Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AY7461

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-06-2006
Datum publicatie
05-09-2006
Zaaknummer
135427
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De kern van het geschil vormt, kort gezegd, de vraag of het ziekenhuis (althans aldaar werkzame personen) onzorgvuldig heeft gehandeld bij de informatieverstrekking voor en na de sterilisatie van eiser.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 446
Burgerlijk Wetboek Boek 7 454
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2006/128
GJ 2006/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 135427 / HA ZA 05-2350

Vonnis van 12 juli 2006

in de zaak van

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres]

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

tegen

de stichting

STICHTING ZIEKENHUIS GELDERSE VALLEI,

gevestigd te Ede,

gedaagde,

procureur mr. H. van Ravenhorst.

Eisers zullen hierna gezamenlijk worden genoemd [eiser] c.s., afzonderlijk [eiser] respectievelijk [eiseres] en gedaagde zal worden genoemd het ziekenhuis.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 april 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 19 juni 2006.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 [eiser] heeft in oktober 2001 besloten zich te laten steriliseren. Via zijn huisarts, [betrok[betrokkene1] te [woonplaats], is per fax een aanvraag voor een vasectomie (sterilisatie) ingediend bij de afdeling Chirurgie/Heelkunde van het ziekenhuis.

2.2. De vasectomie beiderzijds heeft plaatsgevonden op 16 november 2001 en is verricht door chirurg [betrok[betrokkene2]. Het PA-verslag van de vasectomie van 19 november 2001 vermeldt: “Copie h.a.: ([betrokkene1])”.

2.3. In augustus 2002 heeft [eiser] sperma ingeleverd voor een controle op levende zaadcellen. De rapportage van het laboratorium van 28 augustus 2002 vermeldt:

“Sp. Gezien? Ja

Sp. In sed. ? 50

Levend ? 5”.

2.4. Volgens afspraak heeft [eiseres] op 6 september 2002 telefonisch contact opgenomen met het ziekenhuis om de uitslag van de spermacontrole te vernemen. In verband met de afwezigheid van [betrokkene2] nam zijn collega [naam] diens praktijk waar. De uitslag is door een poliklinisch assistente aan [eiseres] doorgegeven.

De chirurgische poli-status vermeldt:

“6-9-02 Uitslag doorgegeven. Nogmaals.” In de kantlijn van de poli-status staat voorts ‘[naam]’ vermeld.

2.5. De huisarts van [eiser] c.s. is door het ziekenhuis niet op de hoogte gesteld van de uitslag van de spermacontrole.

2.6. In november 2003 bleek [eiseres] zwanger te zijn. Haar huisarts heeft informatie opgevraagd bij [betrokkene2] waaruit volgde dat tijdens de spermacontrole op 27 augustus 2002 levende spermacellen aanwezig zijn geweest. [eiser] heeft vervolgens wederom sperma ingeleverd bij het ziekenhuis, waar na controle bleek dat er levende zaadcellen aanwezig waren.

2.7. Op 7 februari 2004 heeft [eiser] bij de klachtencommissie van het ziekenhuis een klacht ingediend. In het kader van die klachtenprocedure heeft [betrokkene2] op 26 februari 2004 (onder meer) aan de commissie geschreven: “(...) Op 16-11-01 heeft onder locaal anesthesie een vasectomie beiderzijds plaatsgevonden bij de heer [eiser]. Bij controle op 27-08-02 bleek sprake van meer dan vijftig spermatozoön in het sperma, waarvan meer dan vijf levend. Patiënt zegt hierop tijdens telefonisch overleg van de polikliniek-assistent gehoord te hebben dat de uitslag goed was. Daarentegen schrijft collega [naam] in het verslag van het poliklinisch dossier op 06-09-02, dat de uitslag is doorgegeven, en dat het onderzoek nogmaals dient te geschieden. (...)

Deze manier van doorgeven van een uitslag wordt in ons ziekenhuis al vele jaren gebezigd bij honderden patiënten in totaal en heeft tot op heden niet de problemen opgeleverd zoals nu bij de heer [eiser]. Waarom de informatie overdracht naar de heer [eiser] onjuist is verlopen, is mij niet bekend en helaas ook niet te achterhalen. Aangezien deze problemen zich in het verleden nooit hebben voorgedaan wordt ook niet standaard de huisarts ingelicht en wordt ook geen controle op de uitslag uitgevoerd voor herhalingsoproepen. (...)”.

In reactie op diezelfde klacht heeft [naam], unithoofd polikliniek chirurgie, op 1 maart 2004 (onder meer) geschreven:

“(...) Momenteel is de procedure als volgt:

* patiënt levert sperma in en maakt telefonische afspraak bij behandelend chirurg

* patiënt belt naar chirurg, chirurg bekijkt laboratoriumuitslag (deze zit in status patiënt)

* chirurg geeft uitslag aan patiënt door óf

* chirurg geeft poliassistente toestemming om (de door hem geziene) uitslag door te geven

* als de uitslag goed is vindt er geen herhaling van onderzoek plaats

* als de uitslag ‘fout’ is wordt de patiënt gevraagd het onderzoek te herhalen.

Deze procedure was in onze optiek sluitend, er zijn tot nu toe geen redenen geweest om hier kritisch naar te kijken en eventuele wijzigingen aan te brengen.

In het geval van dhr. [eiser] lijkt een andere uitslag doorgegeven dan er in de status vermeld staat. Het is voor mij niet (meer) mogelijk om te achterhalen welke polikliniekassistentes bij het betreffende spreekuur gezeten hebben. Ik kan daarom geen navraag doen wat er in het geval van dhr. [eiser] gebeurd is. De uitslag van het spermaonderzoek wordt rechtstreeks aan de patiënt doorgegeven, mede om deze reden wordt de huisarts niet ingelicht. (...)”.

2.8. [eiser] heeft op 23 maart 2004 een re-vasectomie beiderzijds ondergaan, uitgevoerd door [betrokkene2].

2.9. Op 24 juni 2004 is [eiseres] bevallen van een dochter, het vierde kind in het gezin van [eiser] c.s.

2.10. De klachtencommissie van het ziekenhuis heeft in haar uitspraak van 5 juli 2004 de klacht van [eiser] gegrond bevonden:

“(...) Uit de schriftelijke rapportage en het gesprek met de commissie blijkt dat niet meer is te achterhalen wie de verkeerde uitslag heeft doorgegeven aan mevrouw [eiser] en hoe dit heeft kunnen gebeuren. In het dossier staat vermeld dat de uitslag is doorgegeven met de aantekening “nogmaals”. Ook het woord “nogmaals” levert problemen op omdat niet duidelijk kan worden gemaakt door betrokkenen wat er in de behandeling van de heer [eiser] mee wordt bedoeld. De commissie is van oordeel dat de verslaglegging onvolledig is geweest gezien de onduidelijkheid over de uitslag van de vervolgprocedure alsmede gezien het feit dat niet is aangetekend wie, welke uitslag aan mevrouw [eiser] heeft doorgegeven. Het ontbreken van een schriftelijke bevestiging van de uitslag aan de heer [eiser] is mede oorzaak van het feit dat de heer [eiser] niet opnieuw is opgeroepen voor nader onderzoek van zijn sperma. De commissie is van oordeel dat de gevolgde procedure onzorgvuldig is geweest.

De huisarts heeft de heer [eiser] verwezen naar de chirurg, de heer [betrokkene2]. De heer [betrokkene2] heeft geen voorgesprek met een patiënt over de voorgenomen ingreep. De commissie is van mening dat de hulpverlener, in dit geval een chirurg, een eigen verantwoordelijkheid heeft voor het juist en volledig informeren van zijn patiënten omtrent een ingreep.

De commissie heeft met verbazing kennis genomen van het gegeven dat een huisarts die een patiënt verwijst voor een poliklinisch behandeling na de behandeling van zijn patiënt hier geen bericht van krijgt. Een bericht naar de huisarts wordt volgens de heer [betrokkene2] alleen gestuurd als het een klinische opname betreft. De commissie kan in deze met de heer [eiser] meegaan dat het hem en zijn vrouw vreemd voor kwam dat de huisarts niet op de hoogte was van de sterilisatie toen zij voor de zwangerschap van mevrouw [eiser] op het spreekuur kwamen. (...) De commissie acht op grond van bovenstaande overwegingen de klacht gegrond. (...)”

2.11. In juli 2004 heeft [eiser] opnieuw sperma ingeleverd voor controle, waarna hem bij brief van 12 augustus 2004 is medegedeeld dat er geen levende spermacellen meer zijn aangetroffen en [eiser] de sterilisatie als geslaagd kan beschouwen. Van die brief is een kopie verzonden aan de huisarts van [eiser] c.s..

2.12. Bij brief van 18 november 2004 heeft de advocaat van [eiser] c.s. het ziekenhuis aansprakelijk gesteld voor de schade die zij stellen te lijden als gevolg van de door het ziekenhuis gemaakte fouten. Bij brief van 4 maart 2005 heeft de verzekeraar van het ziekenhuis, Medirisk, aansprakelijkheid afgewezen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] c.s. vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht zal verklaren dat het ziekenhuis aansprakelijk is voor het verwijtbaar onzorgvuldig medisch handelen in het ziekenhuis althans voor de in het ziekenhuis door (een van) zijn medewerkers begane onrechtmatige daad in de periode vanaf oktober 2001 en dat het ziekenhuis derhalve gehouden is de als gevolg van deze medische kunstfout althans onrechtmatige daad geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade aan [eiser] c.s. te vergoeden;

- het ziekenhuis zal veroordelen om aan [eiser] c.s. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 25.000,--, zulks ter vergoeding van c.q. als voorschot op de voornoemde schade;

- het ziekenhuis zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. Aan hun vorderingen leggen [eiser] c.s. kort gezegd de navolgende verwijten ten grondslag:

a. er is geen sprake van informed consent;

b. er is onjuiste informatie aan [eiser] c.s. verstrekt over de uitslag van de sterilisatie;

c. door de gebrekkige verslaglegging valt niet na te gaan wie op 6 september 2002 met [eis[eiseres] heeft gesproken en welke uitslag - “nogmaals” kan op van alles duiden - aan haar is doorgegeven;

d. de wijze van informatieoverdracht – niet rechtstreeks door de chirurg maar via zijn poliklinisch assistente – verhoogt het risico op fouten bij de informatieoverdracht;

e. het ziekenhuis handelt onzorgvuldig doordat de uitslag niet schriftelijk wordt bevestigd, doordat er geen uitnodiging voor een tweede c.q. hercontrole aan de patiënt wordt gestuurd en op de naleving daarvan geen toezicht wordt uitgeoefend en doordat niet standaard twee spermacontroles worden uitgevoerd;

f. de huisarts is na de ingreep niet geïnformeerd over het resultaat;

g. het ziekenhuis heeft tijdens de “tweede” sterilisatie ondanks het verzoek daartoe van [eiser] nagelaten te onderzoeken wat er mis is gegaan tijdens de eerste sterilisatie.

Volgens [eiser] c.s. is het ziekenhuis daardoor primair tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenissen uit hoofde van de behandelovereenkomst met [eiser] c.s., althans [eiser]. Subsidiair menen zij dat het ziekenhuis aldus onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld.

De schade die zij dientengevolge stellen te hebben geleden bestaat onder meer uit kosten opvoeding van het kind, derving van inkomen en immateriële schade.

3.3. Het ziekenhuis bestrijdt dat het onzorgvuldig heeft gehandeld en heeft bovendien als verweer gevoerd dat niet vaststaat dat [eiser] de vader is van het op 24 juni 2004 geboren kind. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De kern van het geschil vormt, kort gezegd, de vraag of het ziekenhuis (althans aldaar werkzame personen) onzorgvuldig heeft gehandeld bij de informatieverstrekking vóór en na de sterilisatie van [eiser].

Foutieve mededeling uitslag

4.2. Het meest verstrekkende verwijt dat [eiser] c.s. het ziekenhuis maken is dat een poliklinisch assistente van het ziekenhuis aan [eis[eiseres] tijdens het telefoongesprek op 6 september 2002 onjuiste informatie heeft verstrekt over de uitslag van de spermacontrole (b). De rechtbank zal dit verwijt allereerst beoordelen. Daarbij zal de rechtbank betrekken de verwijten van [eiser] c.s. dat door de gebrekkige verslaglegging niet valt na te gaan welke uitslag aan [eis[eiseres] is doorgegeven (c) en dat de wijze van informatieoverdracht via de poliklinisch assistente het risico op fouten verhoogt (d). Laatstgenoemde verwijten hebben betrekking op het verwijt dat onjuiste informatie is verstrekt over de uitslag van de spermacontrole en spelen bij de beoordeling daarvan mogelijk een rol, maar deze verwijten kunnen niet als een mogelijke zelfstandige oorzaak van de zwangerschap en de dientengevolge gestelde schade worden aangemerkt.

4.3. [eiser] c.s. hebben gesteld dat aan [eiseres] in het telefoongesprek op 6 september 2002 is medegedeeld dat er geen levende zaadcellen waren aangetroffen en dat dit betekende dat het goed was. Ter comparitie heeft [eiseres] hierover verklaard:

“Toen ik belde kreeg ik een assistent aan de lijn en mij werd verteld dat dokter [naam] dokter [betrokkene2] waarnam en diens spreekuur was uitgelopen. Ik kreeg te horen dat er geen levende zaadcellen waren aangetroffen. Ik heb nog gevraagd of dit betekende dat het goed was, hetgeen werd bevestigd. Wat er precies in het gesprek is gezegd, weet ik niet meer.”

Het ziekenhuis heeft dit bestreden en heeft aangevoerd dat de vermelding in het dossier van het woord “nogmaals” betekent dat tijdens dit telefoongesprek aan [eiseres] op grond van de uitslag van de spermacontrole, die zich ook in het dossier bevond, is medegedeeld dat het sperma nogmaals gecontroleerd moest worden.

Nu het ziekenhuis gemotiveerd heeft betwist dat onjuiste informatie is verstrekt over de controle ligt het volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv in beginsel op de weg van [eiser] c.s. bewijs te leveren, nu zij zich op de rechtsgevolgen daarvan in de vorm van een toerekenbare tekortkoming of een onrechtmatige daad beroepen.

4.4. De vraag die - met name gezien de verwijten c en d - in dat verband nog voorligt is of er redenen zijn om op enigerlei wijze van die hoofdregel af te wijken. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend op grond van het navolgende.

4.5. Aangenomen moet worden dat onder omstandigheden (ook) van een ziekenhuis dat aangesproken wordt terzake van verwijtbaar onzorgvuldig handelen, mag worden verlangd dat het voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de patiënt teneinde deze aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen (vgl. HR 7 september 2001, NJ 2001, 615). In deze zaak hebben de hiervoor onder 4.2 bedoelde verwijten die [eiser] c.s. het ziekenhuis maken en de betwisting daarvan door het ziekenhuis, betrekking op feiten die in het domein van het ziekenhuis liggen en waarmee [eiser] c.s. niet bekend kunnen raken anders dan door openbaring van die feiten door het ziekenhuis. Voor [eiser] c.s. is het voor de bewijsvoering van hun stelling dat aan [eiseres] foutieve informatie is verstrekt, van belang dat zij zoveel mogelijk bekend raken met hetgeen er op 6 september 2002 rondom het gevoerde telefoongesprek en de tijdens dat gesprek verstrekte informatie is gebeurd. Onder die omstandigheden mag van het ziekenhuis in deze zaak worden verlangd dat het aan [eiser] c.s. de (voor hun bewijsvoering) relevante informatie verschaft waarover het ziekenhuis in redelijkheid kan beschikken.

4.6. Het ziekenhuis heeft hieraan echter, voor zover dat binnen zijn vermogen lag, voldaan door afschriften te verstrekken van de (medische) informatie die met betrekking tot [eiser] voorhanden is. Voorts heeft het ziekenhuis – conclusie van antwoord onder 9 – inzicht gegeven in de gang van zaken op 6 september 2002. Daarnaast heeft het ziekenhuis uiteengezet - conclusie van antwoord onder 11 - dat er tijdens het telefonisch spreekuur aan nog één andere patiënt de uitslag van een sterilisatie werd doorgegeven, dat bij die betreffende patiënt de sterilisatie was geslaagd en dat dit ook zo aan die patiënt is medegedeeld, zodat van verwisseling van uitslagen geen sprake lijkt te zijn. Hieraan doet niet af dat het ziekenhuis niet heeft kunnen nagaan wie op 6 september 2002 met [eiseres] heeft gesproken, dat de naam van die persoon niet in het dossier is vermeld en dat het dossier van [eiser] wat betreft de aan zijn vrouw medegedeelde uitslag niet meer vermeldt dan “telefonisch medegedeeld: nogmaals”. Deze feiten en omstandigheden rechtvaardigen niet de conclusie dat het ziekenhuis aldus tekortschiet in de op hem rustende verzwaarde stelplicht. Niet kan worden gezegd dat de stelling van [eiser] c.s. in dit verband als ongemotiveerd bestreden moet worden beschouwd. In het verlengde hiervan wordt geoordeeld dat van een tekortschieten van het ziekenhuis in de verplichting met betrekking tot het inrichten van het dossier (artikel 7:454 BW), zoals [eiser] c.s. in dit verband betogen, geen sprake is nu die plicht betrekking heeft op het houden van aantekening in het dossier van de gegevens omtrent de gezondheid van de patiënt en te diens aanzien uitgevoerde verrichtingen. Die plicht voert niet zo ver dat in het dossier moet worden vermeld welke poliklinisch assistente namens de in het dossier vermelde behandelaar met de patiënt heeft gesproken. Die plicht voert evenmin zo ver dat in het dossier melding moet worden gemaakt van de precieze inhoud van een met de patiënt gevoerd telefoongesprek over in het dossier aanwezige uitslagen van onderzoeken.

4.7. Naar het oordeel van de rechtbank kan vooralsnog niet worden gezegd dat de verslaglegging (c) onvoldoende was. De aantekening in het dossier - “Uitslag doorgegeven. Nogmaals”-, heeft betrekking op de aan de patiënt door te geven (en gegeven) uitslag van het spermaonderzoek. In die context bezien kan die aantekening redelijkerwijs niets anders betekenen dan dat het onderzoek nogmaals moest plaatsvinden. Onaannemelijk is dat die aantekening zou betekenen dat de uitslag nogmaals moet worden doorgegeven. In het dossier staat de naam genoemd van de arts die de uitslag van het spermaonderzoek heeft beoordeeld, die de poliklinisch assistente daarover heeft geïnstrueerd en die daarvoor verantwoordelijk is. Gelet daarop en op hetgeen de rechtbank daarover hiervoor (rov. 4.6) heeft overwogen, kan het ontbreken van de naam van die poliklinisch assistente in het dossier, niet als onzorgvuldig worden aangemerkt. Ook de wijze van informatieverstrekking (d) – telefonisch via de poliklinisch assistente en niet rechtstreeks door de chirurg – kan vooralsnog niet worden beschouwd als een zodanig risicovolle handelwijze dat deze tot een andere bewijslastverdeling moet leiden. Dit geldt te meer nu uit de door het ziekenhuis omschreven handelwijze volgt dat tussen de instructie van de arts aan de poliklinisch assistente en het doorgeven van de uitslag door de poliklinisch assistente aan de patiënt, maar weinig tijd zit. De verwijten c en d leiden dan ook niet tot een andere bewijslastverdeling.

