Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AX1983

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-03-2006
Datum publicatie
16-05-2006
Zaaknummer
AWB 05/2983
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Negatief welstandsadvies kan niet zo ver reiken dat daardoor een toegelaten bebouwing in het geheel onmogelijk wordt. Niet aangegeven wanneer wél een positief advies zou kunnen worden verkregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 05/2983

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser]

wonende te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 28 juni 2005.

2. Procesverloop

Op 9 juni 2004 heeft eiser bij verweerder een aanvraag om reguliere bouwvergunning ingediend voor het bouwen van een kap op een garage/berging op het perceel [adres]. Bij besluit van 24 augustus 2004 heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning geweigerd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het eerder genoemde besluit, onder aanvulling van de motivering, gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 17 maart 2006. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door [X]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S. Hoekstra, ambtenaar der gemeente.

3. Overwegingen

Het bouwplan omvat de realisering van een kapconstructie op de bestaande, van een plat dak voorziene, garage/berging welke aan de rechter- en achterzijde aan het hoofdgebouw is aangebouwd. Het bestreden besluit berust op de adviezen van de welstandscommissie die van oordeel is dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand.

In artikel 44, eerste lid aanhef en d, van de Woningwet (Wow) is, voor zover hier van belang, bepaald dat een reguliere bouwvergunning slechts mag en moet worden geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Wow mogen het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand beoordeeld naar de criteria bedoeld in artikel 12a, eerste lid onderdeel a. Het derde lid van dit artikel bepaalt, voor zover hier relevant, dat voor zover toepassing van laatstbedoelde criteria leidt tot strijd met het bestemmingsplan, die criteria buiten toepassing blijven.

Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Van Breugelplantsoen' de plaatsing van een dakopbouw of kap op een bijgebouw als het onderhavige is toegestaan. De vraag die partijen verdeeld houdt is of verweerder op goede gronden de omtrent het bouwplan uitgebrachte (negatieve) adviezen van de welstandscommissie aan de weigering om bouwvergunning te verlenen ten grondslag heeft kunnen leggen.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Het bouwplan is in de fase voorafgaande aan het primaire besluit van 24 augustus 2004 twee keer aan de welstandscommissie voorgelegd. In haar advies van 2 juli 2004 heeft de welstandscommissie overwogen dat het bouwplan uit een oogpunt van welstand niet kan worden aanvaard, omdat de garage/berging zich qua vorm en uitstraling niet leent voor het aanbrengen van een kapconstructie. Blijkens haar advies van 29 juli 2004 heeft deze commissie in haar vergadering van 28 juli 2005 het plan aan een heroverweging onderworpen en haar negatieve advies als volgt toegelicht:

'De verschijningsvorm van de hoofdbouwmassa heeft een sterk rijzig karakter met een alzijdige schildkap. Om het rijzig karakter niet aan te tasten is het bijgebouw als platte vorm toegevoegd. Het bouwplan toont een gelijkvormige kap op het platte bijgebouw. Het grijpt als het ware om de rechter achterhoek van de woning. Door de wijze van uitwerking doet het afbreuk aan de verschijningsvorm van de hoofdmassa.'

Op 30 maart 2005 heeft verweerder in het kader van de bezwarenprocedure de welstandscommissie opnieuw verzocht het bouwplan te beoordelen. In haar advies van 6 april 2005 heeft de commissie aangegeven dat het advies van 28 juli 2005 naar haar mening een duidelijke motivering bevat waarom een toevoeging van een kap op het bijgebouw, zoals is voorgesteld, niet haalbaar is.

Blijkens een 'Memo' van 4 mei 2005 is namens verweerder vervolgens aan de welstandcommissie verzocht om te motiveren op grond van welke criteria uit de welstandsnota zij tot haar oordeel is gekomen. Hieraan is toegevoegd eventuele suggesties te geven voor wijzigingen aan het bouwplan, waardoor het welstandstechnisch acceptabel zou worden. In haar advies van 17 mei 2005 heeft de welstandscommissie, naast het geven van een algemene beschrijving van het betreffende gebied en de daarvoor geldende welstandscriteria, aangegeven dat bij de toetsing van het bouwplan de algemene welstandscriteria en die ten aanzien van massa en vorm van toepassing zijn. De commissie concludeert vervolgens 'dat de bouwkundige toevoeging op het platte deel van de garage niet aansluit bij de typologie van het bestaande gebouw en dat de nu nog heldere en eenduidige hoofdvorm wordt aangetast.'

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde en deels aangehaalde adviezen van de welstandscommissie in sterke mate de indruk wekken dat kennelijk iedere dakopbouw op het onderhavige bijgebouw op bezwaren van die commissie stuit. Zulks wordt nog versterkt door het feit dat de welstandscommissie, ondanks een uitdrukkelijk verzoek daartoe van verweerder, heeft nagelaten ook maar enige indicatie of handreiking te geven onder welke voorwaarden of op grond van welke aanpassingen een dakopbouw wél van een positief advies zou kunnen worden voorzien. Op grond van vaste jurisprudentie en mede gezien het bepaalde in artikel 12, derde lid, van de Wow, kan een negatief advies van de welstandscommissie niet zo ver reiken dat daardoor een krachtens het bestemmingsplan toegelaten bebouwing in het geheel onmogelijk wordt. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat aan genoemde adviezen van de welstandscommissie in de gegeven omstandigheden dusdanige gebreken kleven, dat verweerder zich hierop redelijkerwijs niet heeft mogen baseren. Het beroep is mitsdien gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb.

De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb te bepalen dat verweerder binnen twee maanden na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat het vorenstaande niet zonder meer impliceert dat eiser thans aanspraak op een bouwvergunning kan maken. Verweerder zal evenwel bij het opnieuw weigeren van een bouwvergunning op basis van het thans aangevraagde bouwplan zich alsnog van een deugdelijk welstandsadvies moeten voorzien. Zulks laat uiteraard onverlet dat verweerder bevoegd moet worden geacht, in afwijking van de huidige adviezen of van een nieuw negatief advies van de welstandscommissie, niettemin een bouwvergunning te verlenen.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, omdat van voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht niet is gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gezien artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat de gemeente Barneveld het door eiser gestorte griffierecht ten bedrage van

€ 138,- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries als rechter in tegenwoordigheid van mr. C.M.E. de Man, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2006.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: