Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AY0298

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-06-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
415163 \ CV EXPL 05-8332
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Eiser rijdt op verzoek van zijn vriendin en in haar bijzijn eenmalig in de op diesel rijdende auto die haar werkgeefster heeft geleased en aan haar ter beschikking gesteld. Eiser tankt per abuis benzine, met schade aan de motor als gevolg. Hij meldt de schade bij zijn WA-verzekeraar, die dekking weigert op grond van de in de polis opgenomen opzichtclausule. Verweer verzekeraar faalt, omdat eiser geen duurzame, maar een incidentele relatie met de auto had."

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2006/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Arnhem

zaakgegevens 415163 \ CV EXPL 05-8332 \ MS/174/cl

uitspraak van 26 juni 2006

Vonnis

in de zaak van

[eiser]

wonende te 's-Gravenhage

eisende partij

gemachtigde mr. J.A. Huijgen

tegen

de naamloze vennootschap Ohra Schadeverzekeringen N.V.

gevestigd te Arnhem

gedaagde partij

gemachtigde mr. F.M. van Sloun

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit

- de dagvaarding van 10 oktober 2005 met producties

- de conclusie van antwoord met producties

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

De vaststaande feiten

1. [eiser] is met ingang van 1 april 2003 bij Ohra verzekerd tegen aansprakelijkheid. Op die verzekering zijn de Polisvoorwaarden Woonverzekeringen van toepassing.

2. Artikel 11 van de polisvoorwaarden sluit in lid 4 (‘opzicht’) onder 3 van dekking uit de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade

aan motorrijtuigen (…) die een verzekerde of iemand namens hem/haar onder zich heeft;

3. Artikel 9 van deze polisvoorwaarden omschrijft het begrip ‘opzicht’ als volgt:

De situatie waarin zaken aan de zorg van een verzekerde zijn toevertrouwd of waarin zaken bij een verzekerde in gebruik of bewerking zijn. Er moet bovendien een min of meer duurzame, dus niet incidentele relatie tussen de verzekerde en de beschadigde zaak bestaan. De maatschappij kijkt daarbij niet alleen naar de tijd, dat de verzekerde de zaak onder zich heeft, maar ook naar de intentie van de verzekerde.

4. Mevrouw [partner eiser], de vriendin van [eiser], is werkzaam bij het ANP. Het ANP heeft haar een lease-auto ter beschikking gesteld, te weten een Peugeot 307 die op diesel rijdt.

5. Op eerste of tweede kerstdag van 2004 waren [eiser] en [partner van eiser] vanuit Den Haag op weg naar Amersfoort om kerstmis te vieren bij de ouders van [eiser]. ([eiser] stelt onbetwist dat de datum zaterdag 26 december 2004 was. Tweede kerstdag 2004 viel evenwel op een zondag.) [eiser] en [partner van eiser] reisden in de lease-auto van [partner van eiser]. Omdat [partner van eiser] last had van een peesontsteking bestuurde [eiser] op haar verzoek de auto.

6. Nadat zij om circa 18:30 uur in Amersfoort waren aangekomen heeft [partner van eiser] aan [eiser] gevraagd om diesel te tanken. [eiser] heeft aan dat verzoek gehoor gegeven, maar per ongeluk benzine getankt in plaats van diesel. Als gevolg daarvan is er schade ontstaan aan de motor van de lease-auto van [partner van eiser]. [eiser] heeft de schade de volgende dag gemeld bij zijn aansprakelijkheidsverzekeraar Ohra.

7. De kosten van de reparatie van de schade aan de lease-auto bedragen € 5.240,25 inclusief BTW. De leasemaatschappij heeft deze schade bij factuur van 17 februari 2005 bij het ANP in rekening gebracht. Bij brief gedateerd 1 maart 200 (de kantonrechter leest: 1 maart 2005) heeft het ANP [eiser] voor de schade aansprakelijk gesteld en hem verzocht deze te vergoeden.

8. Bij brief van 3 maart 2005 heeft [eiser] de brief waarbij het ANP hem aansprakelijk heeft gesteld aan Ohra doorgestuurd met het verzoek om de schade af te wikkelen. Bij brief van 6 april 2005 heeft Ohra [eiser] als volgt bericht:

Hiermee komen wij terug op uw schademelding.

In artikel 11 lid 4 onder punt 3 van de polisvoorwaarden Woonverzekeringen staat dat bij opzicht niet verzekerd is de aansprakelijkheid voor schade aan motorrijtuigen (…) die u onder u heeft. In artikel 9 van de polisvoorwaarden Woonverzekeringen is het begrip opzicht nader omschreven. Uit onze informatie blijkt dat u het motorrijtuig op het moment van de schade onder u had.

Los van de vraag of u al of niet aansprakelijk bent, kunnen wij uw schade vanwege het ontbreken van dekking dan ook niet in behandeling nemen.

(…)

De vordering en het verweer

9. [eiser] heeft gevorderd dat Ohra bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan het ANP althans aan hem van een bedrag van € 5.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2005 (de dag der dagvaarding), althans een zodanige beslissing te nemen als de kantonrechter in de gegeven omstandigheden geraden acht, met veroordeling van Ohra in de proceskosten.

10. [eiser] heeft in het licht van de vaststaande feiten aan deze vordering het volgende ten grondslag gelegd. Hij is bij Ohra verzekerd tegen schade waarvoor hij aansprakelijk is. Op grond van die verzekering is Ohra gehouden de schade te vergoeden die [eiser] aan de lease-auto van zijn vriendin heeft veroorzaakt doordat hij daarin per ongeluk benzine heeft getankt in plaats van diesel. [eiser] heeft zijn vordering beperkt tot € 5.000,- zodat hij deze bij de kantonrechter kon instellen. Hij heeft verklaard het verschil met de totale schade van € 5.240,25 zelf te zullen dragen.

11. Ohra heeft de vordering gemotiveerd betwist. Haar verweren worden bij de beoordeling aan de orde gesteld.

De beoordeling

12. Ohra heeft aangevoerd dat [eiser] de lease-auto onder zich had toen hij de schade veroorzaakte. Hij bestuurde de auto immers en heeft ook getankt. Volgens artikel 11 lid 4 onder 3 van de polisvoorwaarden (de opzichtclausule) is de schade daarom volgens Ohra niet gedekt.

[eiser] heeft primair betwist dat hij, toen hij de schade veroorzaakte, de lease-auto onder zich had in de zin van de polis. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Ohra een beroep doet op de opzichtclausule.

13. Aldus moet primair worden beoordeeld of [eiser] toen hij de schade veroorzaakte de auto onder zich had in de zin van artikel 11 van de polisvoorwaarden, waarbij de omschrijving van het begrip ‘opzicht’ in artikel 9 van de polisvoorwaarden als maatstaf kan worden gehanteerd. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.

Allereerst staat vast dat [partner van eiser] zelf als bijrijder in de auto aanwezig was toen [eiser] deze bestuurde en toen hij de verkeerde brandstof tankte. De reis ging naar de ouders van [eiser] om daar kerstmis te vieren. Deze reis was relatief kort (van Den Haag naar Amersfoort en terug) en werd op één avond voltooid. Ohra heeft niet betwist dat [partner van eiser] last had van een peesontsteking en om die reden niet zelf heeft gereden maar aan [eiser] heeft gevraagd om dat te doen. Het is gesteld noch gebleken dat de intentie van [eiser] verder strekte dan dat hij om die reden voor deze keer op verzoek van [partner van eiser] in haar lease-auto zou rijden. Onder deze omstandigheden dient de relatie tussen [eiser] en de lease-auto niet te worden beschouwd als een min of meer duurzame, maar als een incidentele relatie, zodat Ohra ten onrechte een beroep heeft gedaan op de opzichtclausule.

14. Daar komt het volgende bij. De kans dat een verzekerde schade toebrengt aan zaken die aan een derde toebehoren, is groter in gevallen waarin die zaken onder het opzicht van die verzekerde staan dan in gevallen waarin dat niet zo is. Daarom wordt om verzekeringstechnische redenen schade die de verzekerde toebrengt aan zaken die onder zijn opzicht staan van dekking uitgesloten. Hierin is de ratio gelegen van de opzichtclausule. In het onderhavige geval is niet aannemelijk geworden dat de kans op het ontstaan van de schade is vergroot doordat [eiser] de auto waarin hij verkeerde brandstof heeft getankt voor- en nadien ook heeft bestuurd. Het is immers heel wel mogelijk dat [partner van eiser] haar vriend en bijrijder [eiser] zou hebben gevraagd te tanken ook in het geval dat zij zelf zou hebben gereden, terwijl het vaststaat dat de schade aan de auto geen andere oorzaak heeft dan dat [eiser] verkeerde brandstof heeft getankt. Het zou daarom niet in overeenstemming zijn met de ratio van de clausule om onder deze omstandigheden geen dekking te verlenen. Ook daarom moet worden geoordeeld dat Ohra ten onrechte een beroep op de opzichtclausule heeft gedaan.

15. Ohra heeft voorts aangevoerd dat niet is gebleken dat [eiser] aansprakelijk is voor de schade aan de auto. Zoals [eiser] terecht aanvoert is degene die schade veroorzaakt, bijzondere omstandigheden daargelaten, verplicht die schade te vergoeden. Het had op de weg van Ohra gelegen om, als zij van mening is dat zich in dit geval een bijzondere omstandigheid voordoet op grond waarvan [eiser] niet aansprakelijk is voor de door hem veroorzaakte schade, haar stellingname deugdelijk te onderbouwen en zonodig te bewijzen.

16. Ohra heeft in haar conclusie van dupliek nog aangevoerd, dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen omdat niet vaststaat dat de door hem veroorzaakte schade is vergoed aan de leasemaatschappij. Hij zou onder die omstandigheden geen belang hebben bij zijn vordering. [eiser] heeft niet meer op die stellingname kunnen reageren. Het belang volgt echter al uit hetgeen hij in een wat ander verband in de namens hem genomen conclusie van repliek sub 7 heeft aangevoerd, namelijk dat hij (juist) een beroep op zijn verzekeringsmaatschappij heeft gedaan omdat hij de schade niet zelf kan dragen. Nu, zoals uit de vorige overweging volgt, ervan uit moet worden gegaan dat [eiser] schadeplichtig is en hij de aansprakelijkheid voor de schade ook heeft erkend, is het de kantonrechter niet duidelijk op welke rechtsregel Ohra zich in dit verband baseert.

17. De kantonrechter leest de vordering van [eiser] zo dat hij primair betaling aan het ANP en subsidiair betaling aan zichzelf vordert. Omdat er niets aan toewijzing van de primaire vordering in de weg staat, zal deze worden toegewezen, zodat de subsidiaire vordering niet meer aan de orde behoeft te komen.

18. Ohra wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten.

De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt Ohra tot betaling van een bedrag van € 5.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 oktober 2005 aan het Algemeen Nederlands Persbureau (op rekeningnummer ABN AMRO Bank 51.52.08.124 o.v.v. schade Peugeot 307, kenteken

89-NZ-BN);

veroordeelt Ohra in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van [eiser] begroot op € 85,60 aan explootkosten, € 192,- aan vast recht en € 500,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.I.A. Schlaghecke-Bouman en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2006.