Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AY5297

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-07-2006
Datum publicatie
28-07-2006
Zaaknummer
05/970006-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte aangesproken op een poging tot verkrachting van een bejaarde vrouw. In deze zaak werd 4 maanden onvoorwaardelijk gevangenisstraf opgelegd met aftrek en tevens de maatregel van TBS met dwangverpleging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire kamer

Parketnummer : 05/970006-05

Datum zitting : 3 juli 2006

Datum uitspraak : 17 juli 2006

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

thans gedetineerd in MPC Stroe, Wolweg 76, 3776 LR Stroe.

Raadsman : mr. J.F. van Halderen, advocaat te Haarlem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

op of omstreeks 23 oktober 2005 te Veldhoven,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid mevrouw N.J.M. [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan

van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [slachtoffer], te weten het (met kracht) in de vagina brengen van

een of meerdere vingers, welk geweld of andere feitelijkheid en/of welke

bedreiging met geweld of andere feitelijkheid hierin heeft/hebben bestaan dat

verdachte opzettelijk mevrouw [slachtoffer] voornoemd met kracht heeft vastgepakt

en/of bij haar keel heeft gepakt en/of tegen haar heeft gezegd dat hij haar

zou doodmaken;

art 242 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 23 oktober 2005 te Veldhoven, ter uitvoering van het

voornemen en het misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of

bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid mevrouw N.J.M. [slachtoffer] te

dwingen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die mevrouw [slachtoffer], te weten het

binnendringen van de vagina van een of meer vingers en/of het hebben van

geslachtsgemeenschap, welk geweld of andere feitelijkheid en/of welke

bedreiging met geweld of andere feitelijkheid hierin heeft/hebben bestaan dat

verdachte opzettelijk mevrouw [slachtoffer] voornoemd (met kracht) heeft vastgepakt

en/of bij haar keel heeft gepakt en/of tegen haar heeft gezegd dat hij haar

zou doodmaken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 242 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 23 oktober 2005 te Veldhoven,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid mevrouw N.J.M. [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van

ontuchtige handelingen, bestaande uit het opzettelijk ontuchtig vastpakken

en/of betatsten van een/de borst(en) en/vagina, althans schaamstreek van die

mevrouw [slachtoffer], en welk geweld of andere feitelijkheid en/of welke bedreiging

met geweld of andere feitelijkheid bestond uit het opzettelijk gewelddadig

en/of dreigend (met kracht) vastpakken en/of bij de keel pakken en/of door

tegen mevrouw [slachtoffer] te zeggen dat hij haar dood zou maken, althans woorden

van gelijke dreigende aard of strekking;

art 246 Wetboek van Strafrecht

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 3 juli 2006 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.F. van Halderen, advocaat te Haarlem.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd en is ter terechtzitting verschenen:

• mevr. N.J.M. [slachtoffer], wonende [adres]

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, alsmede TBS met dwangverpleging.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij mevr. N.J.M. [slachtoffer] tot een bedrag van € 6029,50 wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 120 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De militaire kamer acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Ter terechtzitting heeft de raadsman het verweer gevoerd, dat het in casu onmogelijk is om het voor opzet vereiste bewustzijn van zijn cliënt vast te stellen.

De militaire kamer is evenwel van mening dat het opzet blijkt uit het bij de keel pakken en het naar beneden trekken van de onderbroek van het slachtoffer door verdachte. Bovendien heeft verdachte bij de politie verklaard “te willen voelen”.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 23 oktober 2005 te Veldhoven, ter uitvoering van het

voornemen en het misdrijf om door geweld mevrouw N.J.M. [slachtoffer] te

dwingen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die mevrouw [slachtoffer], te weten het

binnendringen van de vagina met een of meer vingers, welk geweld hierin heeft bestaan dat verdachte opzettelijk mevrouw [slachtoffer] voornoemd (met kracht) heeft vastgepakt

en bij haar keel heeft gepakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

“Poging tot verkrachting.”

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Met name ook niet uit de hierna te noemen deskundigenrapportage.

6. De motivering van de sancties

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 29 december 2005;

• het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland betreffende verdachte, gedateerd 4 januari 2006;

• de Pro Justitia-rapportage, opgemaakt door drs. V. Versteeg, arts en drs. R.J.M. Mooren, psychiater betreffende verdachte, gedateerd 18 januari 2006;

• de Pro Justitia-rapportage, opgemaakt door drs. H.M.J. Vandenboorn, psycholoog betreffende verdachte, gedateerd 18 januari 2006;

• de Pro Justitia-rapportage, opgemaakt door dr. P.J.A. van Panhuis, psychiater en drs. C.S.C. Bollen, psychiater i.o. betreffende verdachte, gedateerd 16 juni 2006; en

• de Pro Justitia-rapportage, opgemaakt door drs. A.F.J.M. Zwegers, psycholoog betreffende verdachte, gedateerd 11 juni 2006.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt een poging tot verkrachting van een bejaarde vrouw. Door in de nachtelijke uren aan te bellen en haar woning binnen te dringen heeft verdachte niet alleen bij de vrouw veel leed veroorzaakt, maar ook bij anderen gevoelens van onveiligheid opgewekt.

De rechtbank houdt rekening met hetgeen door dr. P.J.A. van Panhuis, psychiater en drs. C.S.C. Bollen, psychiater i.o. in hun rapportage naar voren is gebracht, waaraan het volgende wordt ontleend:

“Betrokkene is lijdende aan een pervasieve ontwikkelingsstoornis en een persoonlijkheidsstoornis nao. Dit zijn beide chronische psychiatrische stoornissen. Door zijn beperkingen tengevolge van zijn stoornis is betrokkene niet in staat op een adequate manier zijn emoties te onderkennen en te hanteren, zeker niet als ze hoog oplopen. In geval van seksuele geladenheid, waar hij zich maar ten dele van bewust zal zijn, zal hij ook dit niet kunnen hanteren. De combinatie met de verdrongen, afgesplitste agressie, het gebrek aan problematisering van zijn gedrag en zijn verhoogde krenkbaarheid zijn daarbij zeker niet onbelangrijk. In samenhang met het gebruik van alcohol zal controleverlies bovendien eerder voorkomen. De invloed van het alcoholgebruik in het geheel is zoals eerder gezegd dat interne remmingen hierdoor afnemen en aldus de rem op zijn inadequate gedrag wegvalt, waardoor de kans groter wordt dat betrokkene inadequaat gaat reageren en zich niet meer beroept op aangeleerd gedrag. Het recidiverisico is dan ook hoog te noemen, waarbij gewezen wordt op de escalatie in ernst van seksuele delicten.

Zoals eerder genoemd dienen een aantal factoren hierbij in ogenschouw genomen te worden. (...) de gebrekkige integratie van het delictgedrag in de indentiteit van betrokkene en de totale afwezigheid van reflectie en zicht hierop [zijn] van belang. Naast het reeds aanwezige patroon van delicten - allen seksueel van aard en gericht op alleenstaande oudere vrouwen - is de te onderscheiden toenemende ernst van gedragingen van belang.

Ondergetekenden adviseren betrokkene een behandeling te bieden, enerzijds gericht op zijn beperkingen door de pervasieve ontwikkelingsstoornis en persoonlijkheidsstoornis n. a. o. met narcistische trekken, anderzijds gericht op een zogenaamde delictscenarioprocedure en met signaleringsketens, delictpreventiemodules en modules gericht op omgaan met seksualiteit en omgaan met alcohol. Dit zal ons insziens dienen te gebeuren binnen het kader van TBS met verpleging. Een voorwaardelijk kader draagt nog te veel risico's in zich mee, mede gezien het zeer matige ziektebesef en totaal afwezige inzicht in eigen handelen van betrokkene betreffende het tenlastegelegde, waardoor het concrete optreden van_ een recidive nagenoeg onvoorspelbaar is. De motivatie is voor een zo open en weinig verplichtend kader ook te weinig authentiek. (...)”

De militaire kamer houdt eveneens rekening met hetgeen door drs. A.F.J.M. Zwegers, psycholoog in zijn rapport naar voren is gebracht, waaraan het volgende wordt ontleend:

“Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Er is sprake van een pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO. De ziekelijk stoornis was ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde.De ziekelijke stoornis was van invloed op betrokkene's gedrag ten tijde van het ten laste gelegde, zodanig dat het ten laste gelegde, voor zover dat bewezen wordt, daaruit verklaard zou kunnen worden.

De ziekelijke stoornis brengt onder meer met zich mee dat betrokkene de emoties die uit de sociale interactie ontstaan niet kan hanteren. Het is voor betrokkene niet mogelijk om inzicht te krijgen in de eigen motieven tot handelen die uit dergelijke emoties voortkomen. Waarschijnlijk kwam betrokkene ertoe om mevrouw [slachtoffer] te benaderen omdat hij altijd door zijn oma werd afgewezen en dat nog altijd als krenkend ervaart, maar dit is niet toetsbaar aan zijn beleving. Er zijn aanwijzingen dat ten tijde van het ten laste gelegde de emoties afgesplitst werden, dat betrokkene die emoties niet bewust kon registreren.Als het ten laste gelegde wordt bewezen is het te adviseren om dat in sterk verminderde mate aan betrokkene toe te rekenen.

Zolang de psychodynamische factoren die tot het ten laste gelegde (indien bewezen) hebben geleid, bestaan, is er gevaar voor herhaling. Het sexueel grensoverschrijdende gedrag is door betrokkene zelf maar ook door de invloed van anderen moeilijk te voorkomen omdat er geen goed zicht bestaat op de motieven tot handelen, omdat moeilijk te begrijpen - en moeilijk in te voelen aspecten mede dat gedrag bepalen. Er dient opgemerkt te worden dat betrokkene een patroon van sexueel grensoverschrijdend gedrag ontwikkeld had dat in ernst toenam. Het is niet uit te sluiten dat een eventueel recidive ernstiger zal zijn dan de feiten die betrokkene thans ten laste worden gelegd.

Er is een behandeling aangewezen om betrokkene te leren op gedragsniveau de ongewenste gevolgen van zijn stoornis te beperken. Het is niet uit te sluiten dat hij op den duur ook enigszins voor een psychotherapeutische benadering bereikbaar zal zijn. In dat geval zou het begrijpen van het eigen functioneren vergroot kunnen worden. Het is onzeker of behandeling zal leiden tot een afname van het recidivegevaar en op welke termijn dat dan eventueel te voorzien is. Gezien het recidivegevaar zal behandeling niet vrijblijvend kunnen zijn en in een beveiligde omgeving moeten plaatsvinden. Hiermee komt de maatregel van terbeschikkingstelling in beeld.

Door de onzekere prognose en omdat betrokkene zijn eigen motieven tot handelen bij sexueel grensoverschrijdend gedrag niet begrijpt komt een voorwaardelijk kader niet in aanmerking en moet er gedacht worden aan een TBS met verpleging.”

De deskundigen adviseren aldus betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

Ter terechtzitting heeft de raadsman het pleidooi gehouden dat de zaak aangehouden zou moeten worden, omdat in de oudste twee Pro Justitia-rapportages voorgesteld wordt TBS met voorwaarden op te leggen en deze mogelijkheid niet voldoende is onderzocht.

De militaire kamer heeft nochtans geconcludeerd dat met het plaatsen van verdachte in een inrichting voor klinische observatie en de jongste twee Pro Justitia-rapportages genoegzaam duidelijk is geworden dat ambulante behandeling een gepasseerd station is. De militaire kamer acht ook de inhoud van de twee oudste rapportages niet strijdig met het advies van de twee jongste rapportages.

Op grond van bovenstaande is de militaire kamer van oordeel dat de ernst van de feiten, de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

De maatregel wordt voorts gegrond op de door verdachte begane misdrijven, die behoren tot een der misdrijven genoemd in artikel 37a, eerste lid onder 1? van het Wetboek van Strafrecht.

Nu voldaan is aan de wettelijke voorwaarden zal de militaire kamer de ter beschikkingstelling gelasten en bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de militaire kamer dat voor de afdoening van de onderhavige zaak, naast de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging, geen andere straf in aanmerking komt dan een gevangenisstraf.

Gelet op de vrijspraak voor het primair tenlastegelegde is deze lager dan door de officier van justitie is geëist.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede

de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De militaire kamer zal de civiele vordering van mevr. N.J.M. [slachtoffer] tot een bedrag van € 242,50 aan materiële schade toewijzen, waarbij de omvang van de schade door de militaire kamer op basis van de overgelegde stukken naar redelijkheid en billijkheid op dat bedrag is begroot.

De militaire kamer zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering bestaande uit het vergoeden van de intercom en de draadloze telefoon,

omdat dit deel van de vordering niet rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde strafbare feit en daarmee niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De militaire kamer acht voldoende bewezen dat mevr. N.J.M. [slachtoffer] door hetgeen haar is aangedaan immateriële schade heeft geleden en dat zij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De militaire kamer is van oordeel dat een bedrag van € 4150,- aan schadevergoeding op zijn plaats is, zodat zij dit bedrag zal toewijzen aan het slachtoffer. De vordering is voor zover zij strekt tot vergoeding van een hoger bedrag wegens immateriële schade in zoverre niet-ontvankelijk. Mogelijk kan de benadeelde partij de schade verhalen via de burgerlijke rechter.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 37a, 37b, 45 en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij mevr. N.J.M. [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan mevr. N.J.M. [slachtoffer], wonende te [adres], te betalen € 4392,50 (zegge vierduizend driehonderdtweeënnegentig euro en vijftig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor de voor de vordering niet-ontvankelijk voor zover deze betreft de intercom en de draadloze telefoon, nu de vordering voor dat gedeelte niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Verstaat dat de vordering voor wat dit betreft kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Maatregel van schadevergoeding ad € 4392,50 , subsidiair 87 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer N.J.M. [slachtoffer], wonende te [adres], te betalen

€ 4392,50 (zegge vierduizend driehonderdtweeënnegentig euro en vijftig eurocent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 87 (zevenentachtig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer N.J.M. [slachtoffer], de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeelde aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. A.G. Broek-de Stigter, rechter als voorzitter,

mr. E.G. Smedema, rechter,

kolonel mr. J.P.M. Schwillens, als militair lid,

in tegenwoordigheid van J. Heijmeskamp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juli 2006.

Mr. A.G. Broek-de Stigter voornoemd is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.