4.8. De rechtbank is niet gebleken van andere feiten en omstandigheden op grond waarvan dat de billijkheid tot een andere bewijslastverdeling zou moeten leiden. Evenmin bestaat aanleiding voor het aannemen van een vermoeden dat, zoals [eiser] c.s. betogen, tijdens het telefoongesprek op 6 september 2002 onjuiste informatie is verstrekt. Gelet op het voorgaande zullen [eiser] c.s. worden toegelaten tot het bewijs van hun stelling dat aan [eiseres] tijdens het telefoongesprek op 6 september 2002 is medegedeeld dat, kort gezegd, de sterilisatie was geslaagd en er na controle geen levende spermacellen meer zijn aangetroffen.

Informed consent

4.9. [eiser] c.s. verwijten het ziekenhuis voorts (a) dat [eiser] door de behandelend chirurg onvoldoende is voorgelicht over de voorgenomen sterilisatie, dat de beslissing over de afdeling die de verrichting zal uitvoeren – urologie of chirurgie – aan de huisarts is overgelaten en dat de voornoemde afdelingen - anders dan de aanbevelingen van de Nederlandse Vereniging van Heelkunde - geen gezamenlijke, althans inhoudelijk gelijkluidende folder hanteren en dat de werkwijze op die afdelingen verschilt.

4.10. De rechtbank laat in het midden of dit verwijt van [eiser] c.s. terecht is nu zij niet hebben gesteld wat het gevolg is van deze vermeende onzorgvuldigheid. In het bijzonder hebben zij niet gesteld dat zij, die vermeende onzorgvuldigheid weggedacht, andere keuzes zouden hebben gemaakt, dat zij van de sterilisatie zouden hebben afgezien en dat zij in een andere positie zouden hebben verkeerd dan waarin zij thans verkeren. Bij gebreke van een voldoende gesteld causaal verband tussen deze vermeende onzorgvuldigheid en de zwangerschap van [eiseres], kan de vordering op deze grondslag niet toewijsbaar zijn.

Onderzoek eerste sterilisatie

4.11. [eiser] c.s. verwijten het ziekenhuis verder dat tijdens de tweede sterilisatie niet is onderzocht wat de oorzaak is van het feit dat de eerste sterilisatie niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Nu [eiser] c.s. kennelijk niet betogen dat het mislukken van de eerste sterilisatie als een medische fout moet worden aangemerkt en zij wat betreft het uitblijven van dit onderzoek zelf – terecht – opmerken dat er geen causaal verband bestaat tussen het nalaten van dit onderzoek en de ongewenste zwangerschap van [eiseres], valt de relevantie van deze stelling voor de ingestelde vorderingen niet in te zien. De rechtbank gaat daaraan dan ook voorbij.

4.12. Iedere verdere beslissing, waaronder die over de verwijten e, f en g, alsmede over de betwisting van het ziekenhuis dat [eiser] de vader is van het kind, wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. laat [eiser] c.s. toe te bewijzen dat aan [eiseres] tijdens het telefoongesprek op 6 september 2002 is medegedeeld dat, kort gezegd, de sterilisatie was geslaagd en er na controle geen levende spermacellen meer zijn aangetroffen,

5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 26 juli 2006 voor uitlating door [eiser] c.s. of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3. bepaalt dat [eiser] c.s., indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

5.4. bepaalt dat [eiser] c.s., indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de maandagen in de maanden september tot en met november 2006 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van

mr. C.M.E. Lagarde in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

5.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp, mr. C.M.E. Lagarde en mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2006.