Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AX7291

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
08-06-2006
Zaaknummer
110722
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Billijkheidscorrectie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 110722 / HA ZA 04-438

Vonnis van 3 mei 2006

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. M.C.Ligtenstein te Amersfoort,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. de naamloze vennootschap

HANNOVER INTERNATIONAAL INSURANCE,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

procureur mr. F.P. Lomans,

advocaat mr. G.C. Endedijk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde 1] c.s. genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 juli 2005

- de akte overlegging medische informatie van [eiser]

- de antwoord akte van [gedaagde 1] en Hannover

- de akte nadere motivering van [eiser].

Ten slotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling

In het tussenvonnis van 13 juli 2005 is geoordeeld dat de wederzijdse gedragingen van [eiser] en [gedaagde 1] in gelijke mate tot de schade hebben bijgedragen, zodat gedaagden voor 50% van de schade aansprakelijk zijn. Beslist moet nog worden of, zoals [eiser] bepleit, de billijkheid een correctie van deze causale verdeling eist. De rechtbank wilde in het kader van die beslissing nader geïnformeerd worden over de aard en de ernst van het letsel van [eiser] en, zo mogelijk, over de vraag of en in hoeverre (enig) herstel valt te verwachten.

2.2. [eiser] heeft daartoe diverse medische rapporten (van UMC St Radboud, de Maartenskliniek, GGZ Oost Brabant Huize Padua en UWV) in het geding gebracht met betrekking tot zijn toestand in 2002. Daaruit komt het beeld naar voren dat [eiser] bij het ongeval een miltverscheuring en ernstig schedelhersenletsel opliep waardoor hij gedurende 12 dagen een coma doormaakte. Na een verblijf in het ziekenhuis gedurende meer dan 2 maanden en een tussentijds verblijf in een revalidatiecentrum gedurende 3 maanden is [eiser] opgenomen op de revalidatie afdeling voor mensen met niet-aangeboren hersenletsel van de GGZ instelling Huize Padua. Op 4 december 2002 heeft de aan die instelling verbonden psychiater [betrokkene 1] over [eiser] onder meer geschreven:

‘Status na contusio cerebri d.d. 26-10-2001 met als gevolg motorische, maar ook ernstige cognitieve en gedragsmatige stoornissen. De motorische problemen zijn beperkt en de loopfunctie is ook verbeterd. Patiënt kan gemakkelijk langere afstanden afleggen. Er zijn nog wel wat problemen met de balans. De gedragsproblemen bestaan erin dat patiënt bij tijden destructief gedrag vertoont ten opzichte van anderen, zonder dat dit getoetst kan worden door een adequate gewetensfunctie. Dit is deels versterkt door het ongeval, maar was ook premorbide al aanwezig. Verder is er sprake van cognitieve functiestoornissen die op dit moment opnieuw in kaart worden gebracht door middel van een neuropsychologisch onderzoek. [..] De revalidatie is gericht op verbetering van de motoriek, cognitieve training, ADL-training, ergotherapie en op termijn zal een integratietraject worden uitgezet. [..] Wat de prognose betreft is patiënt hier nog niet uitbehandeld. Dus er is nog geen sprake van een eindsituatie. Dat betekent dat er nog verbeteringen op kunnen treden, maar deze zullen gradueel zijn. De persoonlijkheidsproblematiek zal het meest belemmerend zijn bij het zoeken van een adequate reïntegratie in de maatschappij.’

Dezelfde psychiater heeft op 10 augustus 2005 over [eiser] aan de medisch adviseur van diens advocaat onder meer geschreven:

‘Inmiddels kunnen we wel spreken van een eindsituatie, waarbij eigenlijk nauwelijks verbeteringen zijn te melden ten aanzien van de eerdere genoemde stoornissen. De conclusie qua diagnostiek moet nog steeds zijn dat er sprake is van een status na contusio cerebri d.d. 26-10-2001 met als gevolg motorische stoornissen, met name balansproblemen, die maken dat patiënt beperkt is in langere afstanden. In het dagelijks functioneren hier op de afdeling levert dat geen problemen op.

Er zijn cognitieve stoornissen die via neuropsychologisch onderzoek in kaart zijn gebracht.

Het betreft de volgende bevindingen:

Er is sprake van een op zwak begaafd niveau intellectueel functioneren. Het performale prestatieniveau wordt gedrukt door taken die een beroep doen op detectie, motorische snelheid en geheugen. De beperkte visus van patiënt speelt hierbij een rol. Taalvaardigheden zijn van een laag niveau. Er worden schommelingen in de aandacht geobserveerd en er is sprake van een korte aandachtsspanne en beperkte belastbaarheid. Patiënt heeft enige moeite met het verdelen van de aandacht en is verhoogd interferentiegevoelig. Oriëntatie in tijd en plaats is matig. Er is sprake van een ernstige geheugenstoornis, voor zowel verbaal als visueel materiaal. De leersnelheid is zeer laag en er wordt gebruik gemaakt van passieve leerstrategieën. Het vermogen het gedrag te plannen, reguleren en evalueren is van gemiddeld niveau. Het kost patiënt moeite op basis van feedback zijn denkstrategie aan te passen. De visueel ruimtelijke vaardigheden zijn licht afwijkend. Dit betekent in de praktijk dat informatie in de dagelijkse praktijk niet altijd patiënt zal bereiken en dus niet geregistreerd zal worden. Voor het overdragen van belangrijke informatie zal rekening gehouden moeten worden met zijn beperkte alertheid en dient eventueel de boodschap herhaald te worden. Er wordt een beperkt ziekte-inzicht geconstateerd en onverschilligheid met betrekking tot eigen gedrag en uitwerking hiervan op anderen.

Bovenstaande betreft de uitslag van een neuropsychologisch onderzoek in december 2002. Er werd bij die gelegenheid een verbetering geconstateerd ten opzichte van het onderzoek van april 2002. Vandaar dat het onderzoek nu is herhaald. Uit de recent beschikbaar gekomen uitslagen (juli 2005) blijkt dat er geen sprake is van eenduidige voor- of achteruitgang in de prestaties ten opzichte van december 2002.

Verder zijn er gedragsproblemen die te maken hebben met het destructief gedrag wat patiënt vertoont ten opzichte van anderen, zonder dat hij beseft wat dit voor anderen betekent of dat hij een geweten heeft dat hem daarin corrigeert. Dit is, zoals ook in de eerdere brief al gesteld is, deels versterkt door het ongeval, maar was ook premorbide al aanwezig.Door middel van de Zyprexa-medicatie is het gedrag te reguleren, bij afbouw daarvan komt het gedrag terug en dan is dat gevaarlijk voor medebewoners en uiteindelijk in het nadeel van patiënt zelf. Dit gedrag is met name ook de beperkende factor voor het vinden van een andere woonplek voor patiënt.

Al met al kan gesteld worden dat de bovengenoemde klachten en beperkingen blijvend zijn. Er is geen herstel laat staan restloos herstel te verwachten.’

2.3. De rechtbank zal voor de in het kader van artikel 6:101 BW te nemen beslissing afgaan op de rapporten van de behandelend psychiater. Die bieden een helder, ook prospectief, zicht op de ongevalsgerelateerde klachten en beperkingen van [eiser]. Daarop hebben gedaagden in zoverre geen kritiek geleverd. Weliswaar hebben zij de kanttekening geplaatst niet te beschikken over het volledige medisch dossier, maar dat is naar het oordeel van de rechtbank nu ook niet nodig omdat de concrete omvang van de schade nog niet wordt begroot. De eventuele invloed van pre-existente klachten (zoals de schildklierafwijking) en/of predisposities, waarvan gedaagden zich een compleet beeld moeten kunnen vormen aan de hand van het medisch dossier, behoeft dus nog niet aan de orde te komen.

2.4. [eiser] heeft in het kader van de billijkheidscorrectie bepleit dat de schade volledig voor rekening van gedaagden komt, zowel gelet op de mate van verwijtbaarheid van de door [gedaagde 1] gemaakte fout alsook (naar de rechtbank begrijpt: vooral) vanwege de ernstige ongevalsgevolgen waardoor zijn leven compleet op zijn kop is gezet.

2.5. Gedaagden -die in de buitengerechtelijke fase uitgaande van een aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW een vergoedingsplicht van éénderde hebben aanvaard- stellen zich thans op het standpunt dat er, hoewel sprake is van blijvende ongevalsgevolgen die zij niet wensen te bagatelliseren, gelet op de mate van uiteenlopende verwijtbaarheid en in aanmerking nemende de overige omstandigheden van het geval, geen reden is om uit te gaan van een hogere vergoedingsplicht dan 50%.

2.6. De rechtbank heeft reeds (in r.o. 25 van het tussenvonnis) voorop gesteld waarmee zij rekening moet houden en óók is al geoordeeld dat waar het gaat om de in ogenschouw te nemen ernst en de mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten de balans in het nadeel van [eiser] doorslaat. Diens (in r.o. 26 van het tussenvonnis opgesomde) reeks van fouten is als aanmerkelijk ernstiger te beschouwen dan de onoplettendheid van [gedaagde 1], ook al gebeurde die onoplettendheid op een doorgaans drukke autosnelweg waar voortdurend geconcentreerde aandacht is vereist. Dat alles afwegend zou, geabstraheerd van de ongevalsgevolgen, moeten leiden tot een schuldverdeling van éénvierde ([gedaagde 1]) tegenover drievierde ([eiser]). Niet in discussie is dat het ernstige letsel dat [eiser] heeft opgelopen een ‘andere omstandigheid’ is die er bij de billijkheidscorrectie eveneens toe mag doen (HR 22 april 2005, NJ 2006, 20) en in concreto ook toe heeft gedaan, nu gedaagden rekening houdend daarmee op een schadedeling van (uiteindelijk) 50/50 zijn uitgekomen. De vraag is dan of daarmee voldoende recht wordt gedaan aan de ernst van het letsel.

2.7. Voorop gesteld wordt dat voor het minder gewicht toekennen van de aan het slachtoffer zelf toe te rekenen omstandigheden waardoor een ongeval is gebeurd in de regel meer aanleiding is naarmate het letsel ernstiger is. Zonder daarvoor een vaste rekenformule te ontwerpen of te hanteren zal voor de concrete toepassing van deze regel de in de letselschadepraktijk gemeengoed geworden piramide van letselcategorieën (VR 1994, pag. 20) een bruikbaar gezichtspunt kunnen zijn.

In die piramide valt het letsel van [eiser] onder te brengen in de categorie zeer zwaar letsel, nu sprake is van een blijvende verandering in negatieve zin van zijn persoonlijk leven en beroepsleven vanwege de ernstige storing in het geestelijk vermogen en de geestelijke stabiliteit. De rechtbank leidt dat af uit de door de behandelend psychiater beschreven cognitieve stoornissen die blijvende klachten en beperkingen met zich brengen in het leven van alle dag. De deels door het ongeval versterkte gedragsproblematiek is, zo blijkt ook uit de rapporten van de psychiater, belemmerend voor een adequate reïntegratie van [eiser] in de maatschappij en draagt daarom bij aan het oordeel dat sprake is van zeer zwaar letsel. Naar haar aard vraagt deze ernstige én blijvende letselschade, die [eiser] bovendien op nog zo jonge leeftijd heeft getroffen, billijkheidshalve om een hoog vergoedingsniveau. Er is in dit geval echter geen reden dat te stellen op het maximum van 100% nu enerzijds de functie- en gedragsstoornissen niet een totale arbeidsinvaliditeit en een blijvende toestand van (totale) verzorging veroorzaken en daarmee niet van uitzonderlijk zwaar letsel kan worden gesproken en anderzijds de (ernst van de) fouten van [eiser] zelf het bezwaarlijk toelaten om helemaal geen korting wegens eigen schuld toe te passen. De rechtbank stelt billijkheidshalve, rekening houdend met dit een en ander, de vergoedingsplicht van gedaagden vast op 75% en zal dienovereenkomstig de gevorderde verklaring voor recht toewijzen. De reeds nu meegevorderde wettelijke rente over de schade vanaf 26 oktober 2001 leent zich niet voor opname in de verklaring voor recht, want zal per schadepost moeten worden beoordeeld en zonodig in de schadestaatprocedure aan de orde komen.

2.8. Bij deze uitkomst van het geschil, die tot een wezenlijke verhoging van het door gedaagden vóór en tijdens de procedure aangeboden uitkeringspercentage leidt, moeten gedaagden als de in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt en zullen zij in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

De beslissing

De rechtbank

verklaart voor recht dat Hannover en [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens [eiser] voor 75% van de schade die hij als gevolg van de aanrijding op 26 oktober 2001 heeft geleden en nog zal lijden,

veroordeelt Hannover en [gedaagde 1] hoofdelijk, in die zin dat door betaling van de één de ander zal zijn bevrijd, tot vergoeding van deze schade nader op te maken bij staat,

veroordeelt Hannover en [gedaagde 1] in de kosten van deze procedure, tot op heden begroot op € 324,78 voor verschotten en op € 1.808,- voor salaris procureur,

verklaart de gegeven betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2006.