Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AX7368

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-04-2006
Datum publicatie
08-06-2006
Zaaknummer
138140
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser vordert nakoming door gedaagde van de verplichtingen voortvloeiende uit tussen partijen gesloten overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 138140 / KG ZA 06-159

Vonnis in kort geding van 18 april 2006

in de zaak van

[eiser],

h.o.d.n. DUIKCENTRUM MANATEE

wonende te [woonplaats]

eiser,

procureur mr. J. Velthoven,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.C. Brans te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [gedaagde].

- overgelegde producties

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[gedaagde] is eigenaar van het perceel gelegen aan de [woonplaats] (verder: het perceel). Het perceel bestaat uit 12 ha water en 4 ha grond. In het water is een kabel-skibaan gelegen, bestaande uit een aantal masten die zich zowel onder als boven het water bevinden. De kabel-skibaan is niet meer in gebruik en wordt niet meer onderhouden. Op de grond bevindt zich de woning van [gedaagde], evenals een schuur, hierna aan te duiden als “het clubhuis”.

[eiser] exploiteert een eenmanszaak onder de naam “Duikcentrum Manatee”. Ten behoeve van de duikactiviteiten van dit duikcentrum zijn [eiser] en [gedaagde] een overeenkomst aangegaan, gedateerd 23 april 2005, waarin onder meer de volgende bepalingen zijn opgenomen:

“Dit document beschrijft de afspraken welke wij gemaakt hebben om voor onbepaalde tijd het clubgebouw te huren op minimaal de navolgende avond:

woensdagavond/vrijdagavond.

Basisregels

- Duikcentrum Manatee heeft een samenwerking met de verhuurder op het gebied van recreatie

- Duikcentrum Manatee maakt op de afgesproken avond gebruik van het verenigingsgebouw welke momenteel aanwezig is.

- Duikcentrum Manatee zorgt ervoor dat de steiger welke momenteel verbonden is aan het terrein opgeknapt wordt.

- Duikcentrum Manatee mag gebruik maken van elektra, o.a. voor het vullen van persluchtcilinders.

- Voor het parkeren van voertuigen (langer dan 1 uur) wordt door leden van duikcentrum Manatee tijdens gebruik van het verenigingsgebouw een vergoeding betaald van 2 euro.

- Om een en ander in betere banen te leiden zullen we gebruik maken van een lidmaatschapskaart welke dan jaarlijks aan verhuurder betaald zal worden. De basis voor het lidmaatschap zal een jaarprijs zijn van euro 45 euro all in.”

De overeenkomst is voor akkoord getekend door Duikcentrum Manatee en door De Kruijjf als verhuurder. Op de overeenkomst zijn handgeschreven bepalingen aangebracht, omtrent de juistheid waarvan partijen van mening verschillen.

Na het tekenen van de overeenkomst heeft [eiser] ten behoeve van het duikcentrum diverse investeringen gedaan. Onder meer heeft hij het op het perceel aanwezige hekwerk gerepareerd, nieuw hekwerk aangebracht en een (opslag)container en een volautomatische slagboom geplaatst, die functioneert door het voorhouden van zogenaamde magneetkaarten. Voorts heeft hij een compressor gekocht die geschikt is voor krachtstroom, alsmede diverse duikpakken en overige duikbenodigdheden.

In augustus 2005 heeft een gesprek plaatsgehad tussen [eiser] en [betrokkene] jr, de zoon van [gedaagde]. Daarbij is onder meer gesproken over de risico’s die de niet langer gebruikte kabelbaan zou kunnen opleveren voor de duikers.

Op 4 november 2005 heeft tussen [eiser], [gedaagde] en [betrokkene] jr overleg plaatsgevonden omtrent de voortgang van de samenwerking. Daarbij is door [gedaagde] een aantal zaken aan de orde gebracht, met name met betrekking tot de aansprakelijkheid bij een duikongeval, de in dit verband benodigde vrijwaring en de in acht te nemen milieuregelgeving. Dit laatste vanwege het voornemen van [eiser] om ten behoeve van de duikactiviteiten in het water een boot te laten afzinken.

Bij aangetekend schrijven van 24 november 2005, gericht aan [eiser], heeft [gedaagde] weergave gedaan van hetgeen naar zijn mening is besproken tijdens het overleg van 4 november 2005. Daarbij heeft [gedaagde] onder meer gesteld dat partijen zouden zijn overeengekomen dat [eiser] per 1 december 2005 alle activiteiten op het perceel zou staken. [gedaagde] heeft het clubhuis vervolgens per deze datum afgesloten van water en elektra en [eiser] de toegang tot het perceel ontzegd.

Bij aangetekende brief van 1 december 2005 heeft [eiser] [gedaagde] bericht dat hij de juistheid van de weergave van het gesprek van 4 november 2005 betwist. Voorts heeft hij [gedaagde] – kort samengevat – de keuze gelaten om het perceel en het clubhuis weer aan hem ter beschikking te stellen dan wel de gedane investeringen volledig te vergoeden.

Omdat [gedaagde] niet heeft gereageerd op de brief van [eiser], heeft [eiser] hem op 24 december 2005 wederom een brief gestuurd. Daarbij heeft [eiser] er op gewezen dat de compressor en de (in de container aanwezige) duikuitrusting door vorst ernstig kunnen worden beschadigd.

Bij aangetekende brief van 7 februari 2006 heeft de raadsman van [eiser] de Kruijff gesommeerd de overeenkomst van 23 april 2005 na te komen, bij een uitblijven waarvan [gedaagde] in gebreke wordt gesteld vanwege het niet behoorlijk nakomen van zijn verplichtingen.

[gedaagde] heeft aan deze sommatie geen gevolg gegeven.

Het geschil

3.1. [eiser] vordert thans – samengevat – nakoming door [gedaagde] van de verplichtingen voortvloeiende uit tussen partijen gesloten overeenkomst van 23 april 2005, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2. [gedaagde] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang van [eiser] vloeit voort uit zijn stellingen. Voor zover [gedaagde] heeft betoogd dat [eiser] inmiddels beschikt over een alternatieve locatie aan de Mauriksestraat 3 te Zoelen, heeft [eiser] dit ter zitting ontkend en heeft [gedaagde] het bestaan van zulk een locatie niet aannemelijk gemaakt. Het spoedeisend belang van [eiser] is daarmee een gegeven.

4.2. Vooropgesteld wordt dat bij de beoordeling van de vordering van [eiser] enkel wordt uitgegaan van de getypte tekst van de overeenkomst. Daarbij ziet de voorzieningenrechter zich allereerst voor de vraag geplaatst of de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst van huur en verhuur als bedoeld in artikel 7:201 BW. [gedaagde] meent van niet en wijst er in dit verband op dat de overeenkomst niet voldoet aan één van de essentialia van een huurovereenkomst, namelijk het vereiste dat de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie.

4.3. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] hierin niet. Hoewel juist is dat – wil er sprake zijn van een huurovereenkomst – tegenover het gebruik van een gehuurde zaak een tegenprestatie moet zijn bedongen, miskent [gedaagde] dat rechtens niet is vereist dat deze tegenprestatie (geheel) in geld luidt of gelijke grootte heeft per gelijke tijdsduur. In dit licht bezien valt op voorhand dan ook niet uit te sluiten dat de op [eiser] drukkende verplichtingen uit de overeenkomst – strekkende tot betaling aan [gedaagde] van de lidmaatschapsgelden en (naar partijen niet hebben betwist) de parkeergelden – als een tegenprestatie hebben te gelden als bedoeld in artikel 7:201 BW. Gelet hierop en vanwege de omstandigheid dat aan de overige essentialia van een huurovereenkomst is voldaan, dient de overeenkomst tussen partijen naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter als een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd te worden aangemerkt. Hieraan doet niet af dat de tekst van de overeenkomst leemten vertoont en niet altijd even helder is in haar bedoelingen. De wet kent immers geen afwijkende bepalingen omtrent de totstandkoming van een huurovereenkomst, zodat zij vormvrij is. Overigens kan uit de inhoud van de overeenkomst worden afgeleid dat deze niet enkel ziet op het gebruik van het clubgebouw, maar tevens op het gebruik van (een gedeelte van) het perceel als zodanig (grond en water).

4.4. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens voor de vraag geplaatst of de tussen partijen gesloten overeenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd, zoals door [gedaagde] is gesteld. In dit verband wordt het volgende overwogen.

4.5. De wetgever heeft, ingeval een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan, de huurder van een onroerende zaak een zekere bescherming geboden door de opzegging van de huur aan een opzegtermijn te verbinden. Dit geldt ook voor de huur van een onroerende zaak die woon- noch bedrijfsruimte is (artikel 7:228, lid 2 BW). Hoewel deze bescherming er niet aan in de weg staat dat partijen met wederzijds goedvinden een huurovereenkomst op een eerder tijdstip beëindigen, dient omtrent de wens van partijen om tot zulk een eerdere beëindiging te komen geen enkele twijfel te bestaan. Deze twijfel is in dit geval wel aanwezig. Voor zover [gedaagde] heeft gesteld dat [eiser] tijdens het gesprek in augustus 2005 heeft ingestemd met een beëindiging, heeft [eiser] dit betwist. Evenmin is gebleken van een beëindiging met wederzijds goedvinden tijdens het gesprek van 4 november 2005. [eiser] heeft in zijn brief van 1 december 2005 immers uitdrukkelijk gesteld zich niet te kunnen vinden in een beëindiging van de huurovereenkomst en vordert ook thans nakoming van hetgeen partijen zijn overeengekomen. Nu [gedaagde] er niet in is geslaagd het tegendeel aannemelijk te maken, dient – zeker in kort geding, waar geen ruimte is voor nader feitenonderzoek – het er voor te worden gehouden dat de huurovereenkomst niet met wederzijds goedvinden is beëindigd.

4.6. Vast staat dat de overeenkomst tussen partijen niet schriftelijk is opgezegd. [gedaagde] heeft dit ter zitting ook bevestigd. Aldus kunnen partijen in beginsel over en weer van elkaar verlangen dat de overeenkomst wordt nagekomen. [gedaagde] heeft evenwel gesteld dat de overeenkomst moet worden vernietigd omdat deze tot stand is gekomen onder invloed van één of meerdere wilsgebreken, dan wel dat [eiser] aan de overeenkomst geen rechten kan ontlenen omdat de nakoming ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De voorzieningenrechter zal deze verweren thans bespreken.

4.7. In de eerste plaats heeft [gedaagde] gesteld dat [eiser] bij het aangaan van de overeenkomst misbruik heeft gemaakt van omstandigheden. [gedaagde] is reeds op bejaarde leeftijd (81 jaar) en – zo stelt hij – geestelijk niet meer helemaal stabiel. [gedaagde] heeft ook geen verstand van duiken. Van een mogelijk op hem rustende risico-aansprakelijkheid ingeval de toestand van het perceel leidt tot een duikongeval had hij geen weet, zodat hij er niet op heeft aangedrongen om belangrijke onderwerpen als aansprakelijkheid en vrijwaring op afdoende wijze te regelen. Hetzelfde geldt voor de mogelijke milieuschade als gevolg van het (voorgenomen) afzinken van een schip. Als deskundige op het gebied van duiken had [eiser] dit wél behoren te weten en had hij [gedaagde] er van moeten weerhouden de overeenkomst aan te gaan, zolang hieromtrent geen nadere afspraken waren gemaakt. Dit heeft [eiser] nagelaten. Dit klemt te meer, zo stelt [gedaagde], nu de overeenkomst vanwege het ontbreken van een reële tegenprestatie voor hem ook nog eens zeer nadelig is.

4.8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het totstand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moest begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (artikel 3:44, lid 4 BW). Voor het antwoord op de vraag of sprake is van misbruik van omstandigheden, komt het enkel aan op omstandigheden bij het aangaan van de overeenkomst (of andere rechtshandeling). Verwezen wordt in dit verband naar HR 5 januari 1996, NJ 1996, 320.

4.9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende komen vast te staan dat [eiser] misbruik heeft gemaakt van de geestelijke gesteldheid van [gedaagde]. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] op leeftijd is maakt immers nog niet dat (reeds) om die reden aan zijn geestelijke vermogens moet worden getwijfeld. Het is dan ook aan [gedaagde] om aannemelijk te maken dat de overeenkomst door het (gestelde) geestelijk overwicht van [eiser] tot stand is gekomen. Hierin is [gedaagde] niet geslaagd. Hetzelfde geldt voor zover [gedaagde] heeft gesteld dat [eiser] misbruik heeft gemaakt van zijn ondeskundigheid op het gebied van het duiken. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat onderwerpen als risico-aansprakelijkheid en milieuregelgeving een meer algemeen karakter dragen en niet specifiek betrekking hebben op het duiken als zodanig. Zo al moet worden aangenomen dat [eiser] hiervan op de hoogte was, dan nog is van de zijde van [gedaagde] onvoldoende gesteld om voetstoots aan te nemen dat [eiser] wist of had moeten begrijpen dat [gedaagde] de overeenkomst niet zou zijn aangegaan zolang deze onderwerpen niet afdoende waren geregeld én hem desondanks niet van het aangaan van de overeenkomst heeft weerhouden. Het verweer van [gedaagde] wordt in zoverre dan ook verworpen. De omstandigheid dat – zoals door [gedaagde] gesteld – de overeengekomen tegenprestatie van geringe omvang is maakt dit niet anders, nu de aanwezigheid van nadeel voor [gedaagde] (of voordeel voor [eiser]) op zich zelf nog niet meebrengt dat sprake is van een misbruik als in artikel 3:44 BW bedoeld.

4.10. [gedaagde] heeft voorts gesteld dat de overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling. Bij een juiste voorstelling van zaken zijnerzijds omtrent de risico-aansprakelijkheid en de geldende milieueisen, zou hij de overeenkomst niet (althans niet onder dezelfde voorwaarden) hebben gesloten. Naar de mening van [gedaagde] had [eiser] hem als deskundige moeten inlichten over deze onderwerpen. Nu [eiser] dit heeft nagelaten heeft hij de op hem rustende mededelingsplicht verzaakt.

4.11. Ook hierin volgt de voorzieningenrechter [gedaagde] niet. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat op [gedaagde], als bezitter van een opstal die mogelijk gevaar oplevert voor personen omdat deze (mogelijk) niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, in beginsel ook zónder deze overeenkomst een risico-aansprakelijkheid rust. In die zin kan de risico-aansprakelijkheid dan ook van deze overeenkomst worden geabstraheerd. Dat dit niet slechts theoretisch is blijkt wel uit de omstandigheid dat het water (weliswaar zonder toestemming van [gedaagde]) door derden voor zwemdoeleinden wordt gebruikt, in welke situatie het gevaar zich eveneens kan verwezenlijken.

Dwaling omtrent de rechtsregels, waarvan de toepassing kan worden geabstraheerd van de overeenkomst als zodanig, is geen dwaling in de eigenschappen van het voorwerp van de overeenkomst noch een dwaling in de persoon van de wederpartij en kan niet worden aangemerkt als een dwaling in de zin van artikel 6:228 BW. De onbekendheid met de regelgeving kan in zulk een situatie dan ook niet als verontschuldiging worden gebruikt.

4.12. Ook voor wat betreft de geldende milieueisen komt [gedaagde] naar voorlopig oordeel geen geslaagd beroep toe op dwaling. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat onvoldoende is komen vast te staan dat het voornemen van [gedaagde] om in het water een schip af te zinken reeds bij het aangaan van de overeenkomst bestond. Bij gebreke van dit voornemen kan omtrent de mogelijke milieutechnische gevolgen hiervan niet zijn gedwaald.

4.13. Ter zitting heeft [gedaagde] nog betoogd dat nakoming van de overeenkomst van hem evenmin kan worden verlangd, omdat [eiser] de bedongen tegenprestatie (betaling van de lidmaatschaps- en parkeergelden) nimmer heeft voldaan. Daargelaten dat [eiser] dit standpunt voor wat betreft de betaling van de parkeergelden heeft betwist, stelt de voorzieningenrechter vast dat niet is gesteld en komen vast te staan dat [gedaagde] op betaling heeft aangedrongen. Dit had wel gemoeten, nu partijen geen termijn zijn overeengekomen waarbinnen de betalingen dienen te zijn gedaan. Naar voorlopig oordeel is van een verzuim aan de zijde van [eiser] dan ook geen sprake.

4.14. Voor zover [gedaagde] tot slot heeft gesteld dat [eiser] aan de overeenkomst geen rechten kan ontlenen omdat de nakoming ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, merkt de voorzieningenrechter op dat de redelijkheid en billijkheid de regels die als gevolg van de overeenkomst tussen partijen gelden weliswaar kan aanvullen of beperken, maar deze overeenkomst in beginsel niet volledig ongedaan kan maken. De door Kruijff aangevoerde omstandigheden zijn van onvoldoende gewicht om op dit beginsel een uitzondering te maken.

4.15. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat voorshands geen enkele grond valt aan te wijzen op grond waarvan [gedaagde] niet langer zou zijn gehouden om de overeenkomst na te komen. Nu [gedaagde] aan [eiser] desondanks de toegang tot het perceel blijft ontzeggen, komt het gevorderde voor toewijzing in aanmerking, zij het dat de vordering wordt afgewezen voor zover deze zich uitstrekt tot de naleving van het handgeschreven bepalingen, anders dan die waarvoor ruimte is gelaten (het huren van het clubgebouw op de woensdag- en vrijdagavond en de kosten van het lidmaatschap van € 45,- per jaar all-in). Het bestaan van het handgeschreven gedeelte van de overeenkomst is door [gedaagde] gemotiveerd betwist, zodat niet vast staat dat partijen het daadwerkelijk zijn overeengekomen. Tot slot bestaat aanleiding het maximum van de gevorderde dwangsom te matigen.

4.16. Overigens, doch hier ten overvloede, merkt de voorzieningenrechter op dat uit het voorgaande niet volgt dat [gedaagde] niet alsnog zou kunnen opzeggen op grond van het bepaalde in artikel 7:228, lid 2 BW.

4.17. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 71,32

- vast recht 248,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 816,00

Totaal € 1.135,32

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde] tot nakoming van zijn verplichtingen, voortvloeiende uit het getypte gedeelte van de tussen partijen gesloten overeenkomst van 23 april 2005, zulks binnen twee dagen na betekening van dit vonnis;

5.2. veroordeelt [gedaagde], eveneens binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, tot nakoming van zijn verplichtingen, voortvloeiende uit het handgeschreven gedeelte van de tussen partijen gesloten overeenkomst van 23 april 2005, doch enkel voor zover partijen daarbij zijn overeengekomen dat het clubgebouw wordt gehuurd op de woensdagavond/vrijdagavond en dat de basis voor het lidmaatschap een jaarprijs zal zijn van 45 euro all-in;

5.3. bepaalt dat [gedaagde], ingeval hij na betekening van dit vonnis niet of niet volledig voldoet aan het onder 5.1. en 5.2 bepaalde, aan [eiser] een dwangsom betaalt van € 500,- per dag dat het vonnis niet wordt nageleefd, met een maximum van € 25.000,-;

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.135,32.

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Jacobs, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.A. van Hoof op 18 april 2006.