Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AY5298

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-07-2006
Datum publicatie
28-07-2006
Zaaknummer
05/930019-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende 2 1/2 jaar schuldig gemaakt aan stelselmatig seksueel misbruik van een buurmeisje van haar 9e tot haar 11e levensjaar. Zeer ernstig te meer omdat het meisje bij verdachte vaderleifde zocht die zij thuis niet kreeg. Verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar. Aanzienlijke deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarde van ambulante behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/930019-06

Datum zitting : 10 juli 2006

Datum uitspraak : 24 juli 2006

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : Mr. O.N.J. Maatje, advocaat te Zaltbommel.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 1997 tot 1 oktober 1999 te Haaften, gemeente Neerijnen, en/of te Waardenburg, gemeente Neerijnen, (telkens) (opzettelijk) handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten (telkens) het met de penis en/of met een of meer vingers en/of de tong binnendringen in de vagina en/of met de penis binnendringen in de mond en/of het betasten en/of likken van de vagina en/of het scheren van het schaamhaar en/of laten scheren van zijn, verdachtes, schaamhaar en/of laten aftrekken, althans laten betasten van zijn, verdachtes, penis, heeft gepleegd met [slachtoffer], geboren op 2 maart 1988, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 10 juli 2006 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. O.N.J. Maatje, advocaat te Zaltbommel.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd en is ter terechtzitting verschenen:

• mevr. [naam]

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren ten aanzien van de algemene voorwaarden en met een proeftijd van 3 jaren ten aanzien van het als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt behandeling bij Kairos of een soortgelijke instelling en voorts met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij mevr. [naam] tot een bedrag van € 6158,- wordt toegewezen en heeft voorts gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 123 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij in de periode van 1 maart 1997 tot 1 oktober 1999 te Haaften, gemeente Neerijnen, en/of te Waardenburg, gemeente Neerijnen, telkens opzettelijk handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten telkens het met de penis en/of met een of meer vingers en/of de tong binnendringen in de vagina en met de penis binnendringen in de mond en het betasten en likken van de vagina en het scheren van het schaamhaar en laten scheren van zijn, verdachtes, schaamhaar en laten aftrekken, van zijn, verdachtes, penis, heeft gepleegd met [slachtoffer], geboren op 2 maart 1988, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

“Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam”.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Met name ook niet uit de hierna te noemen deskundigenrapportage.

6. De motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 25 januari 2006;

• de (korte) FPD-rapportage, opgemaakt door B. Gotink, psychiater betreffende verdachte, gedateerd 9 februari 2006;

• de Pro Justitia-rapportage, opgemaakt door drs. J.A.M. Gresnigt, psycholoog betreffende verdachte, gedateerd 2 mei 2006; en

• het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, regio Utrecht-Arnhem, Unit Nijmegen betreffende verdachte, gedateerd 22 juni 2006.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich gedurende tweeënhalf jaar schuldig gemaakt aan stelselmatig seksueel misbruik van een buurmeisje van haar negende tot haar elfde levensjaar. Dat is een zeer ernstig feit. Te meer daar het meisje bij verdachte de vaderliefde zocht die zij thuis niet kreeg.

Dit misbruik zal het slachtoffer waarschijnlijk levenslang achtervolgen; wanneer zij alleen is, wanneer zij in het normale dagelijkse leven mannen tegenkomt, wanneer zij een relatie aangaat en in evenzoveel meer situaties.

Bovendien heeft verdachte in zijn algemeenheid, door op deze wijze een meisje uit de buurt voor zijn eigen gerief te misbruiken, de onrust en het gevoel van onveiligheid bij ouders aangewakkerd; zij vragen zich immers steeds weer af of het nog verantwoord is hun kinderen op straat of bij buurtgenoten te laten spelen.

De rechtbank houdt rekening met hetgeen door drs. J.A.M. Gresnigt, psycholoog in zijn rapport naar voren is gebracht, waaraan het volgende wordt ontleend:

“Bij [verdachte] is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestesgesteldheid in termen van een onrijpe en diffuse identiteit- en persoonlijkheidsontwikkeling. In het verlengde hiervan is er sprake van een sociaal-emotionele en seksuele onrijpheid, van een verhoogde psychische kwetsbaarheid en van afhankelijke, wantrouwende en vermijdende persoonlijkheidskenmerken.

Ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten was de genoemde persoonlijkheidsproblematiek aanwezig.

Zijn persoonlijkheidsproblematiek, zijn sociaal-emotionele en seksuele onrijpheid is een belangrijke voedingsbodem voor het ten laste gelegde geweest.

Als gevolg van een gestagneerde identiteits- en persoonlijkheidsontwikkeling is er sprake van een onrijpheid op sociaal, emotioneel en seksueel gebied. Hierdoor is hij onvoldoende in staat gebleken om zijn seksuele behoeften op leeftijdsadequate wijze invulling te geven. Wanneer vervolgens een minderjarig meisje bij onderzochte en zijn vader komt logeren, richt hij zijn seksuele zinnen op haar en bevredigt hij op kinderlijke en egocentrische wijze zijn seksuele lusten. Door zijn nauwelijks ontwikkelde empathische vermogens heeft hij de noden van zijn minderjarige slachtoffer niet onderkend en werd hij niet geremd in deze. Als gevolg van de geschetste gebrekkige ontwikkeling kan worden gesteld dat onderzochte licht verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het ten laste gelegde.

Als gevolg van zijn onrijpheid op sociaal, emotioneel en seksueel gebied, als gevolg van zijn gebrekkige identiteitsontwikkeling en zijn beperkte empathische vermogens enerzijds en de kinderlijke, egocentrische (seksueel) tendensen die hij in zich bergt anderzijds, is het niet uit te sluiten dat het ten laste gelegde zich herhaald. Dit mede omdat hij op dit moment geen partner/vriendin heeft en weinig inzicht heeft in seksualiteit en relatievorming. Tevens is zijn ontkennende en afwerende houding in het bespreken van het thema seksualiteit zorgelijk te noemen.

De kans dat onderzochte recidiveert in soortgelijke delictgedragingen is aanwezig, zeker wanneer behandeling en begeleiding uitblijft. Positief en recidive preventief is echter dat hij aangeeft mee te willen werken aan behandeling, al zal moeten worden afgewacht of onderzochte in staat is zich te verbinden met een behandeling en begeleiding. Een gerichte ambulante daderbehandeling voor seksueel delinquenten is geïndiceerd. Ook psychoeducatie is van belang: voorlichting over seksualiteit en relatievorming. Daarnaast aandacht voor sociale en relationele vaardigheden, identiteitsontwikkeling, terwijl onderzochte zich in een behandeling nader moet gaan verhouden met zijn seksuele gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Wellicht kan de reclassering een aanbod verzorgen; in ieder geval zal Kairos, of een andere forensische polikliniek, een behandelaanbod kunnen verzorgen. Het is aangewezen om de behandeling en begeleiding te laten plaatsvinden als bijzondere voorwaarde van een voorwaardelijk strafdeel.”

De rechtbank neemt deze conclusie over.

De raadsman heeft ter terechtzitting het pleidooi gehouden dat verdachte een taakstraf opgelegd zou moeten krijgen, omdat hij dan kan blijven werken en zodoende beter aan zijn eventuele betalingsverplichtingen uit de vordering van de benadeelde partij zou kunnen voldoen en bovendien de hulp voor zijn chronisch zieke vader kan blijven verzorgen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank ziet, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden, aanleiding aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat mocht inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij Kairos of een soortgelijke instelling.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de

gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op na te melden bedrag.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde mevr. [naam] gedeeltelijk weersproken. De rechtbank acht de vordering - nu het tenlastegelegde bewezen is verklaard en de vordering voldoende is onderbouwd - toewijsbaar.

De rechtbank zal de civiele vordering van mevr. [naam] volledig toewijzen en wel tot een bedrag van € 88,20 aan materiële schade, waarbij de omvang van de schade door de rechtbank op basis van de overgelegde stukken naar billijkheid op dat bedrag is begroot.

De rechtbank wijst daarbij toe de vordering van de wettelijke rente vanaf de datum van de terechtzitting tot aan de dag der algehele voldoening van het bedrag aan materiële schade.

De rechtbank acht voldoende bewezen dat mevr. [naam] door hetgeen haar is aangedaan immateriële schade heeft geleden en dat zij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. Zij is van oordeel dat een bedrag van € 5000,- aan schadevergoeding op zijn plaats is zodat zij dit bedrag zal toewijzen aan het slachtoffer.

De rechtbank wijst daarbij toe de vordering van de wettelijke rente vanaf de datum waarop het bewezenverklaarde feit is begonnen tot aan de dag der algehele voldoening van het smartengeld.

De rechtbank zal de civiele vordering van mevr. [naam] ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand toewijzen conform het daarvoor geldende, in civiele zaken te hanteren liquiditeitstarief, groot 2 punten.

De rechtbank wijst daarbij af de vordering van de wettelijke rente ten aanzien van de kosten van de rechtsbijstand, nu deze kosten - volgens de vaste jurisprudentie - niet aangemerkt kunnen worden als schade die rechtstreeks is geleden door het bewezenverklaarde feit.

Voor de toegewezen vordering geldt tevens dat de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplichting zal opleggen het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

Gelet op het bepaalde in artikel 60a jo 24c van het Wetboek van Strafrecht wordt bij de maatregel betreffende de benadeelde partij het aantal dagen hechtenis op 101 dagen bepaald.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f en 244 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan tevens worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de (stichting) Reclassering Nederland zullen worden gegeven, ook indien dit zal inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij Kairos of een andere vergelijkbare instelling, voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht, te weten 3 (drie) dagen hechtenis.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij mevr. [naam].

Wijst de vordering van de benadeelde partij volledig toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan mevr. [naam], wonende [adres], te betalen € 5088,20 (zegge vijfduizend achtentachtig euro en twintig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op € 768,- (zegge zevenhonderdachtenzestig euro) en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 5088,20 subsidiair 101 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer mevr. [naam], wonende [adres], te betalen

€ 5088,20 (zegge vijfduizend achtentachtig euro en twintig eurocent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 101 (éénhonderdéén) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer mevr. [naam], het daarmee corresponderende gedeelte van de civielrechterlijke verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeelde aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. E.G. Smedema, rechter als voorzitter,

mr. G. Perrick, rechter,

mr. J.P.M. Schwillens, rechter,

in tegenwoordigheid van J. Heijmeskamp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 juli 2006.