Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AY4148

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-05-2006
Datum publicatie
18-07-2006
Zaaknummer
139861
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheid van weg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 139861 / KG ZA 06-247

Vonnis in kort geding van 24 mei 2006

in de zaak van

1. [eiser]

wonende te [woonplaats]

2. [eiseres]

wonende te [woonplaats]

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. J.B.M. Heerink

advocaat mr. G.O. Groeskamp te Gorinchem,

tegen

1. [gedaagde1],

wonende te [woonplaats]

2. [gedaagde2]

wonende te [woonplaats]

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. J.M. Bosnak

advocaat mr. L.V. Claassens te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eisers] en[gedaagden]] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van[gedaagden]]

- de eis in reconventie.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[eisers] zijn door inschrijving van de daartoe op 7 februari 2006 opgestelde transportakte eigenaar geworden van de woonboerderij met vrijstaande schuur, erf, grond, weiland, dijkberm en verder aanbehoren, staande en gelegen aan de [adres] Aan de achterzijde van dit perceel ligt het aan[gedaagden]] in eigendom toebehorende perceel, kadastraal be[adres]eente [adres]

Blijkens aankomsttitel van 1 juli 1975 is ten behoeve van het perceel van [eisers] en ten laste van het perceel van[gedaagden]] een erfdienstbaarheid van weg gevestigd. In genoemde transportakte van 7 februari 2006 wordt hiernaar verwezen. De omschrijving van deze erfdienstbaarheid in de akte van vestiging luidt als volgt:

" (...) wordt (...) gevestigd de erfdienstbaarheid van weg, om te komen van en te gaan naar de [adres], langs de kortste weg en op de minst bezwarende wijze, over een strook grond, welke reeds thans door de verkoper als weg is aangelegd en wordt onderhouden, met dien verstande, dat, indien een beroep of bedrijf op het heersend erf wordt uitgeoefend, deze erfdienstbaarheid niet ten dienste van dit beroep of bedrijf mag worden uitgeoefend; (...)”.

[eisers] zijn bezig met de verbouwing van de woonboerderij. Voorts zijn zij voornemens een paardenbak aan te brengen en de reeds aanwezige paardenstal te vernieuwen. In dit verband gebruiken zij de erfdienstbaarheid ten behoeve van de aan- en afvoer van bouwmaterialen.

Omstreeks begin maart 2006 hebben[gedaagden]] de weg waarop de erfdienstbaarheid rust geblokkeerd met schuttingdelen en aan de zijde van de [adres] afgesloten met een ijzeren hek met slot.

Het geschil in conventie

[eisers] vorderen - samengevat –[gedaagden]] te veroordelen de schuttingdelen te verwijderen en verwijderd te houden alsmede het ijzeren hek van het slot te halen en te houden althans aan hen een (duplicaat) sleutel te verstrekken, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom.

[eisers] stellen daartoe dat zij door de handelwijze van[gedaagden]] thans en in de toekomst niet langer in de gelegenheid zijn het hun toekomende recht van erfdienstbaarheid uit te oefenen.

[gedaagden]] hebben hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Het geschil in reconventie

[gedaagden]] vorderen dat het [eisers] wordt verboden om met bouwverkeer (in de ruimste zin des woords) gebruik te maken van de erfdienstbaarheid, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom.

[gedaagden]] stellen hiertoe – samengevat – dat de erfdienstbaarheid niet is bedoeld voor bouwverkeer en dat zij hinder ondervinden van het bouwverkeer en in hun privacy worden beperkt. Voorts wijzen[gedaagden]] er op dat er een alternatief voorhanden is doordat [eisers] gebruik kunnen maken van de op hun perceel gelegen oprit aan de Zuiderlingedijk.

[eisers] hebben hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling in conventie

Vooropgesteld wordt dat ingevolge de inhoud van de hiervoor onder 2.2. geciteerde akte als uitgangspunt heeft te gelden dat [eisers] het recht hebben om over de grond van[gedaagden]] naar/van de [adres] te gaan/komen. Dit wordt door[gedaagden]] ook niet betwist.

Kennelijk in reactie op het bouwverkeer hebben[gedaagden]] op enig moment de weg waarop de erfdienstbaarheid rust geblokkeerd met schuttingdelen en aan de zijde van de [adres] afgesloten met een ijzeren hek met slot. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan deze afsluiting niet worden aanvaard. Wat er van de reden van de afsluiting ook zij, de handelwijze van[gedaagden]] brengt mee dat het recht van erfdienstbaarheid thans volledig wordt gefrustreerd. Door de afsluiting wordt immers niet alleen het bouwverkeer onmogelijk gemaakt, maar wordt bereikt dat Wildschut c.s op geen enkele wijze van het hen toekomende recht gebruik kunnen maken.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter brengt reeds het voorgaande mee dat gevorderde voorzieningen voor toewijzing in aanmerking komen. Daaraan doet niet af dat[gedaagden]] op grond van het bepaalde in artikel 5:48 BW gerechtigd zijn om hun erf af te sluiten. Immers, zij dienen daarbij de belangen van [eisers] als rechthebbende op de erfdienstbaarheid in acht te nemen. Naar voorlopig oordeel kunnen[gedaagden]] daaraan in dit geval voldoen door de schuttingdelen te verwijderen en [eisers] een duplicaat van de sleutel van het hek te geven. De uit te spreken veroordeling zal zich dan ook hiertoe beperken. Daarbij bestaat aanleiding te gevorderde dwangsommen aan een maximum te verbinden.

Als de in het ongelijk gestelde partij zullen[gedaagden]] in de kosten van dit geding worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding € 84,87

- vast recht 248,00

- overige kosten 00,00

- salaris procureur 816,00

Totaal € 1.148,87

De beoordeling in reconventie

[gedaagden]] hebben zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat de erfdienstbaarheid niet is bedoeld voor bouwverkeer. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande het volgende.

Bij de beantwoording van de vraag hoe ver een erfdienstbaarheid strekt, komt het aan op de in de notariële akte van vestiging tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in die akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte.

Vast staat dat de hiervoor bedoelde akte een gebruik ten behoeve van bouwverkeer op zich zelf niet uitsluit. Dit neemt niet weg dat het bouwverkeer wel ten nutte moet zijn van heersende erf, terwijl ook overigens “langs de kortste weg en op de minst bezwarende wijze” van de erfdienstbaarheid gebruik moet worden gemaakt.

Niet wordt betwist dat het bouwverkeer ten nutte is van het heersende erf en dat gebruik wordt gemaakt van de weg zoals deze reeds sedert 1975 ten behoeve van de erfdienstbaarheid wordt gebruikt.[gedaagden]] stellen zich evenwel op het standpunt dat het gebruik van de weg voor bouwverkeer niet kan worden beschouwd als een gebruik op de “minst bezwarende wijze” als in de notariële akte bedoeld. Zij wijzen er daarbij op dat [eisers] beschikken over een eigen oprit die kan worden gebruikt door het bouwverkeer en dat van hen mag worden verlangd dat zij van deze oprit gebruik maken.

De voorzieningenrechter volgt[gedaagden]] hierin niet. De in de akte opgenomen beperking dat de erfdienstbaarheid moet worden gebruikt op de minst bezwarende wijze geeft (enkel) aan dat de eigenaar van het heersende erf die van het dienende erf niet meer overlast mag aandoen dan redelijkerwijze voor een behoorlijke uitoefening van het recht noodzakelijk kan worden geacht. Aldus bezien kan niet zonder meer worden gezegd dat de aanwezigheid van een alternatief op eigen terrein meebrengt dat niet langer van de aanwezige erfdienstbaarheid gebruik mag worden gemaakt. Dit zou wellicht anders kunnen zijn indien de erfdienstbaarheid zodanig wordt uitgeoefend dat daardoor misbruik van het recht wordt gemaakt. Daarvan zou sprake kunnen zijn als uitoefening van de erfdienstbaarheid voor het dienende erf zeer bezwaarlijk is en het alternatief op eigen terrein qua bruikbaarheid op zijn minst gelijkwaardig is aan deze erfdienstbaarheid. Het is echter niet duidelijk is of deze situatie zich hier voordoet. Immers, [eisers] hebben gemotiveerd gesteld dat de oprit op eigen terrein (de oprit vanaf de Zuiderlingeweg) voor wat betreft het bouwverkeer als niet adequaat moet worden aangemerkt. Voor een beoordeling van de geschiktheid van de oprit, die aan een belangenafweging vooraf moet gaan, zou een nader feitenonderzoek nodig zijn, voor welk feitenonderzoek een kort geding zich niet leent.

[gedaagden] hebben voorts betoogd dat de door derden op het perceel uit te voeren bouwwerkzaamheden moeten worden aangemerkt als “het uitoefenen van een beroep of bedrijf” als in de notariële akte weergegeven. Ook hierin volgt de voorzieningenrechter[gedaagden]] niet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter brengt een redelijke uitleg van deze bepaling mee dat hiermee is gedoeld op verkeersbewegingen die verband houden met de exploitatie van een op het perceel als zodanig uitgeoefend bedrijf (dan wel vrij beroep) en niet de verkeersbewegingen van derden, wier bedrijf is ingeschakeld om tijdelijk op het perceel werkzaamheden te verrichten ten behoeve van verbouwingen.

[gedaagden]] hebben nog betoogd dat zij aanzienlijke hinder ondervinden van het bouwverkeer (door onder meer geluids- en stofoverlast en de beperking van de privacy). Daarbij hebben zij er tevens op gewezen dat het gebruik van de weg door bouwverkeer leidt tot onveilige situaties. Het bouwverkeer steekt vanaf de [adres] achterwaarts de weg in en de chauffeurs hebben om die reden niet volledig het zicht op de (eventueel) op de weg spelende kinderen van[gedaagden]]. Gelet hierop zijn[gedaagden]] van mening dat de erfdienstbaarheid nooit voor enig bouwverkeer kan zijn bedoeld, hetgeen ook wel blijkt uit de staat van de weg, die onverhard is en niet is berekend op bouwverkeer. Inmiddels is door het vrachtverkeer – zo stellen althans[gedaagden]] – aanzienlijke schade ontstaan. Daar komt nog bij dat in het verleden door de voormalige eigenaar van het heersend erf terughoudend gebruik is gemaakt van de erfdienstbaarheid. Het (voorgenomen) gebruik door bouwverkeer leidt tot een ontoelaatbare intensivering van de uitoefening hiervan.

De voorzieningenrechter begrijpt dit betoog aldus dat [gedaagden] zich op het standpunt stellen dat het bouwverkeer een verzwaring inhoudt van de erfdienstbaarheid. Ook hierin volgt de voorzieningenrechter[gedaagden]] niet. De wetgever heeft doelbewust niet verboden dat de eigenaar van het heersende erf door een verandering in zijn gebruik de erfdienstbaarheid op een intensievere wijze dan oorspronkelijk het geval was zou gaan uitoefenen, mits de wijze geheel binnen de grenzen van de erfdienstbaarheid valt. Een dergelijk verbod zou immers beslissende gevolgen toekennen aan het vaak toevallige feit dat van het recht van erfdienstbaarheid oorspronkelijk minder gebruik werd gemaakt dan geoorloofd was. Zulks laat onverlet dat [gedaagden] in een bodemzaak wijziging van de erfdienstbaarheid zouden kunnen vorderen (een opheffing lijkt niet mogelijk gelet op het bepaalde in artikel 165 van Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek), doch voor dit kort geding is niet beslissend of ten gevolge van gewijzigde staat van het heersende erf op het dienende erf een zwaardere last is komen te rusten dan aanvankelijk het geval was.

Hiervoor is reeds vastgesteld dat de redactie van de in de aankomsttitel neergelegde erfdienstbaarheid een gebruik ten behoeve van bouwverkeer op zich zelf niet uitsluit. Ook overigens kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden gezegd dat een gebruik van de weg ten behoeve van incidenteel bouwverkeer van een zodanige aard is, dat dit gebruik niet onder een redelijke uitoefening van het recht kan worden begrepen. Daarbij wijst de voorzieningenrechter er op dat de verbouwing (respectieve de vernieuwing) uit haar aard geen voortdurende activiteit is en ook de omvang van de (voorgenomen) bouwwerkzaamheden naar voorlopig oordeel niet meebrengt dat sprake zal zijn van frequent bouwverkeer gedurende langere tijd. Het gebruik van de weg door bouwverkeer valt voorshands geoordeeld dan ook volledig binnen de grenzen van de erfdienstbaarheid. Hoewel de voorzieningenrechter de vrees van[gedaagden]] voor de veiligheid van hun kinderen geenszins wenst de bagatelliseren, is het in de eerste plaats aan [gedaagden] zelf om in dit verband passende maatregelen te nemen, zodat het recht van erfdienstbaarheid op een veilige wijze kan worden uitgeoefend.

Tot slot wordt opgemerkt dat [eisers] ter zitting hebben gesteld dat de ontstane schade aan de weg door hen zal worden hersteld. Ook hierin ligt derhalve geen reden om de reconventionele vordering toe te wijzen. Deze wordt dan ook afgewezen.

Als de in het ongelijk gestelde partij zullen[gedaagden]] in de kosten van het geding in reconventie worden verwezen. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op € 408,- aan salaris procureur.

De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

veroordeelt[gedaagden]] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de schuttingdelen op de weg waarop de erfdienstbaarheid rust te verwijderen en verwijderd te houden en aan [eisers] een duplicaat te verstrekken van de sleutel van het ijzeren hek dat op deze weg is geplaatst;

veroordeelt[gedaagden]] om, ingeval zij na betekening van dit vonnis niet of niet volledig voldoen aan het bepaalde onder 7.1, aan [eisers] een dwangsom betalen van van € 250,00 per dag met een maximum van € 10.000,00;

veroordeelt[gedaagden]] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eisers] bepaald op € 1.148,87;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

weigert het meer of anders gevorderde.

in reconventie

weigert de gevorderde voorziening;

veroordeelt[gedaagden]] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 408,00 salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Noordraven en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.A. van Hoof op 24 mei 2006.