Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AY8448

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-09-2006
Datum publicatie
19-09-2006
Zaaknummer
AWB 06/951
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet bouwvergunningsvrije dakkapel. Geen gerechtvaardigd vertrouwen dat de dakkapel bouwvergunningsvrij zou zijn. Toetsing en motivering welstandsadvies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 06/951

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 2 januari 2006.

2. Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2005 is namens verweerder afwijzend beslist op eisers aanvraag om bouwvergunning voor het plaatsen van een dakkapel op zijn woning aan [adres] in [woonplaats].

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Namens eiser is een nader stuk ingezonden. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 18 augustus 2006. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. K. Post, werkzaam bij Juresta te Apeldoorn. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. E.A. Hendriks-Slijkhuis, ambtenaar der gemeente.

3. Overwegingen

Het bestreden besluit betreft de (handhaving van de) weigering bouwvergunning te verlenen voor een (reeds geplaatste) dakkapel op het achterdakvlak van de woning van eiser.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het plaatsen van de dakkapel niet als bouwvergunningsvrij bouwen aangemerkt kan worden en dat van de zijde van verweerder bij eiser niet het vertrouwen is gewekt dat dat wel het geval is. Nu de welstandscommissie een negatief welstandsadvies over het bouwplan heeft uitgebracht, heeft verweerder negatief beslist op eisers aanvraag om bouwvergunning. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat geen sprake is van vergelijkbare gevallen waarin wel bouwvergunning is verleend.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen. Hij beroept zich in hoofdzaak op het door ambtenaren gewekte vertrouwen, dat voor het plaatsen van de dakkapel geen bouwvergunning vereist zou zijn. Verder beroept eiser zich op het gelijkheidsbeginsel, bestrijdt hij het inconsequente welstandsbeleid en is hij van mening dat zijn belang bij verlening van de bouwvergunning groter is dan dat van verweerder bij weigering daarvan. Tenslotte is eiser van mening dat verweerder hem ten onrechte geen nokverhoging toestaat om een alternatief bouwplan mogelijk te maken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Niet langer in geschil is tussen partijen dat het oprichten van de dakkapel niet aangemerkt kan worden als bouwvergunningsvrij bouwen, zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (verder: Bblb), nu niet aan alle in dat artikellid genoemde voorwaarden wordt voldaan. Derhalve is het bouwplan, ingevolge artikel 4, tweede lid, van het Bblb, licht bouwvergunningplichtig.

Door eiser is evenwel betoogd dat hij door een ambtenaar van de publieksbalie, [naam ambtenaar], onjuist zou zijn voorgelicht op grond waarvan bij hem het vertrouwen is gewekt dat het oprichten van de dakkapel bouwvergunningsvrij was. Eiser heeft hiertoe verwezen naar een drietal e-mails van 6 en 7 januari en 7 september 2005, waarin - in onderling verband beschouwd - zulks naar zijn oordeel zou blijken.

Dit betoog faalt. Daargelaten of een dergelijk vertrouwen is gewekt, hetgeen van de zijde van verweerder overigens is ontkend, kan een beroep op het vertrouwensbeginsel in geen geval afdoen aan de vergunningplicht die ingevolge de Woningwet geldt. Een dergelijk beroep kan evenmin leiden tot verlening van de bouwvergunning met voorbijgaan aan de in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet opgenomen criteria. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 september 1996 (rechtspraak.nl, LJN: AH6294). De rechtbank heeft in de stukken en het verhandelde ter zitting geen uitzonderlijke omstandigheden aangetroffen op grond waarvan in dit geval van dit oordeel zou moeten afgeweken. Met name kunnen in de door eiser bedoelde e-mails geen zodanig ondubbelzinnige en ongeclausuleerde mededelingen worden aangetroffen dat de dakkapel bouwvergunningsvrij zou zijn, dat strikte naleving van de ter zake geldende wettelijke voorschriften in casu geen rechtsplicht meer zou zijn.

Ingevolge artikel 44, derde lid juncto het eerste lid, onder d, van de Woningwet, dient de lichte bouwvergunning te worden geweigerd, indien, voor zover hier van belang, het uiterlijk dan wel de plaatsing van het bouwwerk in strijd is met de redelijke eisen van welstand.

De rechtbank stelt vast dat (de rayonarchitect van) de welstandscommissie op 27 september 2005 een negatief advies voor het bouwplan heeft afgegeven, waarin is volstaan met de constatering dat het bouwplan niet voldoet aan de sneltoetscriteria van de welstandsnota, waaronder de afstand tot de nok. Door eiser is in bezwaar onder meer aangevoerd dat in diverse andere gevallen dakkapellen zijn gerealiseerd die evenmin aan de vereiste plaatsing op minimaal 0,5 meter onder de nok voldoen. Ter zitting is gebleken dat naar aanleiding van dit bezwaar het bouwplan niet opnieuw aan de welstandscommissie is voorgelegd, teneinde een gemotiveerd advies te verkrijgen op basis van alle relevante criteria van de welstandsnota, waaronder met name ook de gebiedscriteria. Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het welstandsadvies niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen en dat het bestreden besluit, waarbij dit advies is overgenomen, om dezelfde redenen niet in stand kan blijven.

De rechtbank voegt aan het vorenstaande nog toe dat in het kader van een nadere welstandsbeoordeling tevens aandacht dient te worden geschonken aan de ter zitting ter sprake gekomen overgangsregeling, zoals die in de welstandsnota is opgenomen, nu van de zijde van eiser is betoogd dat ook hij hierop een beroep kan doen. Tevens zal meer inzichtelijk moeten worden op grond van welke overwegingen in een aantal andere gevallen voor gelijksoortige dakkapellen wel een positief advies is afgegeven en waarom zulks, bij handhaving van het negatieve advies, in casu niet tot de mogelijkheden behoort. In dit verband komt het de rechtbank voorshands voor dat uitsluitend de omstandigheid dat eisers dakkapel het enige exemplaar vormt in zijn directe woonomgeving, niet toereikend is om een nieuw negatief welstandsadvies te kunnen dragen.

Wat betreft het door eiser voorgestelde alternatief in de vorm van een nokverhoging overweegt de rechtbank tenslotte dat de beoordeling in deze zaak beperkt is tot de afwijzende beslissing die verweerder heeft genomen op eisers aanvraag om bouwvergunning. Het staat eiser uiteraard vrij alsnog een gewijzigd bouwplan in te dienen.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644 ter zake van rechtsbijstand. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gezien artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644, te betalen door de gemeente Rheden;

bepaalt dat de gemeente Rheden het door eiser gestorte griffierecht van € 138 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries als rechter in tegenwoordigheid van mr.drs. C.M. van der Vlies, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2006.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: