overeenkomst komen te vervallen, aldus[gedaagde 1]gden]. [gedaagden] verwijst in dit verband tevens naar de zinsnede in de offerte die hiervoor onder 2.3 is weergegeven. Volgens [gedaagde 1] brengt de mededeling dat een voorbehoud is gemaakt met zich mee dat sprake is van een ontbindende voorwaarde en heeft het voorbehoud betrekking op de bouwvergunning.

4.7. De rechtbank verwerpt dit verweer. Van een ontbindende voorwaarde is immers pas sprake als daaruit ondubbelzinnig blijkt dat is overeengekomen dat de overeenkomst komt te vervallen indien de voorwaarde in vervulling gaat. Uit de zinsnede in de overeenkomst van 5 november 2002, dat het werk aanvangt (in overleg of) “binnen dertig dagen na bekomen bouwvergunning”, blijkt niet ondubbelzinnig dat partijen zijn overeengekomen dat de overeenkomst komt te vervallen indien geen bouwvergunning wordt verleend. Zoals Eijssen stelt, is veeleer sprake van een tijdsbepaling van aanvang van het werk: ofwel “in overleg”, ofwel “binnen dertig dagen na bekomen bouwvergunning”. Ook de zinsnede in de offerte van 30 augustus 2002, dat de offerte “onder voorbehoud van de inplanting en stedebouwkundige voorschriften” is opgesteld, kan niet worden aangemerkt als ontbindende voorwaarde in die zin, dat de overeenkomst zal zijn ontbonden als geen bouwvergunning wordt verleend. Ook dit voorbehoud ziet immers niet ondubbelzinnig op de verlening van de bouwvergunning. Gezien het voorgaande is de overeenkomst niet ontbonden op grond van de omstandigheid dat geen bouwvergunning is verleend voor de oorspronkelijk ontworpen woning.

4.8. Vervolgens is de vraag aan de orde of de overeenkomst anderszins is ontbonden. Eijssen stelt zich op het standpunt dat nakoming van de overeenkomst door een toerekenbare tekortkoming van [gedaagden] blijvend onmogelijk is geworden. Eijssen heeft de overeenkomst om die reden ontbonden bij brieven van 10 juni 2005 (productie 14 en 15 bij de conclusie van antwoord in reconventie). [gedaagden] heeft zich tegen deze ontbinding niet verzet, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de overeenkomst is ontbonden. De vordering van Eijssen om de overeenkomst ontbonden te verklaren komt daarom voor toewijzing in aanmerking.

4.9. Uitgaande van de ontbinding van de overeenkomst stelt Eijssen zich op het standpunt dat [gedaagde 1] c.s op grond van artikel 15 lid 5 van de algemene voorwaarden een gefixeerde schadevergoeding van 20% over de niet-verschenen betalingstermijnen moet betalen. [gedaagden] voert hiertegen aan dat de algemene voorwaarden vernietigbaar zijn op grond van artikel 6:233 sub b juncto artikel 6:234 lid 1 sub a BW, nu hem niet een redelijke mogelijkheid is geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen en de algemene voorwaarden hem niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand zijn gesteld. [gedaagden] weerspreekt de stelling van Eijssen dat de algemene voorwaarden stonden afgedrukt op de achterzijde van de overeenkomst en dat hij iedere pagina van de algemene voorwaarden voor akkoord heeft geparafeerd.

4.10. Nog daargelaten of de algemene voorwaarden op de overeenkomst tussen partijen van toepassing zijn, is de rechtbank van oordeel dat Eijssen geen aanspraak kan maken op de op grond van die algemene voorwaarden gevorderde schadevergoeding. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat Eijssen ten aanzien van de vergunningaanvraag geen werkzaamheden heeft verricht, terwijl dit wel was overeengekomen. Zo heeft [gedaagden], nadat eind november 2002 nog geen constructietekening was gemaakt, zelf aan [betrokkene 2] de opdracht verstrekt tot het maken van de tekening. Ook heeft [gedaagden] zelf de aanvraag voor de bouwvergunning ingediend, voorbereidingswerkzaamheden verricht en architect [betrokkene] ingeschakeld en betaald. Eijssen heeft dit niet weersproken. Gelet op het uitblijven van werkzaamheden door Eijssen was opschorting door [gedaagden] van zijn betalingsverplichting gerechtvaardigd (artikel 6:52 BW). Van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van de opdrachtgever ([gedaagden]) zoals bedoeld in artikel 15 lid 5 van de algemene voorwaarden is dan ook geen sprake. De vordering van Eijssen tot schadevergoeding op grond van de algemene voorwaarden moet daarom worden afgewezen.

4.11. Subsidiair vordert Eijssen volledige schadevergoeding ten bedrage van € 82.228,67. Deze schade zou bestaan uit het aanleggen van 12 dossiers, telefoon-/fax-/administratiekosten, kosten materiaalkeuze binnenhuisarchitecte Jolanda Hoed, kosten constructeur Bouwtechnisch Adviesburo Ad Wouters, commissie makelaar M. Bergmans en 15% winstderving. Deze vordering strandt op dezelfde gronden als weergegeven onder 4.10. Daarbij komt nog dat Eijssen naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de genoemde schadeposten, die overigens door [gedaagden] gemotiveerd worden betwist, onvoldoende heeft gesteld. De vordering tot schadevergoeding moet ook om die reden worden afgewezen.

4.12. Eijssen zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- vast recht € 1.100,--

- salaris procureur 2.235,-- (2,5 punten × tarief € 894,--)

Totaal € 3.335,--

in reconventie

4.13. [gedaagden] heeft ter comparitie verklaard zijn vordering in reconventie in te trekken. Deze vordering behoeft dan ook geen bespreking. Omdat Eijssen wel kosten heeft gemaakt in reconventie, bestaat aanleiding [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten in reconventie. Deze kosten worden aan de zijde van Eijssen begroot op € 447,-- (1 punt × factor 0,5 × tarief € 894,--).

in conventie en in reconventie

4.14. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst van 5 november 2002 ontbonden,

5.2. wijst de vorderingen voor het overige af,

5.3. veroordeelt Eijssen in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 3.335,--,

in reconventie

5.4. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van Eijssen tot op heden begroot op € 447,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Jacobs en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2006.

Coll: JC