Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AY0519

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-06-2006
Datum publicatie
06-07-2006
Zaaknummer
130249 en 130250
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank behoeft in deze procedure niet de juistheid van de belastingaanslag te beoordelen. Wel zal zij marginaal dienen te toetsen of de materiële verschuldigdheid zo twijfelachtig is dat de ontvanger in redelijkheid niet tot de beslissing had kunnen komen om tot tenuitvoerlegging over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/37.24 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 130249 / HA ZA 05-1465 en 130250 / HA ZA 05-1466

Vonnis van 7 juni 2006

in de zaak met zaaknummer/rolnummer 130249 / HA ZA 05-1465 van

[eiseres]

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. F.J. Boom,

tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/RIVIERENLAND/KANTOOR GORINCHEM,

kantoorhoudende te Gorinchem,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

en in de zaak met zaaknummer/rolnummer 130250 / HA ZA 05-1466 van

[eiser]

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. F.J. Boom,

tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/RIVIERENLAND/KANTOOR GORINCHEM,

kantoorhoudende te Gorinchem,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal.

De bovenvermelde zaken zijn gevoegd. Partijen zul[eiseres]] [e[eiseres] en de Ontvanger genoemd worden.

De procedures

Het verloop van de procedures blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 februari 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 11 april 2006.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De f[eiseres]] [e[eiseres] en M.G. [e[eiseres] vormden tezamen een maatschap. Per 1 oktober 2001 is Alles Wisselt B.V. toegetreden tot de maatschap.

2.2 Bij kennisgevingen van 9 december 2004 heeft de Inspecteur van de Belastingdienst/ Rivierenland/Kantoor Gorinchem [eiseres] en [e[eiseres] ervan op de hoogte gesteld dat hij voornemens was af te wijken van de door hen gedane aangiften IB 2001. Deze kennisgevingen waren gericht aan hun adviseur Alfa Accountants en Adviseurs te Gorinchem.

2.2.1 De kennisgeving betreffende [eiseres] luidt:

[…]

Hierna leest u onder punt 1 waarom ik van de aangifte afwijk.

Onder punt 2 leest u mijn voornemen tot het opleggen van een vergrijpboete en hoe u daarop kunt reageren.

1. Afwijking(en) per onderdeel van de aangifte

Inkomen uit werk en woning (box 1)

Uit mijn gegevens blijkt dat de ondernemer een BV heeft opgericht. Het in het bedrijf aanwezige melkquotum is verkocht in de (voor)vóórperiode. Ik bestrijd deze constructie waarmee is gewerkt om de belastingheffing over de verkoop van het quotum te ontgaan. Dit heeft de volgende correcties tot gevolg:

A. Geen aftrek lijfrente € 224.111,--

B. Meer boekwinst melkquotum € 168.984,--

C. Correctie winst ter behoud van rechten € 500.000,--

D. Gehele afrekening Fiscale oudedagsreserve ter behoud van rechten.

A. Toelichting: De (het deel van de) onderneming is niet overgedragen aan de BV als voortzetter, zodat deze geen toegelaten verzekeraar is.

B. Toelichting: de boekwinst op het melkquotum is opgekomen in de onderneming van [eise[eiser]s] [e[eiseres]-[eiseres] en wordt niet gebruikt voor herinvestering in dezelfde onderneming van [eise[eiser]s] [eiseres]-[eiseres].

C en D. U wenst niet mee te werken aan ons verzoek om een uitstelverklaring te ondertekenen. Zoals in onze brief van 22 oktober 2004 is aangegeven heeft dat tot gevolg dat een aanslag ter behoud van rechten wordt opgelegd. Deze correctie wordt naast de reeds bestaande correcties onder punt A en B opgelegd. Er is o.a. geen duidelijkheid over de status van de bedrijfswoning en geen duidelijkheid of er sprake is van gehele staking dan wel gedeeltelijke staking. Derhalve wordt ook de fiscale oudedagsreserve vooralsnog geheel afgerekend.

2. Kennisgeving Artikel 67k AWR (voornemen tot het opleggen van een vergrijpboete)

Naast de gevolgen voor de belastingheffing ben ik voornemens over de correcties een vergrijpboete op te leggen […]

De voorgenomen vergrijpboete bedraagt 50% en heeft als grondslag het bedrag van:

Voor wat betreft de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen:

De aanslag, voor zover deze is gebaseerd op de correcties A en B genoemd onder punt 1. Van deze brief.

Ik ben van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet. De gronden zijn hierna vermeld.

U (uw cliënt) heeft willens en wetens premies lijfrente in aftrek gebracht die bedongen zijn bij een BV die geen toegelaten verzekeraar is, met als gevolg dat onjuist aangifte gedaan is. Er is dus sprake van opzet.

U (uw cliënt) heeft willens en wetens de boekwinst op het melkquotum die is opgekomen in de onderneming van [eise[eiser]s] [eiseres]-[eiseres] welke niet is gebruikt voor herinvestering door [eise[eiser]s] [eiseres]-[eiseres] in dezelfde onderneming, doorgesluisd naar een andere onderneming in het buitenland.

Er is dus sprake van opzet.

Voor beide punten geldt tevens dat op het moment dat de aangifte werd ingediend (16 mei 2003) het besluit van 16 januari 2003 nr. CPP2002/3543M reeds geruime tijd was gepubliceerd, zodat het aan u (uw cliënt) duidelijk moest zijn dat deze handelingen door de Belastingdienst worden bestreden. U (uw cliënt heeft zich er niet van vergewist of de handelingen fiscaal worden goedgekeurd, terwijl dit gezien de omvang daarvan en het gepubliceerde besluit wel mocht worden verwacht. Derhalve is ook op deze grond sprake van (voorwaardelijk) opzet.

[…]

2.2.2 De kennisgeving betreffende [eiseres] luidt:

[…]

Hierna leest u onder punt 1 waarom ik van de aangifte afwijk.

Onder punt 2 leest u mijn voornemen tot het opleggen van een vergrijpboete en hoe u daarop kunt reageren.

1. Afwijking(en) per onderdeel van de aangifte

Inkomen uit werk en woning (box 1)

Uit mijn gegevens blijkt dat de ondernemer een BV heeft opgericht. Het in het bedrijf aanwezige melkquotum is verkocht in de (voor)vóórperiode. Ik bestrijd deze constructie waarmee is gewerkt om de belastingheffing over de verkoop van het quotum te ontgaan. Dit heeft de volgende correcties tot gevolg:

A. Geen aftrek lijfrente € 225.059,--

B. Meer boekwinst melkquotum € 168.984,--

C. Correctie winst ter behoud van rechten € 500.000,--

D. Gehele afrekening Fiscale oudedagsreserve ter behoud van rechten.

A. Toelichting: De (het deel van de) onderneming is niet overgedragen aan de BV als voortzetter, zodat deze geen toegelaten verzekeraar is.

B. Toelichting: de boekwinst op het melkquotum is opgekomen in de onderneming van [eiser] [eiseres] en wordt niet gebruikt voor herinvestering in dezelfde onderneming van [eiser] [eiseres].

C en D. U wenst niet mee te werken aan ons verzoek om een uitstelverklaring te ondertekenen. Zoals in onze brief van 22 oktober 2004 is aangegeven heeft dat tot gevolg dat een aanslag ter behoud van rechten wordt opgelegd. Deze correctie wordt naast de reeds bestaande correcties onder punt A en B opgelegd. Er is o.a. geen duidelijkheid over de

status van de bedrijfswoning en geen duidelijkheid of er sprake is van gehele staking dan wel gedeeltelijke staking. Derhalve wordt ook de fiscale oudedagsreserve vooralsnog geheel afgerekend.

2. Kennisgeving Artikel 67k AWR (voornemen tot het opleggen van een vergrijpboete)

Naast de gevolgen voor de belastingheffing ben ik voornemens over de correcties een vergrijpboete op te leggen […]

De voorgenomen vergrijpboete bedraagt 50% en heeft als grondslag het bedrag van:

Voor wat betreft de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen:

De aanslag, voor zover deze is gebaseerd op de correcties A en B genoemd onder punt 1. Van deze brief.

Ik ben van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet. De gronden zijn hierna vermeld.

U (uw cliënt) heeft willens en wetens premies lijfrente in aftrek gebracht die bedongen zijn bij een BV die geen toegelaten verzekeraar is, met als gevolg dat onjuist aangifte gedaan is. Er is dus sprake van opzet.

U (uw cliënt) heeft willens en wetens de boekwinst op het melkquotum die is opgekomen in de onderneming van [eiser] [eiseres] welke niet is gebruikt voor herinvestering door [eiser] [eiseres] in dezelfde onderneming, doorgesluisd naar een andere onderneming in het buitenland.

Er is dus sprake van opzet.

Voor beide punten geldt tevens dat op het moment dat de aangifte werd ingediend (16 mei 2003) het besluit van 16 januari 2003 nr. CPP2002/3543M reeds geruime tijd was gepubliceerd, zodat het aan u (uw cliënt) duidelijk moest zijn dat deze handelingen door de Belastingdienst worden bestreden. U (uw cliënt heeft zich er niet van vergewist of de handelingen fiscaal worden goedgekeurd, terwijl dit gezien de omvang daarvan en het gepubliceerde besluit wel mocht worden verwacht. Derhalve is ook op deze grond sprake van (voorwaardelijk) opzet.

[…]

2.3 De Inspecteur heeft aan [eiseres] en [eiseres] op 31 december 2004 aanslagen inkomstenbelasting/premieheffing 2001 opgelegd, met daarin begrepen vergrijpboete en heffingsrente, tot bedragen van respectievelijk € 603.483,00 en € 609.972,00.

2.4 [eiseres] en [eiseres] hebben op 18 januari 2005 bezwaarschriften daartegen ingediend. Daarop is nog niet beslist.

2.5 [eiseres] en [eiseres] hebben daarbij verzocht om uitstel van betaling voor het volledige bedrag. De Ontvanger heeft hen doen weten daartoe slechts bereid te zijn tegen zekerheidsstelling voor het gehele openstaande bedrag.

2.6 De Ontvanger heeft op 22 juli 2005 dwangbevelen terzake de aanslagen uitgevaardigd.

3. Het geschil

in conventie

3.1 [eiseres] en [eiseres] vorderen - samengevat en zakelijk weergegeven - dat de rechtbank

- zal verklaren voor recht dat [eiseres] respectievelijk [eiseres] goed opposant is tegen het uitgevaardigde en de eventueel nog uit te vaardigen dwangbevelen terzake van de aanslagen inkomstenbelasting/premieheffing 2001 en dat deze dwangbevelen buiten effect zijn gesteld,

- zal verklaren voor recht dat de Ontvanger door het uitvaardigen daarvan onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] respectievelijk [eiseres] en aansprakelijk is voor de daardoor aan de zijde van [eiseres] respectievelijk [eiseres] ontstane schade, op te maken bij staat,

- met veroordeling van de Ontvanger in de kosten van dit geding.

3.2 Aan deze vorderingen leggen [eiseres] en [eiseres] het volgende ten grondslag.

[eiseres] en [eiseres] stellen voorop dat de aanslagen onjuist zijn en dat, ware dat anders, hun vermogen voldoende verhaalsmogelijkheden biedt. Het uitvaardigen van de dwangbevelen en de verdere tenuitvoerlegging is in strijd met het beleid dat is vastgelegd in de Leidraad Invordering 1990 (hierna: de Leidraad) en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dus onrechtmatig. Het besluit van de Ontvanger geen uitstel te verlenen is in strijd met het bepaalde in artikel 25 § 2 lid 3 van de Leidraad. Voorts handelt de Ontvanger onrechtmatig indien hij overgaat tot het invorderen van belastingaanslagen waarvan de juistheid, marginaal getoetst, zeer twijfelachtig is. In dit kader is van belang dat nog altijd geen uitspraak op het bezwaar is gedaan. Aan de beschikkingen ontbreekt een behoorlijke motivering en niet blijkt dat deze na een zorgvuldige afweging van belangen tot stand gekomen zijn, en ook dat is onrechtmatig.

3.3 De Ontvanger voert gemotiveerd verweer.

in reconventie

3.4 De Ontvanger vordert - samengevat en zakelijk weergegeven - dat de rechtbank

- zal bepalen dat het door [eiseres] en [eiseres] gedane verzet tegen de dwangbevelen geen schorsende werking heeft, althans die schorsende werking daaraan zal ontzeggen,

- [eiseres] en [eiseres] zal veroordelen te dulden dat de Ontvanger de dwangbevelen ten uitvoer legt door alle middelen rechtens, in het bijzonder door het leggen van executoriale beslagen,

- met veroordeling van [eiseres] en [eiseres] in de kosten van dit geding.

3.5 Aan deze vordering legt de Ontvanger het volgende ten grondslag.

Het is evident dat het verzet van [eiseres] en [eiseres] kansloos is. Deze procedures hebben dus slechts tot doel oneigenlijk gebruik te maken van de schorsende werking van artikel 17 lid 2 Invorderingswet. Het belang van [eiseres] en [eiseres] bij de schorsende werking van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel weegt dan ook niet op tegen het belang van de Ontvanger bij voortzetting van de invordering middels het leggen van executoriale beslagen in Nederland. [eiseres] en [eiseres] maken misbruik van hun bevoegdheid door met dit verzet de schorsing van de tenuitvoerlegging te bewerkstelligen.

3.6 [eiseres] en [eiseres] voeren gemotiveerd verweer.

4. De beoordeling

in conventie

4.1 In het kader van de beoordeling van het verzet van [eiseres] en [eiseres] zijn artikel 17 lid 3 Invorderingswet en artikel 17 § 1 lid 3 Leidraad van belang. Volgens artikel 17 lid 3 Invorderingswet 1990 kan het verzet niet zijn gegrond op de stelling dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. En artikel 17 § 1 lid 3 Leidraad luidt: […] Hoewel artikel 17, derde lid, van de wet als grond van verzet onder meer uitsluit de stelling dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld, is niettemin in de rechtspraak aangenomen dat verzet bij de burgerlijke rechter mogelijk is tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel uitgevaardigd terzake van een belastingaanslag waarvan de materiële verschuldigdheid zo twijfelachtig is dat de ontvanger in redelijkheid niet tot de beslissing had kunnen komen om tot tenuitvoerlegging over te gaan. […].

4.2 De rechtbank behoeft in deze procedure derhalve niet de juistheid van de belastingaanslag te beoordelen. Wel zal zij marginaal dienen te toetsen of de materiële verschuldigdheid zo twijfelachtig is dat de ontvanger in redelijkheid niet tot de beslissing had kunnen komen om tot tenuitvoerlegging over te gaan.

4.3 [eiseres] en [eiseres] stellen het volgende (in hun dagvaardingen sub 2): De door de inspecteur aangebrachte correcties zagen op de fiscale gevolgen van de inbreng van een gedeelte van de onderneming in een B.V. en de verkoop van melkquotum. Kortgezegd komt het er op neer dat [eiseres] (in de procedure met rolnummer 04-1465) / [eiseres] (in de procedure met rolnummer 04-1466) van mening is dat voor de gerealiseerde winst een herinvesteringsreserve gevormd kan worden en een lijfrente bedongen kan worden zodat in 2001 hierover geen inkomstenbelasting verschuldigd is. De inspecteur is een andere mening toegedaan; hij wijst de vorming van de herinvesteringsreserve en de lijfrente af en corrigeert bovendien de winst “ter behoud van rechten” tot een bedrag van € 500.000,00 en stelt daarnaast ook nog dat de fiscale oudedagsreserve afgerekend dient te worden. Als klap op de vuurpijl zou daarnaast sprake zijn van “opzet” waarvoor een boete van 50% over de verschuldigde belasting wordt opgelegd. Daarmede maken [eiseres] en [eiseres] wel duidelijk dat de Ontvanger met haar van mening verschilt en op welke punten, maar maakt zij geenszins aannemelijk dat het standpunt van de Ontvanger en daarmede de materiële verschuldigdheid van het bedrag van de belastingaanslag twijfelachtig zou zijn. De onderbouwing van hun standpunt door [eiseres] en [eiseres] is daartoe onvoldoende.

4.4 De rechtbank is dan ook van oordeel dat onvoldoende is aangevoerd om te kunnen concluderen dat de materiële verschuldigdheid zo twijfelachtig is dat de Ontvanger in redelijkheid niet tot de beslissing had kunnen komen om tot tenuitvoerlegging over te gaan.

4.5 Artikel 25 § 2 lid 2 Leidraad bepaalt dat in het algemeen, ongeacht de hoogte van het bestreden bedrag en onder door de Ontvanger te stellen voorwaarden, gunstig wordt beslist op een verzoek om uitstel van betaling in verband met een tijdig ingediend bezwaarschrift. Volgens artikel 25 § 2 lid 3 Leidraad kan de Ontvanger als voorwaarde voor het verlenen van uitstel van betaling zekerheid verlangen voor de betwiste belastingschuld, waarbij in beginsel alleen zekerheid wordt gevraagd als de aard en omvang van de belastingschuld in relatie tot de bij de Ontvanger bekende verhaalsmogelijkheden daartoe aanleiding geven. De betwiste belastingschulden belopen € 603.483,00 en € 609.972,00.

De Ontvanger heeft betwist dat hem bekend is dat het vermogen van [eiseres] en [eiseres] voldoende verhaalsmogelijkheden biedt om de belastingschulden te betalen. Daarbij heeft hij erop gewezen dat [eiseres] en [eiseres] nog geen aangifte hebben gedaan over 2004 en 2005. Hun stelling dat voldoende verhaalsmogelijkheden bestaan, hebben [eiseres] en [eiseres] niet onderbouwd, ook niet na het hiervoor weergegeven verweer van de Ontvanger dat hij onbekend is met de verhaalsmogelijkheden. In verband met dat gebrek aan onderbouwing zullen [eiseres] en [eiseres] niet tot het bewijs van die stelling van hen worden toegelaten. Derhalve is niet komen vast te staan dat voldoende verhaalsmogelijkheden aanwezig zijn. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de Ontvanger, na afweging van de betrokken belangen, als voorwaarde voor het verlenen van uitstel van betaling zekerheid heeft kunnen verlangen. Dat het aangifte- en betalingsgedrag van [eiseres] en [eiseres] in het verleden geen problemen heeft gegeven, kan daaraan niet afdoen. De Ontvanger heeft in dit verband derhalve niet in strijd gehandeld met de Leidraad.

4.6 [eiseres] en [eiseres] hebben ter comparitie voorts nog aangevoerd dat het in strijd is met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) indien het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd voor zover het betrekking heeft op de boete ten bedrage van € 100.895,00 die [eiseres] en [eiseres] is opgelegd. Deze stelling hebben zij niet onderbouwd. Daaromtrent overweegt de rechtbank het volgende. Volgens vaste jurisprudentie is artikel 6 EVRM toepasselijk op het opleggen van fiscale boetes. Dit staat er echter niet aan in de weg dat de invordering van fiscale boetes geschiedt krachtens de bepalingen van de invorderingswetgeving. Ook met betrekking tot een fiscale boete geldt derhalve hetgeen in r.ov. 4.1-4.4 is overwogen met betrekking tot de aanslag.

4.7 Dat de Ontvanger overigens in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dan wel anderszins onrechtmatig heeft gehandeld, is niet gebleken.

4.8 Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het verzet ongegrond is en dat de Ontvanger niet onrechtmatig heeft gehandeld door de uitvaardiging van het dwangbevel en niet aansprakelijk is voor daardoor aan de zijde van [eiseres] en [eiseres] ontstane schade. De vorderingen zullen worden afgewezen.

4.9 [eiseres] en [eiseres] zullen worden veroordeeld in de kosten van de gedingen in conventie. Voor wat betreft het salaris procureur zal in elk van beide procedures de helft van het toepasselijke liquidatietarief worden toegekend, nu in beide procedures identieke processtukken zijn genomen en tegelijkertijd een comparitie van partijen is gehouden. De kosten bedragen in elk van beide procedures tot heden:

vast recht € 244,00

salaris procureur € 2.580,00 (2 punten x € 2.580,00 volgens tarief VII x 50%)

€ 2.824,00

in reconventie

4.10 Het uitgangspunt van de wet is dat schorsende werking is verbonden aan het doen van verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel. Of het verzet van [eiseres] en [eiseres] kansloos is waardoor zij met de verzetprocedure een oneigenlijk doel nastreven en misbruik van hun bevoegdheid tot het doen van verzet maakt, zoals de Ontvanger stelt, kan de rechtbank in het kader van deze procedure, waarin slechts een marginale toetsing van de handelwijze van de Ontvanger aan de orde is, niet beoordelen. Nu de Ontvanger die stelling – misbruik van recht – ten grondslag legt aan zijn reconventionele vorderingen, zullen deze worden afgewezen. Indien de Ontvanger, zoals hij aanvoert, belang heeft bij voortzetting van de invordering middels het leggen van executoriale beslagen hier te lande, kan dat niet tot een andere beslissing leiden.

4.11 De Ontvanger zal worden veroordeeld in de kosten van de gedingen in reconventie. De vordering van de Ontvanger dient in verband met de berekening van het salaris procureur volgens het liquidatietarief te worden beschouwd als een zelfstandige vordering. In elk van beide procedures zal de helft van het toepasselijke liquidatietarief worden toegekend, nu in beide procedures identieke processtukken zijn genomen en tegelijkertijd een comparitie van partijen is gehouden. De kosten bedragen in elk van beide procedures tot heden:

salaris procureur € 2.580,00 (2 punten x € 2.580,00 volgens tarief VII x 50%)

5. De beslissing

De rechtbank

in de zaak met zaaknummer/rolnummer 130249 / HA ZA 05-1465

in conventie

wijst de vordering af,

veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van de Ontvanger en tot aan dit vonnis begroot op € 2.824,00,

verklaart dit vonnis in conventie voor wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

wijst de vorderingen af,

veroordeelt De Ontvanger in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van [eiseres] en tot aan dit vonnis begroot op € 2.580,00,

in de zaak met zaaknummer/rolnummer 130250 / HA ZA 05-1466

in conventie

wijst de vordering af,

veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van de Ontvanger en tot aan dit vonnis begroot op € 2.824,00,

verklaart dit vonnis in conventie voor wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

wijst de vorderingen af,

veroordeelt De Ontvanger in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van [eiseres] en tot aan dit vonnis begroot op € 2.580,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2006.