Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AY5292

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-07-2006
Datum publicatie
28-07-2006
Zaaknummer
05/056130-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, 65 jaar, heeft gdurende een periode van ruim een jaar meermalen ontucht met zijn kleinzoon gepleegd, waarbij het meermalen is gekomen tot het seksueel binnendringen van het lichaam over en weer. Lichamelijke integriteit kleinzoon geschonden en vertrouwen zoon en schoondochter die hun kind bij verdachte lieten logeren ernstig beschaamd. Valt niet te ontkomen aan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Straf korter dan gevorderd omdat een kortere periode bewezen is verklaard dan is tenlastegelegd en omdat verdachte first offender is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/056130-04

Datum zitting : 3 juli 2006

Datum uitspraak : 17 juli 2006

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

Raadsvrouw : mr. A.M. van Rossum, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 juli 2003 te Zevenaar en/of Aalten, (telkens) (opzettelijk) handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer], geboren op 15 november 1991, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt welke handelingen (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten het met een vinger penetreren van de anus van die [slachtoffer] en/of het in de mond van die [slachtoffer] brengen en/of houden van zijn (verdachtes) penis;

art 244 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op en of meer tijdstippen althans in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 juli 2003 te Zevenaar en/of Aalten, (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige kleinzoon [slachtoffer], geboren op 15 november 1991, hierin bestaande dat verdachte die [slachtoffer] zijn (verdachtes) penis heeft laten vastpakken en/of vasthouden en/of laten strelen

en/of zich door die [slachtoffer] heeft laten aftrekken en/of verdachte door die [slachtoffer] een vinger zijn (verdachtes) anus heeft laten steken en/of verdachte de penis van die [slachtoffer] in zijn mond heeft genomen en/of gehouden.

art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 3 juli 2006 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mevrouw mr. A.M. van Rossum, advocaat te Arnhem.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd:

[slachtoffer]. (gemachtigde [naam])

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden, waarvan 5 (vijf) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht, met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt behandeling bij de Forensisch Psychiatrische Polikliniek, inhoudende Training Seksuele Delictplegers of een andere behandeling of een soortgelijke instelling.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] bij wijze van voorschot ter zake van immateriële schade tot het gevorderde bedrag van € 3.240,= wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2002 tot en met 31 juli 2003 te Zevenaar en/of Aalten, opzettelijk handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer], geboren op 15 november 1991, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt welke handelingen bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten het met een vinger penetreren van de anus van die [slachtoffer] en het in de mond van die [slachtoffer] brengen en houden van zijn (verdachtes) penis;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 april 2000 en met 31 juli 2003 te Zevenaar en/of Aalten, ontucht heeft gepleegd met zijn aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige kleinzoon [slachtoffer], geboren op 15 november 1991, hierin bestaande dat verdachte die [slachtoffer] zijn (verdachtes) penis heeft laten vastpakken en vasthouden en laten strelen en zich door die [slachtoffer] heeft laten aftrekken en verdachte door die [slachtoffer] een vinger in zijn (verdachtes) anus heeft laten steken en verdachte de penis van die [slachtoffer] in zijn mond heeft genomen en gehouden.

Hetgeen verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

“met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam”,

meermalen gepleegd.

feit 2:

“ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige”,

meermalen gepleegd.

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten, met name ook niet uit de hierna te noemen deskundigenrapportage.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is

begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij

onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 17 mei 2006; en

• een voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland, Unit Zutphen , gedateerd 17 juni 2005, betreffende verdachte;

• een adviesrapport van de Reclassering Nederland, Unit Zutphen, gedateerd 29 juni 2006, betreffende verdachte;

• een rapport van een voorgeleidingsconsult door de FPD te Arnhem, gedateerd 4 juli 2005, betreffende verdachte.

De rechtbank houdt rekening met hetgeen door drs. J.P.M. van der Leeuw, psycholoog gz en psychotherapeut, in zijn rapport naar voren is gebracht, waaraan het volgende wordt ontleend:

Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in die zin dat er sprake is van perversie en in engere zin pedofilie bij een man met een onderliggende persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische trekken. Deze waren ook aanwezig ten tijde van de tenlastegelegde feiten.

De onderzoeker acht betrokkene ten aanzien van het tenlastegelegde enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.

Indien onbehandeld zal betrokkene wederom tot seksueel grensoverschrijdend gedrag komen en derhalve is het recidiverisico groot.

De onderzoeker adviseert de rechtbank om betrokkene te verplichten tot een behandeling bij een Forensisch Psychiatrische Polikliniek, waarbij deelname aan de Training Seksuele Delictplegers noodzakelijk is. Daarnaast is verplicht reclasseringscontact aangewezen niet enkel om toe te zien op de naleving van de voorwaardelijke behandeling maar ook om gedurende een langere periode een vinger aan de pols te kunnen houden.

De rechtbank neemt deze conclusie over.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar meermalen schuldig gemaakt aan ontucht met zijn kleinzoon die jonger dan twaalf jaar was, welke kleinzoon aan zijn zorg en waakzaamheid was toevertrouwd. Tijdens deze ontucht kwam het meermalen tot het seksueel binnendringen van het lichaam van zowel verdachte als de kleinzoon. Verdachte wist dat zijn kleinzoon in geestelijk opzicht kwetsbaar was en desondanks heeft hij zijn kleinzoon geconfronteerd met zijn handelen, waarbij verdachte, met voorbijgaan aan de belangen van zijn kleinzoon, alleen maar heeft gehandeld ter bevrediging van zijn eigen seksuele beleving.

Dit zijn ernstige feiten waarbij de lichamelijke en geestelijke integriteit van de kleinzoon op grove wijze is geschonden. Daarnaast heeft verdachte het vertrouwen dat zijn zoon en schoondochter in hem hadden gesteld door hun kind bij verdachte te laten logeren op ernstige wijze beschaamd.

Op grond van deze overwegingen is de rechtbank van oordeel dat niet ontkomen kan worden aan het opleggen van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Aangezien een kortere periode bewezen is verklaard, alsmede op grond van het feit dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest, vindt de rechtbank aanleiding het onvoorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf korter te doen zijn dan door de officier van justitie gevorderd.

De rechtbank ziet, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden, aanleiding aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat mocht inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij een Forensisch Psychiatrische Polikliniek.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

Aan de benadeelde partij is door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet exact vaststellen welk bedrag aan vergoeding voor de geleden immateriële schade juist is. Zij is echter van oordeel dat in ieder geval een bedrag van € 3.240,= aan schadevergoeding op zijn plaats is zodat zij dit bedrag bij wijze van voorschot zal toewijzen aan het slachtoffer.

Voor de toewijsbare vordering geldt tevens dat de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplichting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de rechtbank toe te wijzen schadebedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57, 244 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de Reclassering Nederland zullen worden gegeven, ook indien dit zal inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij een Forensisch Psychiatrische Kliniek of een andere vergelijkbare instelling, voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]. (gemachtigde [naam]).

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer]. (gemachtigde [naam]), wonende te [adres], te betalen € 3.240,= (zegge drieduizendtweehonderdveertig euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 3.240,=, subsidiair 64 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]. (gemachtigde [naam]), wonende te [adres], te betalen € 3.240,=, (zegge drieduizendtweehonderdveertig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 64 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]. (gemachtigde [naam]), het daarmee corresponderende gedeelte van de civielrechtelijke verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeelde aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. E.G. Smedema, rechter als voorzitter,

mr. J.P.M. Schwillens, rechter,

mr. A.G. Broek-de Stigter, rechter,

in tegenwoordigheid van J.L. de Vos, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juli 2006.

Mr. Broek-de Stigter voornoemd is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.