Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AY8244

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
15-09-2006
Zaaknummer
144874 / 06-179
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Wraking van de wrakingskamer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Wrakingskamer

Zaak-/rekestnummer: 144874 / 06-179

Datum uitspraak: 13 september 2006

Beschikking

naar aanleiding van het verzoek van

[verzoeker],

wonende te Nijmegen,

verzoeker,

tot wraking ex artikel 8:15 Algemene wet bestuursrecht van

[naam],

in zijn hoedanigheid van kantonrechter te Nijmegen, belast met de behandeling van de zaken onder zaak-/rolnummers: 417496 WM VERZ 05-11057 en 422779 WM VERZ 05-11064, betreffende het verzet van verzoeker als betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van dwangbevelen tot verhaal van administratieve sancties en verhogingen (artikel 26 lid 3 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften).

De procedure

Ter terechtzitting van 11 juli 2006 van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen, alwaar is behandeld het verzet van verzoeker tegen de tenuitvoerlegging van een tweetal dwangbevelen tot verhaal van administratieve sancties en verhogingen, heeft verzoeker een mondeling verzoek om wraking gedaan van de kantonrechter [naam]. Dat verzoek is neergelegd in een proces-verbaal. Daarop heeft de kantonrechter de behandeling van de zaak geschorst. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek bepaald op 7 september 2006. Op die dag is verzoeker ter terechtzitting verschenen. [naam] is niet ter terechtzitting verschenen. Hij heeft wel laten weten niet in de wraking te berusten.

De overwegingen

1. Ter terechtzitting heeft verzoeker mondeling de leden van de wrakingskamer gewraakt. Als reden daarvoor heeft verzoeker aangegeven dat die leden deel uitmaken van de rechtbank Arnhem, waarvan hij zegt het gezag niet te erkennen.

De wrakingskamer overweegt naar aanleiding van dit verzoek het volgende. Het verzoek om wraking van de leden van de wrakingskamer betekent in beginsel dat het onderzoek ter terechtzitting moet worden geschorst en dat een nieuwe meervoudige kamer dit wrakingsverzoek dient te behandelen. De enige wrakingsgrond die verzoeker naar voren heeft gebracht, die ook de basis vormt van verzoekers verzoek tot wraking van [naam], te weten dat hij het gezag van de rechtbank Arnhem niet erkent, zal meebrengen dat hij ook de leden van die nieuwe meervoudige kamer niet zal accepteren nu zij deel uitmaken van de rechtbank Arnhem, en hij hen vervolgens zal wraken, waarna een en ander zich herhaalt totdat er geen leden van de rechtbank meer zijn die in laatste instantie in een meervoudige kamer zitting kunnen nemen. Onder die omstandigheden is de wrakingskamer van oordeel dat het zinledig is het onderzoek te schorsen en een nieuwe meervoudige kamer samen te laten stellen ter beslissing van het verzoek om wraking van de leden van de wrakingskamer, steeds op dezelfde grond. Een dergelijke keten van wrakingsverzoeken is bovendien in strijd met het in het wettelijke stelsel verwoorde uitgangspunt dat op een wrakingsverzoek zo spoedig mogelijk wordt beslist zulks in het belang van een ongestoorde voortgang en afdoening binnen een redelijke termijn van de hoofdzaak. De wrakingskamer zal daarom aan het verzoek om wraking van haar leden voorbijgaan en hierna het op dezelfde grond gestoelde verzoek om wraking van [naam] beoordelen. De wrakingskamer is daartoe ook in staat, nu verzoeker ter terechtzitting zijn verzoek om wraking van [naam] heeft toegelicht en in verband daarmee een schriftelijk stuk heeft overgelegd.

2. Verzoeker heeft ter terechtzitting voorts de bevoegdheid van de wrakingkamer betwist. Daartoe stelt verzoeker, zo begrijpt de wrakingskamer, dat in eerdere procedures door rechterlijke instanties geen aandacht is besteed aan hetgeen verzoeker daar toen aan de orde heeft gesteld. Verzoeker meent dat de wrakingskamer het verzoek daarom niet kan behandelen.

De wrakingskamer overweegt dat een dergelijk betoog niet kan leiden tot haar onbevoegdheid. Uit artikel 8:18 Algemene wet bestuursrecht volgt dat, ingeval van een verzoek om wraking, dit verzoek wordt behandeld door een meervoudige kamer van de rechtbank, waarin de rechter wiens wraking is verzocht geen zitting heeft. De onderhavige wrakingskamer, waarin [naam] geen zitting heeft, is op grond van het hiervoor genoemde artikel dus bevoegd van het wrakingsverzoek kennis te nemen.

3. Uit het proces-verbaal van het wrakingsverzoek volgt dat verzoeker [naam] heeft gewraakt, omdat de rechtbank, het openbaar ministerie, het Centraal Justitieel Incasso Bureau en de deurwaarder zich van alles permitteren. Ter terechtzitting heeft verzoeker zijn

verzoek verduidelijkt en aangegeven dat zijn bezwaar erop neerkomt dat hij het gezag van de rechtbank Arnhem niet erkent. Omdat [naam] lid is van de rechtbank erkent verzoeker ook diens gezag niet.

De wrakingskamer overweegt dat artikel 8:15 Algemene wet bestuursrecht als norm voor wraking noemt feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het bezwaar dat verzoeker tegen [naam] inbrengt, ziet op het feit dat [naam] deel uitmaakt van de rechtbank Arnhem, waarvan verzoeker zegt het gezag niet te erkennen. Deze omstandigheid levert geen grond tot wraking op, nu daaruit niet de partijdigheid van [naam] volgt. Dat [naam] om een andere reden, bijvoorbeeld door uiting of houding, zich jegens verzoeker partijdig heeft gedragen, is niet gesteld of gebleken. Ten slotte levert ook de inhoud van het door verzoeker ter terechtzitting overgelegde schriftelijk stuk, dat handelt over het einde van de ambtelijke loopbaan van verzoeker, geen aanwijzingen op voor de veronderstelling dat [naam] vooringenomen is geweest.

Een en ander betekent dat het verzoek om wraking van [naam] moet worden afgewezen.

De beslissing

De rechtbank, beschikkende,

wijst het verzoek om wraking van [naam] af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. E.G. Smedema, voorzitter, H.P.M. Kester en T.P.E.E. van Groeningen, rechters, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 september 2006.

Bij afwezigheid van de voorzitter tekent de oudste rechter.

de griffier de rechter

[x]