Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AY3501

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-06-2006
Datum publicatie
17-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/3484
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft geweigerd eiser urgentie te verlenen.

Het vorenstaande leidt er toe dat voor wat betreft woningen van de Woningstichting Barneveld een beslissing op een verzoek om urgentie uitsluitend ter uitvoering van het Convenant, zijnde een privaatrechtelijke overeenkomst, kan worden genomen. De op eisers verzoek genomen beslissingen zijn dan ook slechts aan te merken als privaatrechtelijke handelingen en dus niet als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waarvoor is vereist dat sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 05/3484

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. J. Bergen,

en

de Urgentiecommissie, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 8 juli 2005.

2. Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2005 heeft verweerder geweigerd eiser urgentie te verlenen.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar bij verweerder gemaakt.

Bij besluit van 11 mei 2005 heeft verweerder het besluit van 31 maart 2005 ingetrokken en wederom geweigerd eiser urgentie te verlenen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het besluit van 11 mei 2005 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 16 februari 2006. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door mw. drs. M.A. Jacobs van SRK Rechtsbijstand Zoetermeer en S. Celebi als tolk. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. I.N. Anroedh en E.J. Moll, werkzaam bij de gemeente Barneveld.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswet (hierna: de Hw) stelt de gemeenteraad een huisvestingsverordening vast, indien het naar het oordeel van de gemeenteraad noodzakelijk is regelen te stellen met betrekking tot het in gebruik nemen of geven van woonruimte als bedoeld in hoofdstuk II, of met betrekking tot wijzigingen van de woonruimtevoorraad als bedoeld in hoofdstuk III.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover hier van belang, gaat de gemeenteraad ten behoeve van de toepassing van het eerste lid in elk geval na hoe met regelen als in dat lid bedoeld, kan worden bewerkstelligd dat bij het in gebruik geven van woonruimte met een verhoudingsgewijs lage prijs zoveel mogelijk voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden die, gelet op hun inkomen, in het bijzonder op die woonruimten zijn aangewezen.

Indien een gemeente met een eigenaar van een of meer woonruimten een overeenkomst sluit over het in gebruik geven daarvan, is ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Hw artikel 2, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op de in zodanige overeenkomst op te nemen bepalingen.

Ingevolge artikel 2.9.1 van de Huisvestingsverordening 1994 van de gemeente Barneveld (hierna: de Verordening), voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders met eigenaren overeenkomsten sluiten over het in gebruik geven van woonruimte, welke overeenkomsten voor het bezit van deze eigenaren in de plaats treden van delen van hoofdstuk 2 van deze verordening. De overeenkomsten dienen een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte te bevorderen.

Krachtens artikel 2.9.2, eerste lid, van de Verordening zijn burgemeester en wethouders bevoegd de uitoefening van de bevoegdheden krachtens paragraaf 2.2 en paragraaf 2.3 te mandateren aan eigenaren van woonruimte.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel zijn burgemeester en wethouders bevoegd de uitoefening van de bevoegdheden krachtens paragraaf 2.4 tot en met 2.8 te mandateren aan een door hen aan te wijzen ambtenaar.

Met ingang van 1 oktober 1997 geldt het “Convenant woonruimteverdeling Barneveld 1997” (hierna: het Convenant) tussen de gemeente Barneveld en de Woningstichting Barneveld.

Ingevolge artikel 3 van het Convenant zijn de bepalingen van hoofdstuk 2 van de Verordening niet van toepassing bij toewijzing conform het bepaalde in de artikelen 1 en 2 van het Convenant met betrekking tot de woningen van de Woningstichting.

Ingevolge artikel 4 van het Convenant, voor zover hier van belang, wordt voor de beoordeling van urgentieverzoeken een onafhankelijke urgentiecommissie ingesteld met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 4 van de nota aanbodmodel Barneveld.

Ingevolge artikel 5 van het Convenant wordt, gelet op het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Hw, een onafhankelijke klachtencommissie ingesteld, waarbij uitspraken van de commissie, voor zover zij betrekking hebben op de uitvoering van deze overeenkomst, partijen tot bindend advies strekken.

Met ingang van 1 oktober 1997 geldt de Verordening Urgentiecommissie Barneveld, waarbij een urgentiecommissie als bedoeld in het Convenant is ingesteld en de verordening voor de urgentiecommissie is vastgesteld.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van deze verordening heeft de commissie tot taak, met inachtneming van de door burgemeester en wethouders op basis van het convenant bepaalde criteria, een besluit te nemen op het verzoek om urgentie.

De rechtbank stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat de in artikel 5 van het Convenant bedoelde klachtencommissie (nog) niet is ingesteld.

Van een door burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld aan de urgentiecommissie (verweerder) gegeven mandaat om namens hen te beslissen op urgentieverzoeken is de rechtbank niet gebleken. Een mandaat betreffende de in paragraaf 2.6 van de Verordening opgenomen bevoegdheden (omtrent urgentie) zou ingevolge het bepaalde in artikel 2.9.2, tweede lid, van de Verordening ook slechts mogelijk zijn aan een door burgemeester en wethouders aan te wijzen ambtenaar.

De rechtbank is van oordeel, dat de gemeente Barneveld met de afsluiting van het hiervoor aangehaalde Convenant, hetgeen een overeenkomst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Hw betreft, voor wat betreft het woningbezit van de Woningstichting Barneveld heeft gekozen voor een privaatrechtelijk stelsel van woningtoewijzing. Voorts is in het Convenant overeengekomen, dat voor de beoordeling van urgentieverzoeken een onafhankelijke urgentiecommissie wordt ingesteld. Bij de hierboven aangehaalde Verordening Urgentiecommissie Barneveld is daartoe overgegaan.

Op grond van het bepaalde in het hiervoor weergegeven artikel 2.9.1 van de Verordening in samenhang met genoemd Convenant treedt het Convenant voor wat betreft de hier aan de orde zijnde vaststelling van urgentie in de plaats van paragraaf 2.6 van de Verordening betreffende urgentie, waarin de bevoegdheid van burgemeester en wethouders inzake de vaststelling van urgentie is neergelegd. Daarmee is het aan de urgentiecommissie (verweerder) om te beslissen op verzoeken om urgentie en niet langer aan burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld.

Het vorenstaande leidt er toe dat voor wat betreft woningen van de Woningstichting Barneveld een beslissing op een verzoek om urgentie uitsluitend ter uitvoering van het Convenant, zijnde een privaatrechtelijke overeenkomst, kan worden genomen. De op eisers verzoek genomen beslissingen zijn dan ook slechts aan te merken als privaatrechtelijke handelingen en dus niet als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waarvoor is vereist dat sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Tegen deze beslissingen van 31 maart 2005 en 11 mei 2005 stond ingevolge artikel 7:1 van de Awb dan ook geen bezwaar open. Verweerder had het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk moeten verklaren. Dit leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit en het bezwaar van eiser alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

verklaart het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk;

veroordeelt verweerder in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten ten bedrage van € 644 en wijst de Urgentiecommissie aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt voorts dat de Urgentiecommissie het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 138 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2006.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op:9 juni 2006