Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AY4144

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-06-2006
Datum publicatie
18-07-2006
Zaaknummer
130108
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor het antwoord op de vraag of de gedaagde door verjaring de eigendom van de gronden heeft verkregen is beslissend of hij gedurende een termijn van twintig jaar bezitter van die gronden is geweest volgens de in artikel 3:108 BW genoemde maatstaf. Dat betekent dat de vraag of iemand voor zichzelf of voor een ander houdt dient te geschieden aan de hand van de verkeersopvattingen, met inachtneming van de wettelijke bepalingen en overigens aan de hand van de uiterlijke feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 130108 / HA ZA 05-1434

Vonnis van 14 juni 2006

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE GELDERLAND,

zetelend te Arnhem,

eiseres,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. I.M.C. van Leeuwen te Arnhem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. J.T.A.M. van Mierlo te Deventer.

Het verloop van de procedure

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar het tussenvonnis van

19 oktober 2005. De daarop gehouden comparitie van partijen ter plaatse, waarvan het proces-verbaal zich bij de stukken bevindt, heeft niet tot overeenstemming geleid. Vervolgens hebben de partijen de conclusies van repliek met twee producties en dupliek gewisseld. Daarop heeft de Provincie onder overlegging van een productie akte verzocht van haar standpunt, waarop [gedaagde] bij antwoordakte heeft gereageerd. Vervolgens is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1.1 Op 16 november 1982 is de notariële akte van het plan van toedeling in de ruilverkaveling van het blok genaamd Overbetuwe-Noord opgemaakt en op dezelfde dag in de daartoe bestemde registers ingeschreven.

1.2 Met het oog op de toen voorgenomen aanleg van de provinciale weg S101 zijn aan de Provincie toegedeeld de daarvoor benodigde percelen, waaronder de kadastrale percelen:

gemeente [adres]

1.3 [gedaagde] oefent sinds 1982 ter plaatse een agrarisch bedrijf uit. Vanaf 1983 heeft [gedaagde] de hem in het kader van de ruilverkaveling in erfpacht toegedeelde percelen in gebruik genomen. Hij is toen ook een gedeelte van het aangrenzende kadastrale perceel

[adres] ter grootte van 02.61.40 ha blijven gebruiken, dat hem tijdens de ruilverkaveling als compensatiegrond ter beschikking was gesteld voor zijn melkveehouderij.

1.4 In 1987 heeft [gedaagde] met zijn broer het perceel [adres] gekocht. Omdat niet duidelijk was waar de grens lag met perceel [adres] hebben zijn broer en hij een deel van het laatstgenoemde perceel ter grootte van 0.50.55 ha in gebruik genomen. In verband met bezwaren tegen de aanleg van de voorgenomen S101 is de realisering daarvan tot op heden uitgebleven.

1.5 In haar brief van 27 juni 1985 heeft de Provincie als volgt aan de maatschap

[gedaagde] en [betrokkene] geschreven:

“Met verwijzing naar het desbetreffende door u ingediende verzoek, delen wij u mee bereid te zijn aan u te verkopen het grasgewas groeiend in de periode van 1 mei tot 1 september 1985 op het bij u bekend zijnde nabij Heteren gelegen gedeelte van het perceel [adres], groot 1.60.00 ha.

Deze verkoop geschiedt voor de door u geboden prijs van f 640,--. Dit bedrag moet voor of op 20 juli 1985 aan de Provincie worden overgemaakt (zie bijgevoegde nota).”

1.6 Bij brief van 6 oktober 2004 heeft de Provincie aan [gedaagde] laten weten medio 2006 te zullen aanvangen met de werkzaamheden voor de aanleg van de weg, inmiddels rijksweg N837, en dat zij daarom over de bij [gedaagde] in gebruik zijnde aan de Provincie toebehorende gronden de vrije beschikking wenste te verkrijgen. Aan [gedaagde] is toen een gebruiksovereenkomst om niet aangeboden tot einde 2005. Bij niet aanvaarding diende hij de gronden uiterlijk 1 april 2005 te ontruimen. [gedaagde] is niet op het aanbod ingegaan.

1.7 Bij brief van 13 mei 2005 heeft de Provincie nogmaals de gebruiksovereenkomst om niet laten aanbieden. Voor zover [gedaagde] het aanbod niet zou aanvaarden heeft de Provincie hem gesommeerd de betrokken gronden te ontruimen binnen vier weken na dagtekening van de brief. [gedaagde] heeft het aanbod wederom niet aanvaard. Evenmin heeft hij aan de aanmaning tot ontruiming voldaan.

1.8 Gedeputeerde Staten van Gelderland hebben bij besluit van 1 juni 2005 besloten tot het voeren van een gerechtelijke procedure tot ontruiming van de desbetreffende gronden.

1.9 Na de aanvang van de procedure heeft [gedaagde] zich bereid verklaard het gebruik van het gedeelte van perceel [adres] te staken. Inmiddels is tussen de partijen een gebruiksovereenkomst tot 31 december 2006 gesloten.

Het geschil

2. De Provincie vordert (1) [gedaagde] te veroordelen binnen zeven dagen na betekening van het vonnis de percelen van de Provincie, kadastraal bekend gemeente [adres] te ontruimen en ontruimd te houden, en zolang in [gedaagde] in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 6.000,-- per overtreding van het genoemd verbod voor iedere dag of gedeelte daarvan dat deze overtreding voortduurt, met een maximum van € 180.000,--, (2) de Provincie te machtigen voor het geval [gedaagde] met de ontruiming in gebreke blijft deze zelf te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm van justitie en politie, met (3) de veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

De Provincie baseert haar vorderingen op de vaststaande feiten. Naar mag worden aangenomen stelt zij zich op het standpunt dat [gedaagde] jegens haar onrechtmatig handelt door niet te voldoen aan de sommatie tot ontruiming van de betrokken gronden.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Met betrekking tot perceel [adres] meent hij dat Provincie niet in haar vordering kan worden ontvangen. Voor perceel [adres] beroept hij zich voor een deel op verjaring, voor een ander deel meent hij dat de rechtbank niet bevoegd is daarover te beslissen.

De beoordeling van het geschil

3. Het beroep op niet-ontvankelijkheid met betrekking tot het bij [gedaagde] in gebruik genomen gedeelte van perceel [adres] wordt verworpen. Voor het uitbrengen van de dagvaarding was [gedaagde] niet bereid tot ontruiming over te gaan, zodat de Provincie een gerechtvaardigd belang had deze in rechte te verlangen. Nu inmiddels een gebruiksovereenkomst is gesloten tot onweersproken 31 december 2006, zal de ontruiming tegen die datum worden bevolen.

4. Voor de 2.61.40 ha van perceel [adres] beroept [gedaagde] zich primair op verkrijgende verjaring. Subsidiair meent hij dat voor een oppervlakte van 1.60 ha een pachtovereenkomst is ontstaan. Door hem is onder de onjuiste benaming “gras op stam” pacht betaald, nu hij dat perceelsgedeelte in 1985 exclusief voor de landbouw heeft gebruikt. [gedaagde] meent dat de Provincie op grond van artikel 51 Pachtwet ontbinding van de pachtovereenkomst dient te vragen aan de pachtkamer van de sector kanton van deze rechtbank. Voor zover er een pachtovereenkomst wordt aangenomen is de rechtbank onbevoegd.

5. Het beroep op verjaring is gebaseerd op de artikelen 3:306 in verband met 3:314 en 3:105 BW. Voor het antwoord op de vraag of [gedaagde] door verjaring de eigendom van de gronden heeft verkregen is beslissend of hij gedurende een termijn van twintig jaar bezitter van die gronden is geweest volgens de in artikel 3:108 BW genoemde maatstaf. Dat betekent dat de vraag of iemand voor zichzelf of voor een ander houdt dient te geschieden aan de hand van de verkeersopvattingen, met inachtneming van de wettelijke bepalingen en overigens aan de hand van de uiterlijke feiten.

6. [gedaagde] was als degene die compensatiegrond gedurende de loop van de ruilverkaveling mocht gebruiken daarvan niet de bezitter. Hij heeft tijdens de comparitie verklaard dat hij de grond bij de ingebruikgeving heeft afgerasterd. Nadat de grond was toegedeeld is hij de grond blijven gebruiken. Hij wist dat de grond niet van hem was.

In de wijze van gebruik van de grond na de ingebruikgeving is door de toedeling niets veranderd. Ingevolge artikel 3:113 lid 3 BW zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen door [gedaagde] onvoldoende voor inbezitneming van de gronden. Daarvan is ook geen sprake geweest. [gedaagde] zelf meende ook geen bezitter te zijn, zoals volgt uit door hem met de Provincie in 1985 gesloten overeenkomst tot koop van “gras op stam”. Ook als juist zou zijn dat dat slechts zou gelden voor een oppervlakte van 1.60 ha zoals vermeld in de brief van de Provincie van 27 juni 1985, dan is er voor het overige evenmin sprake van machtsuitoefeningen door [gedaagde] waaruit ondubbelzinnig een zodanige pretentie van eigendom blijkt dat de Provincie had behoren te begrijpen dat [gedaagde] zich in haar plaats als eigenaar beschouwde. De door hem vermelde vernieuwing van de brug waarover hij de grond vanaf zijn terrein kan bereiken maakt dat niet anders. In de terminologie van voor 1992 was er geen sprake van openbaar ondubbelzinnig bezit (artikel 1992 (oud) BW). Het beroep op verkrijgende verjaring stuit hierop af.

7. Subsidiair is een beroep gedaan op het bestaan van een pachtovereenkomst voor een oppervlakte van 1.60 ha. Dat kan uit de bevestiging van de Provincie van 27 juni 1985 tot koop van “gras op stam” niet worden afgeleid. Daarin kan niet worden gelezen dat het de bedoeling van de partijen is geweest het algehele gebruik van de grond aan [gedaagde] af te staan. [gedaagde] zelf heeft overigens verklaard niet meer te weten hoe het indertijd in zijn werk is gegaan. Dat hij wel zeker weet dat hij de grond na de ingebruikgeving als enige heeft bewerkt, bemest en geoogst, wil nog niet zeggen dat de partijen dat ook zijn overeengekomen.

8. Op grond van het voorgaande zijn de vorderingen van de Provincie zoals hierna weer te geven toewijsbaar. Er is aanleiding de gevorderde dwangsom te matigen en te binden aan een lager maximum dan gevorderd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

Beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde] de percelen van de Provincie, kadastraal bekend gemeente [adres] te ontruimen en ontruimd te houden, het perceel [adres] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis en het perceel [adres] uiterlijk op 31 december 2006, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 3.000,-- per overtreding voor iedere dag of gedeelte daarvan dat deze overtreding voortduurt, tot een maximum van € 100.000,--,

machtigt de Provincie voor het geval [gedaagde] in gebreke blijft de ontruiming zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie,

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de Provincie bepaald op € 1.911,60, waarvan € 329,60 wegens verschotten en € 1.582,-- wegens salaris procureur,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

ontzegt het meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Driel van Wageningen en uitgesproken in het openbaar op woensdag 14 juni 2006.

Coll.:

WA