Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AX7761

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
09-06-2006
Zaaknummer
131224
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omkeringsregel; nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan Unigarant aannemelijk heeft gemaakt dat de aanrijding ook zonder de overtredingen van gedaagde zou zijn ontstaan en Unigarant heeft afgezien van het leveren van nader tegenbewijs, staat het onder 4.4 genoemde causaal verband vast, en ligt daarmee de cijfermatig niet bestreden vordering voor toewijzing gereed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 131224 / HA ZA 05-1634

Vonnis van 12 april 2006

in de zaak van

het rechtspersoonlijkheid bezittende orgaan

DE REGIOPOLITIE GELDERLAND-ZUID,

gevestigd te Nijmegen,

eiseres,

procureur mr. P.M. Wilmink,

advocaat mr. N. Lavrijssen te Eindhoven,

tegen

de naamloze vennootschap

UNIGARANT N.V.,

gevestigd te Hoogeveen,

gedaagde,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. B. Fluit te Amsterdam.

Partijen zullen hierna De Regiopolitie en Unigarant genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 november 2005;

- een brief van de zijde van De Regiopolitie van 17 februari 2006 waarbij een aanvullend stuk in het geding wordt gebracht;

- het proces-verbaal van comparitie van 27 februari 2006.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Op 16 mei 2003 heeft omstreeks 4.30 uur op de kruising Hatertseweg/

Burgemeester Daleslaan in Nijmegen een aanrijding plaatsgevonden tussen een Volkswagen personenvoertuig van De Regiopolitie (vanaf hier: de politieauto), bestuurd door de heer [betrokkene 1], en een Alfa Romeo personenauto bestuurd door de heer [betrokkene 2]. De heer [betrokkene 3] was inzittende van de politieauto.

De heer [getuige] is getuige geweest van de aanrijding. Bij de stukken bevindt zich een proces-verbaal van verhoor van [getuige], d.d. 20 mei 2003, met onder meer de volgende inhoud:

‘Toen ik op de kruising reed zag ik vanuit tegenovergestelde richting een politiebus aan komen rijden. Die auto reed toen ongeveer 50 meter vanaf de kruising. (...). Ik reed vervolgens de Burgemeester Daleslaan op (...). Toen ik ongeveer 50 meter vanaf de kruising was (...) keek ik in de binnenspiegel van mijn auto. Ik doe dat altijd om te kijken op welk moment de verkeerslichten rood licht uitstralen. Ik zag toen dat de politieauto de kruising opreed terwijl het verkeerslicht rood licht uitstraalde. Ik zag toen direct dat er een auto vanuit de richting van de St. Annestraat kwam rijden en er tussen beide auto’s een aanrijding ontstond. Ik ben uitgestapt en naar de politieagenten toegelopen. Een politieagent vroeg mij of ik iets gezien had. Ik zei toen tegen die agent dat hij “door rood was gereden”. Hij vertelde mij toen dat hij “door oranje was gereden”.’

Bij de stukken bevindt zich een verklaring van [getuige], d.d. 21 juli 2003, met onder meer de volgende inhoud:

‘Met welke snelheden werd er gereden?

Politie reed 30. Jongen ongeveer 50.’

Bij de stukken bevindt zich een proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, opgemaakt door [betrokkene 4] en [betrokkene 5] beiden hoofdagent van de politie Gelderland-Zuid, d.d. 4 juli 2003, met onder meer de volgende inhoud:

(p. 4)

‘De bestuurder van de Alfa Romeo heeft blijkens de snelheidsberekening gereden met een snelheid van tussen de 85 en 92 km/h en verklaarde dat het voor zijn rijrichting bestemde driekleurige verkeerslicht op “geel knipperen” stond. (...)

De bestuurder van de Volkswagen verklaarde ongeveer 50 km/h te hebben gereden. Hij verklaarde dat het voor zijn richting bestemde driekleurige verkeerslicht bij zijn nadering groen licht uitstraalde. Hij verklaarde tevens dat hij bij het passeren van het voor hem bestemde verkeerslicht zag dat voornoemd verkeerslicht van “groen licht” overging naar “geel licht”.

Een getuige heeft gereden over de Krekelstraat. De getuige heeft met zijn voertuig de detectielussen geactiveerd, waardoor het verkeerslicht bestemd voor zijn rijrichting en voor de rijrichting tegenovergesteld, de rijrichting die de Volkswagen had, groen licht is gaan uitstralen.

De getuige verklaarde dat toen hij op het kruisingsvlak reed en de kruising met de Hatertseweg overstak uit tegengestelde richting, over de Burgemeester Daleslaan een politiebus, zijnde de Volkswagen aan zag komen. De Volkswagen reed toen ongeveer 50 meter voor de kruising met de Hatertseweg.

De getuige reed vervolgens de Burgemeester Daleslaan op en keek op ongeveer 50 meter na het kruisingsvlak met de Hatertseweg in zijn spiegel en zag dat de Volkswagen het kruisingsvlak opreed, terwijl het voor de Volkswagen bestemde verkeerslicht rood licht uitstraalde. De getuige heeft kennelijk niet gezien welke kleur het verkeerslicht uitstraalde op het moment dat de Volkswagen net voor het verkeerslicht reed.

Aangezien er tussen de stopstreep voor het verkeerslicht, bestemd voor de rijrichting van de Volkswagen en de kruising met de Hatertseweg een afstand ligt van ongeveer 21,5 meter is de kans zeer groot dat de bestuurder van de Volkswagen bij het passeren van het voor hem bestemde verkeerslicht geel licht heeft gehad. Bij het oprijden cq. opremmen van het kruisingvlak is het mogelijk dat het betreffende verkeerslicht reeds rood licht was gaan uitstralen.

(p. 17)

De verkeerslichtinstallatie op de kruising Hatertseweg/Burgemeester Daleslaan/Krekelstraat is een verkeersafhankelijk verkeerslichtenregeling. (...) Voornoemde verkeerslichteninstallatie is 24 uur per dag in werking en werkte ten tijde van het ongeval naar behoren. Er waren geen storingen opgetreden. (...) Na de groenfase volgt de geelfase die 3 seconden duurt en vervolgens overgaat in de roodfase.’

Bij de stukken bevindt zich een rapport van de Adviesdienst Verkeer en Techniek van Achmea, betreffende de aanrijding, met onder meer de volgende inhoud:

‘Vraagstelling:

- Kan getuige [getuige] zinvolle waarneming hebben gedaan?

- Moet aangenomen worden, dat [betrokkene 1] het voor hem geldend rood licht uitstralend verkeerslicht heeft gepasseerd?

(...)

Getuige [betrokkene 3]:

Indien getuige [betrokkene 3] met de meest prominente zichtpositie in de politieauto stelt, dat [betrokkene 1] bij voor hem geldend groen licht uitstralend verkeerslicht de kruising naderde en dat het verkeerslicht bij passeren juist van groen licht over ging op oranje licht, kan er geen sprake zijn van door rood licht rijden door [betrokkene 1].

(...)

Antwoord:

Er kan zeker niet gesteld worden, dat getuige [betrokkene 3] (de rechtbank begrijpt: [getuige]) mogelijk de waarheid niet spreekt. Hij kan de mening zijn toegedaan, dat hij waarnam, wat hij stelt. Het probleem is echter, dat zijn lezing niet direct te staven is aan de realiteit, die zich bij onderzoek aandiende. Daarbij moeten zijn waarnemingen via de achteruitkijkspiegel als van een hoger detailniveau worden beoordeeld, dan in de regel verwacht kan worden van een bestuurder die te gelijkertijd vooruitrijdend aan het verkeer deel neemt.

Voorts is het vrijwel ondoenlijk om via de achteruitkijkspiegel in perspectief, in het donker op verschillende momenten de plaats van een zich verwijderend voertuig in te schatten.

Op basis van de lezing van getuige [getuige] (de rechtbank begrijpt: [betrokkene 3]) – die een prominente waarnemingspositie innam - kan niet worden aangenomen dat [betrokkene 1] bij voor hem geldend rood licht de kruising is overgestoken.’

Bij vonnis van de politierechter te Arnhem van 20 januari 2004 is [betrokkene 2] veroordeeld voor een drietal verkeersovertredingen, gepleegd op 16 mei 2003, te weten rijden onder invloed (artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994), geen gevolg geven aan een verkeersteken (artikel 62 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV)) en het overschrijden van de maximumsnelheid van 50 km/uur (artikel 20 RVV). Zowel [betrokkene 2] als de officier van justitie heeft afstand van rechtsmiddelen gedaan.

Door de aanrijding is schade ontstaan aan de auto van De Regiopolitie. De schade bedraagt in totaal € 21.391,71.

[betrokkene 2] was ten tijde van de aanrijding op grond van de Wet Aansprakelijkheid motorrijtuigen (WAM) verzekerd bij Unigarant.

Het geschil

De Regiopolitie vordert - samengevat - veroordeling van Unigarant tot betaling van EUR 21.391,71, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 mei 2003, en van EUR 1.158,- voor buitengerechtelijke kosten, en voorts de proceskosten.

De Regiopolitie heeft aan haar vordering onder meer het volgende ten grondslag gelegd. [betrokkene 2] heeft de maximumsnelheid overtreden, een rood verkeerslicht genegeerd en onder invloed van alcohol aan het verkeer deelgenomen, ten gevolge waarvan de aanrijding met De Regiopolitie heeft plaatsgevonden en schade aan de politieauto is veroorzaakt. Met toepassing van de omkeringsregel is het aan Unigarant om aan te tonen dat de aanrijding niet door [betrokkene 2] is veroorzaakt.

Unigarant voert gemotiveerd verweer. Zij heeft onder meer gesteld dat de aanrijding niet is veroorzaakt door overtredingen van [betrokkene 2], maar door het negeren van een rood licht door de bestuurder van de politieauto. Unigarant stelt primair dat de omkeringsregel in het onderhavige geval niet van toepassing is omdat zij op voorhand voldoende tegenbewijs heeft geleverd tegen een causaal verband tussen de overtredingen van [betrokkene 2] en de aanrijding. Subsidiair stelt zij reeds nu voldoende aannemelijk te hebben gemaakt dat de schade ook zonder de overtredingen van [betrokkene 2] zou zijn ontstaan. Ter comparitie heeft Unigarant afgezien van het leveren van nader tegenbewijs.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

Unigarant is op grond van artikel 6 lid 1 van de WAM in beginsel aansprakelijk voor door [betrokkene 2] veroorzaakte schade.

Tussen partijen is niet in geschil dat [betrokkene 2] bij vonnis van de strafrechter te Arnhem is veroordeeld voor een drietal verkeersovertredingen, aan welk vonnis krachtens artikel 161 Rv. dwingende bewijskracht toekomt. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de aanrijding is veroorzaakt door deze verkeersovertredingen van [betrokkene 2] of door een mogelijke fout – het rijden door rood licht - van de bestuurder van de politieauto.

Vooropgesteld dient te worden dat ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv. in beginsel op De Regiopolitie de last rust om bewijs te leveren van haar stelling dat [betrokkene 2] de onderhavige aanrijding heeft veroorzaakt. Partijen verschillen van mening over de vraag of in dit geval op grond van de omkeringsregel voorshands moet worden aangenomen dat De Regiopolitie in dit bewijs is geslaagd en dat het aan Unigarant is om tegenbewijs te leveren.

Met betrekking tot de toepasselijkheid van de omkeringsregel wordt het volgende overwogen. Vast staat dat [betrokkene 2] onder invloed van alcohol, met een te hoge snelheid en met het negeren van een verkeersteken, aldus met overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 20 en 62 RVV, met zijn auto aan het verkeer heeft deelgenomen en betrokken is geraakt bij een aanrijding met een politieauto. De door [betrokkene 2] overtreden normen strekken specifiek tot het voorkomen van aanrijdingen c.q. verkeersongevallen en het ontstaan van schade hierdoor bij een ander. Bovendien wordt door de genoemde overtredingen het gevaar dat bij een andere weggebruiker schade ontstaat in het algemeen aanmerkelijk vergroot (Hoge Raad 8 april 2005, NJ 2005, 284).

Dit tezamen in aanmerking genomen, betekent het enkele feit van de aanrijding tussen [betrokkene 2] en de politieauto reeds dat het specifieke gevaar waartegen genoemde normen bescherming beogen te bieden zich hier heeft verwezenlijkt, zodat toepassing moet worden gegeven aan de omkeringsregel. In dit geval betekent dit dat het bestaan van causaal (conditio sine qua non-) verband tussen de onrechtmatige gedragingen van [betrokkene 2] en het ontstaan van de schade van De Regiopolitie wordt aangenomen.

Het voorgaande is slechts anders indien Unigarant stelt en (zonodig) aannemelijk maakt dat de bedoelde schade ook zonder de overtredingen van [betrokkene 2] zou zijn ontstaan.

Hiertoe heeft Unigarant aangevoerd dat de oorzaak van de aanrijding is gelegen in het negeren van een rood licht door de bestuurder van de politieauto. Het bewijs van deze stelling wordt volgens Unigarant voldoende geleverd door de stellige verklaringen van getuige [getuige] die er kort gezegd op neer komen dat hij op 50 meter na het passeren van het kruispunt in de binnenspiegel van zijn auto de politieauto door rood licht heeft zien rijden. Daartegenover staan de in de VerkeersOngevalsAnalyse opgenomen verklaringen van de bestuurder en de inzittende van de politieauto, respectievelijk [betrokkene 1] en [betrokkene 3], die beiden verklaren dat de politieauto door geel licht is gereden.

Voor de beoordeling van de verklaringen van [getuige] enerzijds en van [betrokkene 1] en [betrokkene 3] anderzijds zoekt de rechtbank in de eerste plaats aansluiting bij de bevindingen van de Adviesdienst Verkeer en Techniek van Achmea. De rapporteur noemt de zichtpositie van bijrijder [betrokkene 3], die verklaard heeft dat de politieauto door geel licht is gereden, “prominent”. De waarnemingen van [getuige] acht hij “van een hoger detailniveau (...) dan in de regel verwacht kan worden van een bestuurder die tegelijkertijd vooruitrijdend aan het verkeer deelneemt” en concludeert dat het “vrijwel ondoenlijk” is om “via de achteruitkijkspiegel in perspectief, in het donker op verschillende momenten de plaats van een zich verwijderend voertuig in te schatten”. Daar komt bij dat uit de stukken blijkt dat de afstand van de stopstreep voor het verkeerslicht tot het kruispunt waar de aanrijding plaatsvond ongeveer 21,5 meter is en het verkeerslicht na 3 seconden van geel licht overgaat naar rood licht. Op grond van deze feiten wordt in de VerkeersOngevalsAnalyse van de politie geconcludeerd dat het mogelijk is dat – uitgaande van het door geel licht rijden van de politieauto - het licht reeds rood was geworden op het moment dat de politieauto het kruisingsvlak opreed.

Daarnaast blijkt uit de stukken dat de door [getuige] waargenomen snelheden van de politieauto en de auto van [betrokkene 2] niet overeenkomen met de bevindingen in de VerkeersOngevalsAnalyse. Volgens [getuige] reed de politieauto ongeveer 30 km/uur en de auto van “de jongen” (de rechtbank begrijpt: [betrokkene 2]) ongeveer 50 km/uur. Uit de snelheidsberekening van de politie blijkt echter dat [betrokkene 2] aanzienlijk harder heeft gereden, namelijk tussen de 85 en 92 km/uur. Ook de politieauto zou volgens het proces-verbaal een hogere snelheid hebben gehad, namelijk ongeveer 50 km/uur.

De rechtbank sluit niet uit dat [getuige] in zijn achteruitkijkspiegel gelijktijdig de politieauto en het rode stoplicht heeft waargenomen, maar kan hieraan - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - niet de conclusie verbinden dat het licht op rood stond op het (exacte) moment van het passeren daarvan. Het is namelijk niet aannemelijk dat [getuige] vanuit zijn spiegel(s), van een behoorlijke afstand, in het donker en rijdend in tegengestelde richting voldoende nauwkeurig heeft kunnen waarnemen op welke plaats de politieauto zich bevond toen het verkeerslicht rood licht uitstraalde. Unigarant heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat de politieauto door rood licht is gereden.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan Unigarant aannemelijk heeft gemaakt dat de aanrijding ook zonder de overtredingen van [betrokkene 2] zou zijn ontstaan en Unigarant heeft afgezien van het leveren van nader tegenbewijs, staat het onder 4.4 genoemde causaal verband vast, en ligt daarmee de cijfermatig niet bestreden vordering voor toewijzing gereed.

Overigens benadrukt de rechtbank dat ook indien Unigarant in het kader van het leveren van tegenbewijs [getuige] opgeroepen zou hebben als getuige en deze zijn verklaring zoals afgelegd tegenover de politie voor de rechtbank zou hebben herhaald, dit niet tot een andere conclusie zou hebben kunnen leiden.

De Regiopolitie heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en heeft vergoeding daarvan gevorderd. Zij heeft daarbij voldoende aannemelijk gemaakt dat het gaat om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van een dossier. Nu het door De Regiopolitie aan buitengerechtelijke kosten gevorderde bedrag is berekend overeenkomstig de aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II zal de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten toewijzen.

Unigarant zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van De Regiopolitie worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,60

- vast recht 495,00

- salaris procureur 1.158,00 (2,0 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 1.738,60

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt Unigarant om aan De Regiopolitie te betalen een bedrag van EUR 22.549,71 (tweeëntwintig duizend vijfhonderd negenenveertig euro en eenenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het bedrag van EUR 21.391,71 vanaf 16 mei 2003 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt Unigarant in de proceskosten, aan de zijde van De Regiopolitie tot op heden begroot op EUR 1.738,60,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2006.