Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AX9314

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-06-2006
Datum publicatie
26-06-2006
Zaaknummer
AWB 05/5272 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Strafontslag onevenredig. Anonieme verklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 05/5272 AW

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

en

de Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 8 november 2005

2. Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2005 heeft verweerder eiser op grond van artikel 100, eerste lid sub l, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard) met ingang van 1 mei 2005 de straf van ontslag opgelegd.

Bij het onder 1 genoemde besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 27 april 2005 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld op de zitting van de rechtbank van 2 juni 2006. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.J.M.C.I. Janischka, werkzaam bij CNV Publieke Zaak te Apeldoorn. Verweerder heeft zich daar doen vertegenwoordigen door mw. mr. T. Bozilovic, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

3. Overwegingen

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser, sinds 1975 in dienst bij verweerder, is vanaf 1 oktober 1985 aangesteld in vaste dienst in de functie van zelfstandig werkend kok. Sinds maart 2003 bestaat er kritiek op zijn functioneren. Eiser zou de arbeidsrelatie verstoren waardoor collega’s niet meer met hem willen samenwerken, te vroeg weggaan waardoor anderen zijn werkzaamheden moeten overnemen en een onaangename - naar alcohol riekende - lucht verspreiden. In juni 2003 zijn met eiser werkafspraken gemaakt om zijn functioneren te verbeteren. In verband met onwenselijke gedragingen van eiser op 27 juni 2003 is hem op 19 augustus 2003 een formele waarschuwing gegeven. Naar aanleiding van een melding van soortgelijke gedragingen (permanent schreeuwen, ongestructureerd en chaotisch gedrag, alcoholgeur) op 6 juli 2004 is na een daartoe ingesteld onderzoek niet gebleken dat eiser zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Wel is eiser in verband hiermede bij brief van 19 november 2004 erop gewezen dat zijn gedrag door zijn leidinggevende als aanstotelijk is ervaren en is eiser opnieuw aangezegd dat bij herhaling van dergelijk gedrag - waaronder het gebruik van alcohol buiten diensturen waardoor de werkomgeving in negatieve wijze wordt beïnvloed - passende maatregelen zullen worden getroffen.

Op 22 maart 2005 is aan de directeur van [naam dienst] - het na een reorganisatie in 2004 tot stand gekomen dienstonderdeel waar eiser werkzaam was - gemeld dat eiser zich mogelijk aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Bij brief van diezelfde datum is eiser op grond van artikel 109, tweede lid, sub c van het Bard met onmiddellijke ingang in zijn ambt geschorst.

Naar aanleiding van genoemde melding heeft verweerder een 'Commissie van Onderzoek' (verder: de commissie) ingesteld, die het vermeende plichtsverzuim van eiser heeft onderzocht. Deze commissie heeft eiser en een aantal van zijn collega’s gehoord. De commissie heeft in haar rapport van 25 april 2005 (samengevat) geconcludeerd dat eiser de arbeidsrelatie op de werkvloer verstoort waardoor veel van eiseres collega’s niet meer met hem willen samenwerken, dat eiser geregeld te vroeg vertrekt waardoor anderen zijn werk moeten overnemen, dat eiser werkafspraken niet nakomt waardoor de lokale bedrijfsvoering ernstig verstoord wordt en dat hij er onverzorgd uitziet en agressief gedrag vertoont hetgeen door de collega's wordt toegeschreven aan drankgebruik. Ten slotte acht de commissie aangetoond dat eiser zich tegenover een tweetal vrouwelijke collega's aan seksuele intimidatie heeft schuldig gemaakt. De commissie heeft verweerder op grond van het vorenstaande geadviseerd eiser op grond van plichtsverzuim strafontslag te verlenen, omdat hij ondanks herhaaldelijke waarschuwingen en het aanbieden van middelen om hulp voor zijn problemen te zoeken zijn gedrag niet heeft verbeterd.

Verweerder heeft eiser vervolgens bij besluit van 27 april 2005, gelet op de resultaten van het onderzoek, met ingang van 1 mei 2005 op grond van artikel 100, eerste lid, sub l, van het Bard, de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Dit besluit is bij het thans bestreden besluit gehandhaafd. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat op grond van het onderzoek van de commissie voldoende vaststaat dat eiser (werk)afspraken niet is nagekomen, (daardoor) de bedrijfsvoering heeft verstoord en gedrag heeft vertoond dat niet strookt met hetgeen van een goed ambtenaar mag worden verwacht. Ook verwijt verweerder eiser dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele handtastelijkheden.

Eiser heeft toegegeven dat hij fouten heeft gemaakt en mogelijk werkafspraken niet nagekomen is, maar heeft ontkend dat hij een alcoholprobleem heeft, dat hij zich agressief opstelt naar klanten of collega’s en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel ongewenst gedrag. Hij vindt het strafontslag onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder, gezien eisers zeer lange dienstverband, onvoldoende met zijn belangen rekening heeft gehouden.

De rechtbank moet beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Op grond van artikel 99, eerste lid, van het Bard kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. Op grond van het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Op grond van artikel 100, eerste lid, onder l, van het Bard kan de disciplinaire straf van ontslag worden opgelegd.

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam komen vast te staan dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Uit de talrijke verklaringen die zijn afgelegd in het kader van het onderzoek door de commissie blijkt weliswaar niet welke concrete feiten of incidenten zich op 21 maart 2005 hebben voorgedaan, maar rijst wel een beeld op van een ambtenaar die zich, ondanks een tweetal waarschuwingen, regelmatig niet houdt aan gemaakte werkafspraken, zoals het strikt in acht nemen van voorschriften omtrent de vereiste hygiëne, de wijze van bejegening van klanten en een correcte persoonlijke verzorging en kleding. Daarbij is tevens genoegzaam gebleken dat eiser tijdens werktijden regelmatig een naar alcohol ruikende lucht verspreidt, hetgeen ergernissen oproept en het vermoeden wettigt dat eiser niet altijd (geheel) nuchter op zijn werk verschijnt. Zoals ter zitting door verweerder is bevestigd was op 21 maart 2005 voor eisers leidinggevenden kennelijk de maat vol en vormde eisers optreden en gedrag op die datum de druppel die de emmer deed overlopen.

De rechtbank acht evenwel onvoldoende komen vast te staan dat eiser ongewenst seksueel gedrag heeft vertoond jegens twee vrouwelijke collega’s. Deze beschuldigingen berusten op een tweetal anonieme verklaringen welke door eiser niet kunnen worden geverifieerd en waartegen hij zich derhalve onvoldoende kan verweren. Op grond van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep kan aan dergelijke verklaringen slechts een zeer beperkte betekenis worden gehecht en dan ook alleen in samenhang met uit andere bron afkomstige wél controleerbare gegevens. Nu deze gegevens ontbreken, omdat geen verklaringen aanwezig zijn van personen die bedoelde handtastelijkheden hebben waargenomen terwijl eiser deze ten stelligste ontkent, kan aan de anonieme verklaringen van de twee vrouwelijke collega’s van eiser niet de betekenis worden toegekend die verweerder hieraan toegekend wenst te zien.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het aan eiser verweten plichtsverzuim geacht moet worden alleen te hebben plaatsgevonden in het kader van eisers dagelijkse functievervulling. Zulks laat echter onverlet dat verweerder op grond daarvan bevoegd was eiser disciplinair te straffen. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of de opgelegde straf niet onevenredig is aan de aard en omvang van het plichtsverzuim, waarbij tevens in de beschouwing moet worden betrokken of het plichtsverzuim eiser ten volle valt toe te rekenen.

De rechtbank overweegt in dit verband op de eerste plaats dat uit de stukken - en dan met name het rapport van de commissie - niet duidelijk is geworden welke concrete gedragingen eiser op de te dezen relevante datum, 21 maart 2005, precies zijn verweten, zodat derhalve evenmin kan worden vastgesteld of die gedragingen op zich zodanige vormen hebben aangenomen dat zij, in het kader van doorgaand gedrag van eiser, de directe aanleiding konden vormen eiser de zwaarst mogelijke straf op te leggen. Verder blijkt uit een verslag van een op 24 februari 2005 gehouden functioneringsgesprek dat slechts bij het onderdeel 'gedrag' enkele handgeschreven aantekeningen zijn gemaakt waaruit, voor zover leesbaar, moet worden afgeleid dat eiser 180 graden moet veranderen en dat zulks vanuit eiser zelf moet komen. Vervolgafspraken, behoudens de vaststelling van een datum voor het volgende gesprek, zijn blijkens dit verslag niet gemaakt, noch zijn andere maatregelen aangekondigd. Ten slotte staat vast dat eiser op 28 november 2004 arbeidsongeschikt is geworden, naar zijn zeggen als gevolg van een te hoge werkdruk en wegens klachten op grond van een burn-out, en dat hij zijn werkzaamheden aanvankelijk gedurende 4 uur en vanaf 28 februari 2005 voor 6 uur per dag heeft hervat. Ter zitting is gebleken dat eiser enkele dagen voor 21 maart 2005 volledig had hervat.

Op grond van deze feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de zwaarst mogelijke straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim, voor zover dat is komen vast te staan. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat eisers kennelijk reeds langer bestaande gebrekkige functioneren tot 21 maart 2005 geen aanleiding heeft gevormd voor het treffen van disciplinaire maatregelen, noch voor het vaststellen van een concreet en in tijd afgebakend verbetertraject, waaraan bij niet nakoming door eiser een ontslagdreiging was verbonden. De eerder gegeven waarschuwingen, die moeten worden gerelateerd aan 2 incidenten naar aanleiding van ongewenste effecten van alcoholgebruik (buiten werktijd), kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet als zodanig worden opgevat. Niet is gebleken dat eiser zich op 21 maart 2005 zich aan eenzelfde gedraging heeft schuldig gemaakt. Verder heeft de rechtbank moeten vaststellen dat verweerder heeft verzuimd te onderzoeken of het plichtsverzuim volledig aan eiser kan worden toegerekend. Het had, gezien eisers recente ziektegeschiedenis, alleszins in de rede gelegen dat verweerder zich door tussenkomst van de bedrijfsarts ervan had vergewist of de gezondheidstoestand van eiser mogelijk van invloed is geweest op zijn gedragingen in het algemeen en die op 21 maart 2005 in het bijzonder.

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit niet op een toereikende feitelijke grondslag berust en voorts niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen, zodat het voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eiser moeten nemen.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644 ter zake van rechtsbijstand. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Zulks leidt, mede gezien artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644, te betalen door de Staat der Nederlanden;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht van € 138 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries als rechter in tegenwoordigheid van mr. A.J. Holtrop, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2006.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: