Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AY4970

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
25-07-2006
Zaaknummer
138317
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser vordert samengevat - de hoofdelijke veroordeling van Fortis en Aegon tot betaling van een voorchot op de hem vanwege verkeersongevallen toekomende schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 138317 / KG ZA 06-174

Vonnis in kort geding van 13 juni 2006

in de zaak van

[eiseres]

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. M.M. Enneking te 's Hertogenbosch,

tegen

1. de naamloze vennootschap

FORTIS ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

procureur J.C.N.B. Kaal

advocaat mr. A. van Duijn-Koopman te Rotterdam,

2. de naamloze vennootschap

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur J.C.N.B. Kaal

advocaat mr. K. Baetsen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres], Fortis en Aegon genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiseres]

- de pleitnota van Fortis

- de pleitnota van Aegon.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Op 10 oktober 2002 is [eiseres] een bedrijfsongeval overkomen waarbij hij kneuzingen opliep van hand, arm, nek en schouders. Door UWV GAK is aansluitend aan [eiseres] een (vangnet)ziektewet uitkering toegekend en vervolgens een (volledige) WAO uitkering die hij ook nu nog ontvangt.

2.2. De neuroloog Klawer heeft, zo staat in diens brief van 2 juni 2003 aan de huisarts van [eiseres], geen neurologische verklaring voor de klachten gevonden. In die brief staat ook dat differentiaal diagnostisch rekening moet worden gehouden met een whiplashtrauma.

2.3. Eind 2003 is [eiseres] in het revalidatiecentrum Tolbrug te ‘s Hertogenbosch in revalidatiedagbehandeling opgenomen. Over de behandeling daar heeft de revalidatiearts Weterings op 17 juni 2005 aan de huisarts van [eiseres] onder meer geschreven:

‘Decursus

Patiënt werd in therapie genomen waarbij wij ons in eerste instantie richten op verbetering van de visuele informatieverwerking, het opbouwen van de conditie en het verminderen van de bewegingsangst. Ter ondersteuning van zijn pijnklachten schreef ik hem Neurotin voor 3x 300 mg. Door deze medicatie kon hij beter slapen. Medio mei zagen we al een duidelijke verbetering van het algeheel functioneren van patiënt.[..] Het herstel was niet gelijkmatig mede onder andere door situatie rondom het werk en ook het feit dat zijn zoon op school werd gepest. Eind juni bleek de conditie al veel beter te worden en kon hij fitnessopbouw goed verdragen. Hij kon enkele uren wandelen en had geen directe beperking bij bewegen. Proprioceptief was hij nu normaal belastbaar en kon hij zich beter concentreren. Patiënt was weer begonnen met zijn vrouw te helpen met koken. Het huis was enigszins aangepast om te voorkomen dat meneer te veel visuele prikkels tegelijk zou krijgen. De algehele lijn van verbetering liep door tot het moment dat hij vlak voor zijn vakantie van de trap af viel. Hij ontwikkelde een stijve nek en had na enige tijd ook weer een gestoorde sensatie over de linkerzijde. [..] Hij kreeg weer slaapproblemen in combinatie met eetstoornissen. De vraag naar herkenning van zijn klachten kwam weer sterk naar voren en patiënt zocht de oorzaak van de klachten zoals voorheen steeds buiten zichzelf Helaas was ook nu weer dat het gezin in het gehele klachtenpatroon werd meegesleurd en hierin bleek binnen het systeem moeilijk verandering aangebracht te kunnen worden. Medio oktober overkwam hem weer een auto-ongeval buiten zijn schuld waardoor de reeds aanwezige angsten alleen maar versterkt werden. Daarnaast kreeg hij weer slaapstoornissen om welke reden ik hem Tryptizol 75 mg voorschreef. Ik zag patiënt voor de laatste maal op 04.11.2004 anamnestisch zijn er niet veel zintuiglijke stoornissen meer aanwezig, echter er is nog steeds sprake van een angststoornis waarvoor patiënt door onze psycholoog mevrouw Marsman is verwezen naar Nijmegen voor een gespecialiseerde exposior behandeling’

2.4. Op 15 oktober 2004 is [eiseres] een verkeersongeval overkomen waarvoor Fortis als WAM-verzekeraar aansprakelijkheid heeft erkend.

2.5. Op 14 december 2004 is [eiseres] wederom een verkeersongeval overkomen waarvoor Aegon als WAM-verzekeraar aansprakelijkheid heeft erkend.

2.6. [eiseres] heeft tot 15 juli 2005 voor de behandeling van psychische klachten een aantal consulten genoten bij het angstbehandelcentrum IPZO te Nijmegen. In een brief van 3 mei 2005 heeft de aan IPZO verbonden psycholoog Van den Berg over de indicatie van deze behandeling onder meer geschreven:

‘Het bedrijfsongeval mbt reachtruck is een trauma die voldoet aan alle diagnostische criteria. De twee auto-ongevallen daarnaast geven een extra belasting. Deze beladen herinneringen zullen behandeld dien te worden nadat het reachtruck ongeval is behandeld. De behandeling van deze twee ongevallen kunnen naast elkaar plaatsvinden en hoeft behandeltechnisch niet als een cumulatie van complexiteit te worden gezien.’

In een door Van den Berg op 25 mei 2006 afgegeven verklaring staat onder meer:

[eiser]. [eiseres] is in behandeling genomen voor meervoudig trauma. Een werkongeval en twee auto-ongevallen hebben geleid tot een complex trauma waarbij de drie voorvallen onderling verweven zijn in de associatieketens van angst, herbeleving en lijdensdruk. Behandeltechnisch betekent dit dat er niet drie separate bronnen van symptologie bestaan die afzonderlijk een deel van de problematiek dragen. Er is sprake van een cumulatie waarbij het geheel meer is dan de som der delen. Interventie-inhoudelijk betekent dit dat de traumata niet als drie enkelvoudige trauma’s behandeld kunnen worden, maar dat de aanslag op de draagkracht door de drie causaliteiten gezamenlijk een disfunctioneel mentaal en fysiek systeem opleveren. Deze conclusie is niet alleen tot stand gekomen op grond van de anamnese. Ook tijdens de behandeling van traumatische herinneringen blijkt dat de drie afzonderlijke gebeurtenissen bij verwerkingsinterventies door elkaar lopen. Kortom in de hersenrepresentaties treedt er voortdurend vermenging op.’

2.7. Fortis en Aegon hebben de cascoschade aan de auto van [eiseres] vergoed alsmede de gedeclareerde buitengerechtelijke kosten. Daarnaast heeft Fortis onder algemene titel een bedrag van EUR 2.500,- aan [eiseres] betaald. Aegon heeft betaling van een bedrag van EUR 500,- aan [eiseres] aangeboden.

Het geschil

[eiseres] vordert - samengevat – de hoofdelijke veroordeling van Fortis en Aegon tot betaling van EUR 30.000,- als voorschot op de hem vanwege de verkeersongevallen toekomende schadevergoeding. Dat voorschot dient er in het bijzonder toe hem in staat te stellen de bij IPZO benodigde behandeling te vervolgen en voorts om de door zijn behandelaars aangeraden vakanties met zijn gezin te bekostigen.

Fortis en Aegon voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

4.1. Aangenomen wordt, nu dat onvoldoende gemotiveerd is bestreden, dat [eiseres] niet in staat is de behandeling bij IPZO te betalen. Het spoedeisend belang is daarmee in zoverre gegeven, nu op grond van de beschikbare medische gegevens eveneens wordt aangenomen dat de psychische toestand van [eiseres] noopt tot (verdere) behandeling (juist) bij IPZO. Aan het verweer dat een vergelijkbare behandeling ook bij door de ziektekostenverzekeraar van [eiseres] erkende instellingen kan worden ondergaan, wordt voorbijgegaan omdat dit de fundamentele keuzevrijheid van [eiseres] als patiënt miskent.

4.2. De gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling - bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat. In een geval als dit, waarin [eiseres] stelt het geld dringend nodig te hebben, zal het restitutierisico groter zijn maar kan dat niet reeds daarom een dwingende grond opleveren voor afwijzing van het gevorderde nu het steeds moet gaan om een afweging van alle belangen tussen partijen.

4.3. Centraal in dit kort geding staat de vraag of de behandelkosten bij IPZO zijn aan te merken als mengschade waarvoor artikel 6:99 BW toepasselijk is bij de vaststelling van de aansprakelijkheid van Fortis en Aegon voor de hen regarderende verkeersongevallen.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet die vraag ontkennend worden beantwoord, nu zich hier niet het geval voordoet waarin de gebeurtenissen waarvoor Fortis en Aegon aansprakelijk zijn de gehele schade kunnen hebben veroorzaakt. Daarbij moet onder schade in dit verband worden verstaan de noodzaak tot het ondergaan van een op het bestrijden van angst gerichte behandeling. Uit de beschikbare medische rapporten wordt afgeleid dat die noodzaak reeds is opgeroepen door het bedrijfsongeval én het incident bij [eiseres] thuis, de val van de trap, die plaatsvond voorafgaand aan de verkeersongevallen. In het onder 2.3 weergegeven rapport van de revalidatie-arts staat dat die gebeurtenis de voordien ingezette algehele lijn van verbetering teniet deed. Aangenomen wordt dat door de verkeersongevallen de psychische toestand van [eiseres] verder is verslechterd maar dat betekent niet dat er, alsnog, causaliteitsonzekerheid kan bestaan met betrekking tot de noodzaak van de behandeling bij IPZO. Alleen in het geval van onzekerheid geldt de (bewijs)regel van artikel 6:99 BW, niet in de zich hier voordoende situatie waarin de afzonderlijke gebeurtenissen slechts een deel van de schade tot gevolg hebben.

Het voor rekening van Fortis en Aegon komende deel van de schade bestaat uit de langere behandelingsduur bij IPZO vanwege de extra belasting waarover de behandelend psycholoog in zijn brief van 3 mei 2005 heeft gerapporteerd. Er is voorshand aanleiding aan te nemen dat dit een gering aandeel van de behandeling betreft, nu die zich in hoofdzaak richt op de behandeling van het door het bedrijfsongeval veroorzaakte trauma.

Het voor rekening van Fortis en Aegon komende aandeel mag, mits niet verwaarloosbaar klein, worden geschat in evenredigheid met de mate waarin de aan de verkeersongevallen toe te rekenen angst tot de (duur van de) behandeling bij IPZO bijdraagt. Dat moet wel een gemotiveerde schatting zijn (vgl. HR 31 maart 2006, RvdW 2006, 328). In de brief van de behandelend psycholoog van 25 mei 2006 heeft de voorzieningenrechter dat niet aangetroffen. Het wordt er voorshands voor gehouden dat met het door Fortis reeds betaalde bedrag en het door Aegon ter betaling aangeboden bedrag in voldoende mate rekening is gehouden met het hiervoor bedoelde aspect.

4.4. Subsidiair heeft [eiseres] nog een beroep gedaan op artikel 6:102 BW als grond voor de gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid van Fortis en Aegon, omdat zijn psychische schade in ieder geval het gevolg is van meerdere gebeurtenissen die tezamen tot het ontstaan van de angststoornis konden leiden. Dat gaat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet op nu geen sprake is van samenlopende oorzaken ten aanzien van de bij IPZO noodzakelijke behandeling. De chronologie van de gebeurtenissen staat daaraan in de weg.

4.5. Nu er geen grondslag is voor het door [eiseres] gevorderde moet zijn vordering worden afgewezen met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure, welke per gedaagde worden begroot op EUR 248,- voor griffierecht en op EUR 816,- voor salaris procureur.

De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vordering af,

veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Fortis begroot op EUR 1.064,- en aan de zijde van Aegon eveneens begroot op EUR 1.064,-

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en in het openbaar uitgesproken in

tegenwoordigheid van de griffier mr. S.A. van Hoof op 13 juni 2006.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.