Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AY5682

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-07-2006
Datum publicatie
04-08-2006
Zaaknummer
AWB 06/43
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GSM-mast, vrijstelling, gezondheidsrisico’s, Zwitsers onderzoek, voorzorgsprincipe, omzetting naar UMTS-installatie, alternatieve locatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 06/43

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eisers],

wonende te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder,

alsmede

Orange Nederland N.V., partij ex artikel 8:26 van de Awb,

gevestigd te Den Haag (verder: Orange).

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 28 oktober 2005.

2. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2005 is aan Orange met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), een lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een gsm-antenne-installatie op een flatgebouw op het perceel Dijkstraat 39-79, kadastraal bekend gemeente Arnhem, onder sectie Q, nr. 7346.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Voorts heeft Orange zich als partij in het geding gesteld. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Bij het verweerschrift hebben eisers de voorlopige voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 17 januari 2006 (registratienummer AWB 05/5120) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank dit verzoek afgewezen.

Het beroep tegen het bestreden besluit is behandeld ter zitting van de rechtbank van 14 juni 2006. Eisers zijn aldaar verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [X]. De partij ex artikel 8:26 van de Awb is verschenen, vertegenwoordigd door [Y] en [Z].

3. Overwegingen

Op de in het geding zijnde gronden rust ingevolge het geldende bestemmingsplan “Spijkerkwartier-Spoorhoek” de bestemming “Woondoeleinden”. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan zoals ingediend door Orange in strijd is met artikel 3, tweede lid sub a, van de bij het voornoemde bestemmingsplan behorende voorschriften, nu de op de plankaart aangegeven maximumbouwhoogte van 15 meter met 6,20 meter wordt overschreden.

Voor deze overschrijding heeft verweerder met toepassing van artikel 19, derde lid van de WRO juncto artikel 20, derde lid, aanhef en onder f van het Besluit op de ruimtelijke ordening vrijstelling verleend. Ingevolge laatstgenoemd artikel komt voor toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid van artikel 19, derde lid van de WRO in aanmerking een antenne-installatie als bedoeld in het Besluit bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (BBLB), in de bebouwde kom, mits – voor zover hier van belang – de hoogte van de antennedrager en de antenne tezamen niet meer is dan 40 meter.

De grieven van eisers richten zich niet tegen de vrijstelling van overschrijding van de maximumbouwhoogte, maar hebben betrekking op de mogelijke gezondheidsrisico’s voor de omwonenden als gevolg van de antenne-installatie.

Vooropgesteld moet worden dat artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, van het BBLB het mogelijk maakt om vergunningvrij een gsm-antenne met een hoogte van 5 meter te plaatsen op een gebouw. Dit houdt in dat de door verzoekers gevreesde gezondheids- en andere risico’s geen rol spelen bij de plaatsing van een antenne met laatstbedoelde afmetingen. Het verlenen van vrijstelling voor overschrijding van deze hoogte is stedenbouwkundig van aard. Niet aannemelijk is dat de belangen van verzoekers door de overschrijding van de bouwhoogte meer zouden worden geschaad dan door een vergunningvrije antenne. Aan de door eisers gestelde belangen kan in de gegeven omstandigheden dan ook geen groot gewicht worden toegekend.

Gelijk de voorzieningenrechter in de uitspraken van 9 augustus 2005 en 17 januari 2006 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit aan de hand van toereikende documentatie heeft gemotiveerd dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat de ingebruikname van de installatie schadelijk is voor de omwonenden of voor de apparatuur in het flatgebouw. Van de zijde van eisers zijn in beroep geen nieuwe concrete gegevens overgelegd waaruit het tegendeel zou moeten worden aangenomen.

Eisers hebben in hun beroepschrift gewezen op het destijds nog lopende onderzoek naar het effect van UMTS-velden op de gezondheid van mensen, uitgevoerd door de Zwitserse Stichting voor onderzoek naar mobiele communicatie. Op 6 juni 2006 zijn de resultaten van dit onderzoek bekendgemaakt. Hieruit blijkt onder meer dat geen verband is gevonden tussen blootstelling aan UMTS-velden en het welbevinden van mensen. De uitkomsten van het onderzoek bevestigen derhalve het standpunt van verweerder. Ter zitting hebben eisers weliswaar twijfels geuit over de betrouwbaarheid van het Zwitserse onderzoek, maar deze twijfels hebben eisers niet (met stukken) onderbouwd.

Gezien het voorgaande is de rechtbank evenmin gebleken van redenen voor verweerder om met betrekking tot GSM-installaties het voorzorgsprincipe te hanteren. Nu niet is gebleken dat gezondheidsrisico’s zijn verbonden aan het plaatsen van de antenne-installatie kan in dit verband geen waarde worden gehecht aan het feit dat in het flatgebouw in kwestie personen met een kwetsbare gezondheid wonen. Ook is de mogelijke toekomstige omzetting van de GSM-antenne-installatie naar een UMTS-installatie geen aanleiding om toepassing te geven aan het voorzorgprincipe aangezien het Zwitserse onderzoek juist ziet op de effecten van UMTS-installaties. In dat verband geldt voorts dat verweerder zich heeft te houden aan de aanvraag zoals ingediend door Orange. Nu die aanvraag slechts ziet op een GSM-installatie bestond voor verweerder reeds om die reden geen ruimte om rekening te houden met een mogelijke toekomstige omzetting van de GSM-installatie naar een UMTS-intallatie.

Ook het betoog van eisers dat Orange onderzoek had moeten verrichten naar alternatieve locaties faalt. Zoals ook de voorzieningenrechter heeft overwogen in zijn uitspraak van 17 januari 2006 heeft verweerder in beginsel te beslissen omtrent het bouwplan, zoals dat bij haar is ingediend. Niet is gebleken van argumenten waarom verweerder niet op de door Orange verstrekte informatie omtrent de locatie mocht afgaan. Er bestond derhalve voor verweerder geen aanleiding om meer informatie in te winnen omtrent de locatie. Dit zou anders kunnen zijn indien is gebleken dat elders een gelijkwaardig resultaat kon worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (AbRvS 26 februari 2003, LJN:AF5032). Daarvan is in het onderhavige geval echter geen sprake.

Door eisers is tot slot aangevoerd dat op grond van het convenant, behorend bij het Nationaal Antennebeleid, een zogenaamde instemmingsprocedure gevolgd had moeten worden. De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 5.1 van het convenant de instemmingsprocedure slechts van toepassing is op vergunningvrije antenne-installaties. Aangezien de onderhavige antenne-installatie vergunningplichtig is, is de instemmingsprocedure niet aan de orde.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank bij de beoordeling van de belangenafweging door verweerder niet gebleken van een zodanige onevenwichtigheid, dat moet worden geoordeeld dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot de verlening van de gevraagde vrijstelling heeft kunnen komen.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eisers tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.G.J. Post, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2006.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: