Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AX5578

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-04-2006
Datum publicatie
29-05-2006
Zaaknummer
AWB 05/514
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nadeelcompensatie wegens omzetschade door de aanleg van infrastructurele werken afgewezen. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de gemeente geen opdrachtgever was voor genoemde werken. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 05/514

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door

mr. A.J.L.J. Pfeil,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 17 januari 2005.

2. Procesverloop

Bij brief van 29 april 2004 heeft eiser bij verweerder een verzoek om nadeelcompensatie ingediend in verband met omzetschade als gevolg van de aanleg van de Moenenstraat in Nijmegen.

Bij besluit van 10 september 2004 heeft verweerder het verzoek om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit (verder: bestreden besluit) is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 10 november 2005. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Pfeil voornoemd, advocaat te Maastricht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mw. mr. L.C.C.M. Vullings, werkzaam bij het bureau Juridische Zaken en Rechtsbescherming van de gemeente Nijmegen.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Nadeelcompensatieverordening gemeente Nijmegen 1999 (verder: de verordening) kennen burgemeester en wethouders, op verzoek van degene die nadeel heeft geleden als gevolg van de feitelijke uitvoering van infrastructurele werken door of in opdracht van de gemeente Nijmegen, nadeelcompensatie toe naar billijkheid, voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijner laste behoort te blijven en voor zover vergoeding van het nadeel niet anderszins verzekerd is.

Onder “infrastructurele werken” wordt blijkens artikel 1, aanhef en onder b, van de verordening verstaan “de door of in opdracht van de gemeente Nijmegen uit te voeren infrastructurele werken van substantiële omvang en duur en andere werken en maatregelen van substantiële omvang en duur in het publieke belang”.

Eiser heeft tot 1 januari 2005 een winkel in woonaccessoires en luxeartikelen onder de naam “Art Vivendi” geëxploiteerd aan de Ziekerstraat in Nijmegen. Recht tegenover de winkel is een nieuwe winkelstraat aangelegd, de Moenenstraat. Eiser stelt omzetschade te hebben geleden doordat de Ziekerstraat een lange periode nagenoeg volledig ontoegankelijk was als gevolg van afsluitingen, sloop,- bouw,- en rioleringswerkzaamheden, opslag van materialen op de openbare weg, frequent vrachtverkeer en verwijdering van straatverlichting, waardoor de klandizie is teruggelopen.

Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat de verordening in dit geval geen basis biedt voor vergoeding van de gestelde schade, omdat de werkzaamheden in kwestie niet door of in opdracht van de gemeente Nijmegen zijn uitgevoerd. Een particuliere projectontwikkelaar was opdrachtgever voor de bouw van winkels en woningen in de Moenenstraat, en de gemeente heeft zelf geen werkzaamheden uitgevoerd, aldus verweerder.

Eiser heeft het standpunt van verweerder uitvoerig gemotiveerd bestreden. Op zijn betoog zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, nader ingaan.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de gestelde schade, waarvan eiser vergoeding heeft verzocht, verband houdt met de feitelijke uitvoering van werkzaamheden met betrekking tot de infrastructuur, meer specifiek de realisatie van de derde fase van het hierna nog te noemen Mariënburgproject (behelzende de aanleg van een nieuwe verbinding tussen de Burchtstraat en de Ziekerstraat via een doorsteek door het Arsenaal, zijnde de huidige Moenenstraat). Partijen worden verdeeld gehouden over de vraag of deze schade op basis van de verordening voor vergoeding door verweerder in aanmerking kan komen.

Volgens eiser is dit zonder meer het geval, waartoe hij onder andere heeft aangevoerd dat verweerder de woorden “door of in opdracht van” in artikel 1, aanhef en onder b, van de verordening te beperkt uitlegt. Naar de mening van eiser moet worden uitgegaan van de verderstrekkende -en op de onderhavige situatie evident van toepassing zijnde- woorden “door of vanwege”. Hiervoor heeft eiser gewezen op het feit dat deze woorden worden gebezigd in de considerans bij de verordening, alsmede op het feit dat de woorden “door of in opdracht van” in het genoemde artikel niet worden herhaald ten aanzien van “andere werken en maatregelen van substantiële omvang en duur in het publieke belang”. Het laatste impliceert in de ogen van eiser dat niet noodzakelijk sprake hoeft te zijn van door of in opdracht van de gemeente uitgevoerde werken.

De rechtbank volgt eiser hierin niet en overweegt daartoe dat uit

de tekst van de artikelen 1, aanhef en onder b, en 2, eerste lid, van de verordening op zichzelf genoegzaam blijkt dat alleen die schade voor vergoeding in aanmerking kan komen die het gevolg is van de feitelijke uitvoering van infrastructurele werken door of in opdracht van de gemeente. Overigens wordt dit in de toelichting bij artikel 1 van de verordening nog eens benadrukt. Er bestaat dan ook geen aanleiding om niettemin, zoals door eiser betoogd, de tekst van de considerans bij de verordening bepalend te laten zijn, nog daargelaten overigens of het woord “vanwege” inderdaad een hier relevante, verderstrekkende betekenis heeft.

Centraal staat daarom de vraag of sprake is geweest van de feitelijke uitvoering van de beweerdelijk schadeveroorzakende infrastructurele werken door of in opdracht van de gemeente. Bij de beantwoording van deze vraag gaat de rechtbank uit van de hiernavolgende, uit de gedingstukken naar voren komende en tussen partijen vaststaande, feiten en omstandigheden.

De aanleg van de Moenenstraat maakt deel uit van de derde fase van het zogenoemde Mariënburgproject. Met het oog op de realisatie van deze fase is op 12 december 2001 een overeenkomst tot stand gekomen tussen de gemeente Nijmegen, de Mariënburg Nijmegen II B.V. en de Mariënburg C.V., vertegenwoordigd door Anthe B.V., zijnde de eigenaren van het vastgoed in het betrokken projectgebied. De aan de realisatie van de derde fase voorafgaande fasen 1 en 2 zijn gerealiseerd door de ontwikkelingsmaatschappij V.O.F. Mariënburg, waarin door de Maatschappij voor Bedrijfsobjecten N.V. en de gemeente Nijmegen gelijkelijk werd geparticipeerd. De rechten en plichten van de in deze V.O.F. deelnemende partijen zijn vastgelegd in een in december 1995 gesloten samenwerkingsovereenkomst.

De rechtbank constateert dat de onder punt 3.1 van de overeenkomst van 12 december 2001 (verder: de overeenkomst) opgenomen bepalingen, met name de artikelen 3.1.1, 3.1.2 en 3.1.12, voorzien in de realisatie van de derde fase geheel in opdracht en voor rekening en risico van de eigenaren. Daarbij is aan de gemeente een faciliterende rol toebedeeld, zo blijkt uit de onder punt 3.2 van de overeenkomst opgenomen bepalingen, met name de artikelen 3.2.1 en 3.2.2.

Verder is de rechtbank niet gebleken dat door of in opdracht van de gemeente, in afwijking van het in de overeenkomst bepaalde, feitelijk alsnog werkzaamheden zijn uitgevoerd. Eiser heeft zijn stellingen in dit opzicht, onder meer waar het gaat om de vervanging van de riolering, niet met bewijsstukken onderbouwd, terwijl verweerders gemachtigde ter zitting uitdrukkelijk heeft ontkend dat door of in opdracht van de gemeente werkzaamheden zijn uitgevoerd.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de Moenenstraat niet door of in opdracht van de gemeente is gerealiseerd. Dat gemeentelijke plannen bij de aanleg een verplichtend dan wel richtinggevend kader hebben gevormd, kan aan deze conclusie geen afbreuk doen. Evenmin staat aan deze conclusie in de weg dat verweerder, gebruikmakende van zijn publiekrechtelijke bevoegdheden, de benodigde vergunningen en ontheffingen heeft verleend.

Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat het erop lijkt dat de betrokken partijen, onder wie de gemeente, een constructie hebben bedacht ter voorkoming van voor rekening van de gemeente komende nadeelcompensatieclaims. Hiertoe heeft eiser gewezen op een aantal passages uit de beide eerdergenoemde overeenkomsten. Bovendien heeft hij de vraag opgeworpen op welke wijze een einde is gekomen aan de in december 1995 gesloten samenwerkingsovereenkomst, waarbij hij een tweetal mogelijke constructies heeft geschetst, die volgens hem beide meebrengen dat de samenwerkingsovereenkomst nader is uitgewerkt -en daarom in stand is gebleven-, van welke uitwerking de gemeente profiteert en om die reden ook de lasten heeft te dragen. Andere relevante vragen zijn in de ogen van eiser wie er schuil gaat achter de Mariënburg Nijmegen II B.V. en hoe deze vennootschap het vastgoed in eigendom heeft kunnen verwerven.

Hierover merkt de rechtbank op dat niet is gebleken van concrete aanwijzingen dat de gemeente op enigerlei wijze, als door eiser gesuggereerd, schuil zou gaan achter (een van) de genoemde vennootschappen, en om die reden in een meer dan enkel kaderscheppende en faciliterende rol betrokken zou zijn geweest bij de aanleg van de Moenenstraat. Eiser heeft in dit opzicht volstaan met het uiten van vermoedens en van een begin van bewijs is geen sprake. Om deze reden ziet de rechtbank geen aanleiding om in te gaan op eisers bewijsaanbod (door middel van getuigen).

Waar het gaat om eisers stelling dat verweerder gelijktijdig had dienen te onderzoeken of ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) aanleiding bestaat om planschadevergoeding toe te kennen, overweegt de rechtbank tot slot het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in eisers verzoek van

29 april 2004, gelet op de bewoordingen daarvan, geen planschadeverzoek hoeven lezen. Eiser heeft in zijn verzoek gevraagd om nadeelcompensatie met als reden de enorme overlast van de nieuw te bouwen Moenenstraat, waarbij hij niet heeft gerept van een bestemmingsplan, vrijstellingsbesluit of enig ander in artikel 49 van de WRO genoemd besluit. Overigens zou verweerder een (als zodanig te herkennen) planschadeverzoek hebben moeten doorzenden aan de raad, zijnde het ter zake bevoegde orgaan. Zoals ook in het verweerschrift van verweerder wordt opgemerkt, staat het eiser overigens vrij om alsnog een planschadeverzoek in te dienen bij de raad.

Alles overziende komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder zich terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de verordening geen basis biedt voor vergoeding van de door eiser gestelde schade. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden, en het daartegen gerichte beroep is dan ook ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K.A.M. van Hoof, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2006.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA

‘s-Gravenhage.

Verzonden op: