Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AX9255

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-06-2006
Datum publicatie
23-06-2006
Zaaknummer
05/650696-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 waardoor een ander is gedood. Verdachte is als chauffeur van een ambulance, die met spoed op weg was naar een melding, met een andere auto in aanrijding gekomen. Een inzittende van die auto kwam daardoor om het leven. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag van verdachte.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2007, 159
JWR 2006/49 met annotatie van TvdP
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/650696-06

Datum zitting : 9 juni 2006

Datum uitspraak : 23 juni 2006

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. P.W. van der Kruijs, advocaat te 's-Hertogenbosch.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 30 november 2005, te Duiven in de gemeente Duiven

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten

een ambulance (auto), als bedoeld in artikel 1 onder a1 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990, terwijl dat motorrijtuig optische en

geluidssignalen voerde als bedoeld in artikel 29 van voormeld reglement en

alszodanig een voorrangsvoertuig was in de zin van artikel 1 onder an van

voormeld reglement, daarmede op de weg, Oostsingel, komende uit de richting

Zevenaar en gaande in de richting van de kruising van deze weg en de weg, de

Broekstraat,

zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam,

met zeer hoge snelheid, te weten een snelheid van ongeveer 140 km/u, althans

met een grotere snelheid dan de aldaar maximum toegestane snelheid van 80

kilometer per uur heeft gereden en/of gekomen ter hoogte van voormelde

kruising, terwijl de/het voor deze kruising geplaatste, in zijn, verdachtes

rijrichting gekeerd staande verkeerslicht/en rood licht uitstraalde/n, de

snelheid van dat motorrijtuig (ambulance) heeft teruggebracht tot een snelheid

ongeveer gelegen tussen de 94 en 114 kilometer per uur en/of de snelheid van

dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (ambulance) niet zodanig heeft

geregeld dat hij verdachte in staat was dat motorrijtuig (ambulance) tot

stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de

Oostsingel)kon overzien en/of waarover deze vrij was en/of terwijl die/dat

verkeerslicht/en nog rood licht uitstraalde/n, voormelde kruising met

laatstgenoemde snelheid, althans nagenoeg genoemde laatstgenoemde snelheid, is

opgereden, op het moment dat een over die Broekstraat, rijdend, -voor hem,

verdachte van links komend-, ander motorrijtuig (personenauto),dicht genaderd

was en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat andere

motorrijtuig (personeauto),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) werd

gedood;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 30 november 2005, te Duiven in de gemeente Duiven

als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een ambulance (auto), als

bedoeld in artikel 1 onder a1 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990, terwijl dat motorrijtuig optische en geluidssignalen

voerde als bedoeld in artikel 29 van voormeld reglement en alszodanig een

voorrangsvoertuig was in de zin van artikel 1 onder an van voormeld reglement,

daarmede op de weg, Oostsingel, komende uit de richting Zevenaar en gaande in

de richting van de kruising van deze weg en de weg, de Broekstraat, met zeer

hoge snelheid, te weten een snelheid van ongeveer 140 km/u, althans met een

grotere snelheid dan de aldaar maximum toegestane snelheid van 80 kilometer

per uur heeft gereden en/of gekomen ter hoogte van voormelde kruising, terwijl

de/het voor deze kruising geplaatste, in zijn, verdachtes rijrichting gekeerd

staande verkeerslicht/en rood licht uitstraalde/n, de snelheid van dat

motorrijtuig (ambulance) heeft teruggebracht tot een snelheid ongeveer gelegen

tussen de 94 en 114 kilometer per uur en/of terwijl die/dat verkeerslicht/en

nog rood licht uitstraalde/n, voormelde kruising met laatstgenoemde snelheid,

althans nagenoeg genoemde laatstgenoemde snelheid, is opgereden, op het moment

dat een over die Broekstraat, rijdend, -voor hem, verdachte van links komend-,

ander motorrijtuig (personenauto), dicht genaderd was en/of is gebotst tegen,

althans in aanrijding is gekomen met dat andere motorrijtuig (personeauto),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 9 juni 2006 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. P.W. van der Kruijs, advocaat te 's-Hertogenbosch.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd:

? [benadeelde partij].

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis en voorts tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], ten bedrage van € 2500,-, in zijn geheel wordt toegewezen en dat er een schade-vergoe-dings-maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De vraag of het bewijs van aanmerkelijk onvoorzichtig handelen in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid moet worden beantwoord aan de hand van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft onder meer verklaard vijf jaar ervaring te hebben als ambulancechauffeur. Voorts heeft verdachte verklaard bekend te zijn met de Oostsingel te Duiven en de kruising van deze weg met de Broekstraat. Verdachte moet naar het oordeel van de rechtbank derhalve bekend worden geacht met het feit dat het zicht op het betreffende kruispunt beperkt is. Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij kruispunten meestal voorzichtig oversteekt, en dat het zijn ervaring is dat het rijden met optische- en geluidssignalen geen extra veiligheid geeft, omdat er maar weinig verkeersdeelnemers zijn die de ambulance op tijd opmerken, ook indien deze zwaailicht en sirene voert. Daar komt bij dat het verkeerslicht voor verdachte op rood stond, zodat hij moest weten dat auto’s die stonden te wachten om de kruising van links of rechts over te steken, groen licht hadden en daarvan gebruik zouden kunnen gaan maken.

Voorts volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat verdachte met hoge snelheid voormelde kruising is opgereden. De raadsman heeft ter terechtzitting, naar aanleiding van het gehouden getuigenverhoor van de verbalisant [naam], gesteld dat de hoge snelheid niet kan worden afgeleid uit de gegevens van de op de ambulance aangebrachte black box. Wat hier van zij, ook uit diverse afgelegde getuigenverklaringen volgt dat verdachte met hoge snelheid de kruising is opgereden. Gelet op die verklaringen en de impact van de aanrijding, zoals blijkt uit de ongevalsanalyse van de Verkeers Ongevallen Dienst van de politie, acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij de kruising met 40 tot 50 kilometer per uur naderde en daarna vlak voor de kruising tot 70 à 80 kilometer per uur versnelde, niet aannemelijk.

Deze omstandigheden beziende acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag van verdachte. Ondanks het gegeven dat verdachte reed met optische- en geluidssignalen had hij, gelet op zijn beroepservaring, zijn kennis van de situatie ter plaatse, zijn ervaringen met de reacties van medeweggebruikers, en het feit dat hij rood licht had, met een veel lagere snelheid de kruising moeten oprijden. Doordat verdachte dit heeft nagelaten is het ongeval ontstaan, dat vermijdbaar was en verdachte kan worden aangerekend.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 30 november 2005, te Duiven in de gemeente Duiven

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten

een ambulance (auto), als bedoeld in artikel 1 onder a1 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990, terwijl dat motorrijtuig optische en

geluidssignalen voerde als bedoeld in artikel 29 van voormeld reglement en

alszodanig een voorrangsvoertuig was in de zin van artikel 1 onder an van

voormeld reglement, daarmede op de weg, Oostsingel, komende uit de richting

Zevenaar en gaande in de richting van de kruising van deze weg en de weg, de

Broekstraat, aanmerkelijk onvoorzichtig met zeer hoge snelheid, heeft gereden en gekomen ter hoogte van voormelde kruising, terwijl het voor deze kruising geplaatste, in zijn, verdachtes

rijrichting gekeerd staande verkeerslicht rood licht uitstraalde de snelheid van

dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (ambulance) niet zodanig heeft

geregeld dat hij verdachte in staat was dat motorrijtuig (ambulance) tot

stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de

Oostsingel)kon overzien enterwijl dat verkeerslicht nog rood licht uitstraalde, voormelde kruising is opgereden, op het moment dat een over die Broekstraat, rijdend, -voor hem,

verdachte van links komend-, ander motorrijtuig (personenauto),dicht genaderd

was en in aanrijding is gekomen met dat andere motorrijtuig (personenauto), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) werd

gedood;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Primair:

“overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood”

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 6 april 2006, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanmerkelijk onvoorzichtig rijden met een auto als gevolg waarvan er een aanrijding heeft plaatsgevonden waardoor een kind is overleden. Dit is een zeer ernstig feit. Een kind is het leven benomen en aan de ouders en andere nabestaanden van de omgekomen jongen is onnoemelijk leed toegebracht. De rechtbank heeft bij haar oordeel ook rekening gehouden met de gevolgen die het feit voor verdachte zelf heeft meegebracht en het feit dat verdachte niet eerder in aanraking is geweest met justitie. Voorts heeft de rechtbank in strafmaatverminderende zin rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte geen “gewone” automobilist was maar een ambulancechauffeur die in het kader van zijn werk met spoed op weg was naar een melding.

Verder is gebleken dat er weliswaar in het kader van de opleiding tot ambulancechauffeur een rijvaardigheidstraining wordt gegeven, doch deze is alleen gericht op de voertuigbeheersing. Een specifieke opleiding gericht op het verkrijgen van vaardigheid in het rijden met hoge snelheid op, tegenwoordig, drukke wegen vormt geen onderdeel van de opleiding, hetgeen gelet op de verhoogde zorgplicht die op dergelijke verkeersdeelnemers rust wel wenselijk is. In aansluiting hierop heeft de rechtbank vastgesteld dat geen interne richtlijnen en/of toetsingskader bestaan over hoe deel te nemen aan het verkeer in geval van een A1-melding.

De rechtbank is van mening dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een werkstraf in combinatie met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op zijn plaats is. Aangezien de rechtbank een lagere graad van schuld bewezen acht dan de officier van justitie zal aan verdachte een lagere straf worden opgelegd dan door de officier van justitie geëist is.

6a. De beoordeling van de civiele vorde-ring(en), alsmede de

gevor-derde op-legging van de schadevergoedings-maat-regel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vorde-ring, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

Met betrekking daartoe overweegt de rechtbank als volgt:

Nu het door de benadeelde partij geclaimde smartengeld als shockschade dient te worden beschouwd acht de rechtbank deze vordering niet van eenvoudige aard omdat daarvoor naast de normschending jegens het slachtoffer tevens een normschending jegens de naaste zelf moet hebben plaatsgevonden. De beoordeling daarvan dient aan de burgerlijke rechter te worden overgelaten.

Omdat de rechtbank de vordering van de benadeelde partij niet van eenvoudige aard acht zal deze vordering daarom niet ontvankelijk worden verklaard.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

A. het verrichten van een werkstraf gedurende 120 (eenhonderdentwintig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

Bepaalt voorts dat de termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij zich aan zodanige vrijheidsontneming heeft onttrokken.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 60 (zestig) dagen.

B. ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertui-gen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertui-gen niet zal worden tenuitvoerge-legd, ten-zij de rechter later anders mocht gelasten. De rechtbank stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren. De tenuitvoerleg-ging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het eind van de proef-tijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te [adres].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. M. Wesselink, als voorzitter,

mr. C. Lely-van Goch, rechter,

mr. M. Jurgens, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 juni 2006.