Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AX1833

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-04-2006
Datum publicatie
16-05-2006
Zaaknummer
378224\CV EXPL 05-59
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis waarin vordering tot ontbinding en ontruiming huur wordt toegewezen. Huurders hebben zich niet als goed huurders gedragen nu zij ten onrechte geklaagd hebben over het gedrag van hun buren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 378224 \ CV EXPL 05-591 \ 19bw

uitspraak van 28 april 2006

Vonnis

in de zaak van

de stichting Stichting Talis, h.o.d.n. Talis Woondiensten

gevestigd te Nijmegen

gemachtigde Tomlow Advocaten

eisende partij

tegen

1.

[huurder]

wonende te Nijmegen

gemachtigde mr. J. van Delft

2.

[huurster]

wonende te Nijmegen

gemachtigde mr. J. van Delft

gedaagde partij

Partijen worden ook in dit vonnis Talis, [huurder], [huurster] en, laatstgenoemden gezamenlijk, [huurders] genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit

- het tussenvonnis van 29 juli 2005

- het procesverbaal van getuigenverhoor aan de kant van Talis van 6 februari 2006, waar [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] als getuigen zijn gehoord

- het procesverbaal van tegengetuigenverhoor van 7 maart 2006, waar [huurder], [huurster], [getuige 4], zuster van [huurster], en [getuige 5] als getuigen zijn gehoord.

2. De verdere beoordeling

2.1 Wat in voornoemd tussenvonnis is overwogen wordt hier overgenomen.

2.2 In dat vonnis is Talis toegelaten tot het bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit kan volgen dat [huurders] zonder serieuze reden veelvuldig bij verschillende instanties over (het gedrag van) de familie [x] en haar bezoekers heeft geklaagd en/of hen heeft geïntimideerd en bedreigd, met de kennelijke bedoeling te bewerkstelligen dat de familie [x] haar woning zou moeten verlaten.

2.3 Talis heeft drie getuigen laten horen en [huurders] in tegengetuigenverhoor vier.

2.4 De getuige [getuige 1] heeft verklaard:

"Ik werk sinds september 2001 bij Talis in de functie van Hoofd Vestiging. Dat is een leidinggevende middenkaderfunctie. De woonconsulenten rapporteren aan mij over wat er aan problemen leeft in, in dit geval, de Kolpingwijk. In extreme situaties treed ik zelf op. Behalve van de woonconsulenten ontvang ik ook informatie van twee buurtconciërges en van de opzichter. Achtereenvolgens hebben in deze kwestie de woonconsulenten Hilda Menke, Marja Klabbers en Maurice Schweitzer gerapporteerd. Sinds ongeveer 2000 kreeg ik van Hilda Menke heel incidenteel berichten dat er klachten waren van de [huurders] over hun buren, de familie [x]. Dat heeft tot eind 2003 geduurd. Wij hebben daarop de gebruikelijke actie ondernomen: gesprekken met alle betrokkenen. Die zijn gevoerd door Hilda Menke. Op een gegeven moment, dat was in december 2002, zo heb ik nagezocht, hebben wij een brief geschreven aan de [huurders] dat wij stopten met bemiddelen omdat er geen sprake was van ernstige woonoverlast en dat we geen dader of slachtoffer konden traceren. Op dat bericht is van de [huurders] geen reactie gekomen.

In die periode hebben wij van de familie [x] geen klachten gehad. Ze waren vooral bang, zo hoorde ik van de woonconsulente.

Eind 2003 ontving mevrouw Klabbers van de [huurders] klachten over geluidsoverlast. Volgens de gebruikelijke procedure heeft zij gesprekken gevoerd met de betrokkenen. In december 2003 is er een bemiddelingsgesprek geweest tussen betrokkenen in aanwezigheid van de netwerkagent [getuige 3] en mevrouw Klabbers. Dat leverde niets op. De [huurders] bleef klagen.

U vraagt mij of ik ook geprobeerd heb objectief iets vast te stellen. Ik heb de rapporten gelezen en opdracht gegeven voor het inschakelen van derden. Dat was het bureau Hoek en Leijten en beveiligingsbedrijf CSU. Hoek en Leijten is een bureau met hoog gekwalificeerde hulpverleners op het terrein van het maatschappelijk werk dat onderzoeken verricht in de regio voor urgentie voor woningtoewijzing. De opdracht aan het bureau was: het geven van inzicht in de situatie. Ze hebben daarover gerapporteerd en dat rapport is overgelegd in deze procedure.

CSU is ingeschakeld om de [huurders] de mogelijkheid te geven om te bellen wanneer er sprake was van overlast. Dat kon dag en nacht. Onder kantoortijden konden ze Talis bellen, in de avonduren de politie. Die maakte echter afwegingen van prioriteit, hoewel ze hadden toegezegd op meldingen van de [huurders] te zullen reageren. Daarom hebben we als aanvullende service de mogelijkheid gegeven CSU te bellen. In een periode van een half jaar is CSU vier keer gebeld en ter plaatse gegaan om vast te stellen of er sprake was van overlast. Die vier keren heeft CSU ons bericht dat er sprake was van geluid maar niet van ernstige geluidsoverlast.

U vraagt mij of er klachten zijn gekomen van de familie [x]. Die waren heel bang en ze wilden weg. Ik heb hun geadviseerd om een urgentieverklaring aan te vragen. Die hebben ze ook gekregen. Een onafhankelijke regionale commissie van het KAN heeft dat beoordeeld.

Ik heb ook contact gehad met Oosterpoort, de vorige verhuurder van de familie [x].

Van Oosterpoort kreeg ik bericht dat de familie [x] normaal woongedrag had.

Van de familie [x] kwam er een bericht aan de woonconsulent dat zijn auto was vernield en dat men dacht dat de [huurders] dat had gedaan. Men was bang voor de heer [huurder] omdat hij tegen hen schreeuwde en een dreigende houding aannam. Ook via de netwerkagent kwamen bij ons berichten binnen over intimidatie en bedreigingen door de [huurders] ten opzichte van de familie [x]."

Op vragen van mr. Kox:

"U vraagt mij naar de opstelling van beide partijen in de bemiddelingsgesprekken. In het bemiddelingsgesprek van december 2003, zo is mij gerapporteerd door de woonconsulent, reageerde de familie [x] serieus op klachten. Ze zeiden dat als er dingen waren waaraan zij iets konden doen, dat ze dat dan wilden. Bij de [huurders] was er vooral boosheid en het verzoek aan [x] om te verhuizen. Er was weinig bereidheid tot toenadering.

U vraagt mij naar de opstelling van de [huurders] ten opzichte van de medewerkers van Talis. Men was ontevreden en vond dat Talis te weinig deed om de problemen op te lossen en nam dat de medewerkers persoonlijk kwalijk. De houding van de heer [huurder] werd door de betrokken medewerkers als bedreigend ervaren. Die ontevreden houding uitte zich in verbaal geweld, het op een paar centimeter van een medewerker gaan staan en in zijn gezicht schreeuwen en het met veel handgebaren duidelijk maken dat [x] de buurt uit moest en als dat niet zou gebeuren dat zij er dan zelf voor zouden zorgen met behulp van familie en andere buurtbewoners. Ook aan de telefoon was er sprake van verbaal geweld tegen medewerkers van Talis."

Op vragen van mr. Van Delft:

"Er waren drie broers [x], waarbij de oudste de zorg droeg voor de twee jongere broers. De oudste was 37 jaar destijds en de twee jongere broers naar mijn schatting rond de

18 jaar. Ik weet niet wie van de broers bij het bemiddelingsgesprek aanwezig is geweest.

Op de vraag of mij bekend is dat de oudste broer meestal niet op het woonadres aanwezig was, is mijn antwoord dat ik daar niets van weet. Op het huurcontract stond de naam van de oudste broer. Hij was de huurder en de twee andere broers waren leden van het huishouden".

2.5 De getuige [getuige 2] heeft verklaard:

"Eind 1999 begin 2000 heb ik het bureau Leijten en Van Hoek opgericht. Het is een adviesbureau. Talis is sinds het begin opdrachtgever van ons bureau. De grootste groep opdrachten bestaat uit rapportages over mensen die voorrang vragen op de woningmarkt. Wij rapporteren dan als extern deskundige zodat dan de commissie die daarover gaat kan beslissen. Incidenteel hebben we een bijzondere opdracht, zoals deze. Uit mijn hoofd gezegd was de opdracht een gesprek te voeren met beide partijen en eventueel met de politie en Talis om tot een objectieve rapportage te komen over de situatie en een advies voor een oplossing. Ik heb met de [huurders] en de familie [x] gesproken en met mevrouw Klabbers van Talis en de heer [getuige 3] van de politie.

In de gesprekken met de betrokken gezinnen, die ik los van elkaar heb gevoerd, hanteerde ik de volgende methode. Ik heb eerst helder gemaakt waarom ik kwam praten. Daarna heb ik met elk van beide partijen gesproken op feitelijk niveau, op belevingsniveau, en over de gevolgen daarvan. U vraagt mij naar de opstelling van de [huurders] in dat gesprek.

Ze hebben mij verteld over hun buurjongens en dat leidde tot heftige reacties waarbij beiden zeiden dat ze het gedrag van hun buurjongens heel vervelend vonden en dat dat niet kon.

Ze zeiden ook dat ze daardoor veel last hadden van stress. Ook zeiden ze dat als dit niet opgelost werd, dat ze dan niet voor zichzelf instonden. Met name de familie, hun zoons, en kennissen uit de buurt zouden dan met behulp van honkbalknuppels het recht wel in eigen hand kunnen nemen. De teneur van het gesprek was dat er door anderen een oplossing moest worden gevonden en dat ze anders niet voor zichzelf zouden instaan. U vraagt mij of ik de mogelijkheid om zelf aan een oplossing te werken ter sprake heb gebracht. Of ik dat gedaan heb weet ik niet meer maar wel herinner ik mij dat de speelruimte voor andere oplossingen dan dat de familie [x] weg ging, nihil was. Er was geen andere mogelijkheid voor hen.

U vraagt mij naar de opstelling van de familie [x] in het gesprek. Ik heb gesproken met de hoofdhuurder [x], zijn jongere broer en met een neef die daar niet woonde. Hun feitenrelaas was heel anders. Zij hebben me verteld dat ze alleen met koptelefoon muziek beluisterden, mij de schade laten zien van een steen die door de keukenruit was gegaan en ook vertelde ze me over de gehorigheid van de woning. Je kon de buren bij wijze van spreken horen hoesten. De jongste broer was alleen maar bang. De oudste wilde ook wel weg maar had ook iets pragmatisch. Hij had kosten gemaakt in de woning en hij woonde betaalbaar en wilde dus niet zonder meer weg. De jongste wel, die was bang voor ongelukken en dat de boel in brand zou gaan. Hij vertelde dat ze nauwelijks sliepen en dat hij concentratieproblemen op school had.

Voorafgaand aan de gesprekken met de families [huurders] en [x] heb ik telefonisch contact gehad met mevrouw Klabbers van Talis. Zij heeft mij de opdracht toegelicht en verteld dat Talis al een lange periode naar een oplossing zocht voor een ernstig probleem. Ze was bang dat het uit de hand zou lopen en vroeg mij om een rapportage te maken waarin de situatie van beide partijen helder werd. Ik heb van haar ook gehoord dat er een beveiligingsbedrijf was ingeschakeld en dat er politiebemoeienis was. Na het gesprek met de families [huurders] en [x] heb ik nog een keer met haar gebeld. Ik had namelijk van de [huurders] gehoord dat een andere medewerker van Talis had toegezegd dat de familie [x] zou kunnen verhuizen. Ik had inmiddels na de gesprekken het idee: dit gaat niet, dus als die toezegging inderdaad zou zijn gedaan, dan was dat een goede oplossing. Mevrouw Klabbers zei mij dat die toezegging niet was gedaan.

Na het gesprek, ik denk op de dag van mijn rapport, heb ik gesproken met de wijkagent [getuige 3]. Ik heb hem gevraagd wat er bij de politie over de feiten bekend was. Ik weet niet meer exact wat hij op dat punt heeft gezegd maar wel dat er te weinig feitenmateriaal was voor strafrechtelijke stappen. Hij deelde mijn inschatting dat de situatie niet kon blijven bestaan omdat er anders ongelukken zouden gebeuren."

Op vragen van mr. Kox:

"Talis is niet mijn enige opdrachtgever. Alle woningcorporaties uit de regio geven ons opdrachten."

Op vragen van mr. Van Delft:

"De [huurders] heeft mij inderdaad voorbeelden van overlast genoemd. U vraagt mij of ik het idee had dat er bij hen iets anders speelde dan overlast. Zij vonden dat de manier waarop de familie [x] leefde niet in de buurt paste. [huurster] voegde daar nog aan toe: niet dat wij racistisch zijn want ik ben zelf getrouwd met een Turkse man, maar die jongens passen hier niet. Of dat laatste te maken had met de overlast? Ja.

Of de stress waarover zij het hadden echt was? Ja, dat was duidelijk. Ik kon niet beoordelen of dat uitsluitend het gevolg was van hun klachten over de overlast, omdat ik niet wist of er nog andere stressoren waren. Wel was duidelijk dat hun beleving van de woonsituatie tot stress leidde.

Op de vraag of ik van de familie [x] voorbeelden heb gehad over bedreigingen is mijn antwoord dat zij ervan overtuigd waren dat de steen door de ruit door of in opdracht van de [huurders] was gegooid en verder hebben ze mij verteld dat [huurster] op de dag van hun verhuizing zei dat ze niet zoveel lawaai moesten maken en dat ze moesten oppassen omdat zij als ze last van hen had naar Talis zou gaan. Over die steen door de ruit hadden ze geen bewijzen. Wat mij opviel was verder dat ze voorbeelden gaven dat ze het idee hadden dat ze in de gaten werden gehouden. Ze noemden bijvoorbeeld een opmerking van [huurster]: eten jullie nu alweer brood? Ze hadden het idee dat ze niets konden doen zonder dat dat bekend werd.

De wijkagent was het met mij eens dat de situatie niet kon blijven voortbestaan. Ik weet niet meer zeker wat zijn mening was over een oplossing. We hebben er wel over gepraat in de trant van dat de jongens [x] bereid zouden moeten zijn te verhuizen. Ik heb geen idee waarom mijn advies niet is opgevolgd.

2.6 De getuige [getuige 3] heeft verklaard:

"Ik werk sinds 2000 bij de politie en ben sinds begin 2003 netwerker in de Kolpingbuurt. Voor 2003 werkte ik ook al in dezelfde groep. In februari 2004 heb ik voor het eerst gehoord van problemen tussen de families [huurders] en [x]. Ik houd van alle gebeurtenissen aantekening bij mutatie en die worden vastgelegd in het bedrijfsprocessensysteem van de politie. Dat ik in februari 2004 voor het eerst hoorde van de problemen heb ik opgezocht. Overigens staat de hele zaak mij helder voor de geest. Talis bracht in 2004 de problemen onder mijn aandacht in de persoon van de woonconsulent mevrouw Klabbers. Ze vroeg om bemiddeling in verband met onenigheid tussen de families. Ik heb bemiddelingsgesprekken gevoerd met beide families afzonderlijk maar ook gezamenlijk. De inhoud van de klachten van de [huurders] was geluidsoverlast, veel aanloop, mogelijk dealen en later kwam daarbij bedreigingen door de familie [x] of andere Somalische mensen. Ik heb nooit geluidsoverlast geconstateerd en evenmin dealen. Wel heb ik gezien dat er een aantal malen Somalische mensen aanwezig waren. Wij hadden een plan van aanpak gemaakt en onderdeel daarvan was dat ik frequent zelf zou controleren op onverwachte momenten. In de periode februari 2004 tot en met juli 2004 ben ik 20 keer onverwacht aangegaan bij de families, zowel overdag als in de avonduren. Ik heb zoals gezegd geen geluidsoverlast geconstateerd en geen aanwijzingen voor dealen. De meeste keren trof ik bij de familie [x] twee of drie mensen, de jongens zelf, thuis en eenmaal heb ik zeven mensen aangetroffen.

U vraagt mij naar de opstelling van de [huurders] over hun buren, zoals ik die in de gesprekken heb kunnen waarnemen. Er was sprake van heel veel frustratie over de buren, over Talis en over de politie. Ook leidde ik uit hun uitingen af dat er een gespannen agressieve sfeer aan het ontstaan was. In de bemiddelingsgesprekken was er bij de familie [x] een opening om over een oplossing te spreken. Niet bij de [huurders]. Die wilde dat de familie [x] zou verhuizen. Ik heb wel geprobeerd over een andere oplossing met hen te spreken, maar dat lukte niet. Ik weet niet waar dat aan lag. Ik had mijn collega’s van de surveillancedienst gevraagd om extra aandacht te besteden aan deze problematiek. Op verschillende tijdstippen zijn die ter plaatse geweest. Dat zijn in de periode februari 2004 tot aan de escalatie in juli 2004 rondom de 25 bezoeken geweest. De collega’s hebben daarover gerapporteerd en hun rapportage komt overeen met mijn bevindingen.

Met name de oudste broer van de familie [x] maakte zich op een gegeven moment zoveel zorgen over escalatie dat hij wilde vertrekken. Voordat het zover was was er met hem wel te praten over oplossingen. Ik moet daarbij wel een schakering aanbrengen: ik heb de afspraken met de oudste broer gemaakt en ik weet niet in hoeverre de twee jongere broers zich aan de afspraken hebben gehouden. De oudste broer is geboren op 3 maart 1967 en de twee jongere broers in respectievelijk 1985 en 1987. Uit de gemeentelijke basisadministratie bleek dat er nog twee mensen op dat adres stonden ingeschreven geboren in respectievelijk 1969 en 1981. Ik heb die daar wel aangetroffen maar in mijn beleving woonden zij daar niet. De oudste broer is een tijd in het buitenland geweest, volgens mij is dat in maart en april 2004 geweest.

Het is mij bekend dat Talis een beveiligingsbedrijf had ingeschakeld. Daar heb ik geen contact mee gehad."

Op vragen van mr. Kox:

"U vraagt mij om in het kort de Kolpingbuurt te beschrijven en de rol van de [huurders] in die buurt. Het is een achterstandswijk met behoorlijk wat criminaliteit, armoede, veel werkloosheid en veel drugsoverlast en verslaving. Een wijk die intensieve zorg vergt van verschillende partners. Bij de gemeente is het een aandachtswijk en er lopen verschillende projecten. Het is een gesloten gemeenschap en het is moeilijk bepaalde processen te doorbreken. De bewoners reageren voornamelijk uit emoties.

De politie heeft geen overlast ondervonden van [huurders], niet voor en niet na deze meldingen van overlast over hun buren. Wel heeft de politie regelmatig contact met de zonen van [huurster], die niet bij hen in huis wonen, maar wel in de wijk. Van een zoon weet ik dat hij verslaafd is en van twee van de drie, onder wie de verslaafde zoon, dat zij zich met criminele activiteiten bezighouden. Of het mij bekend is dat de heer [huurder] agressief en intimiderend gedrag kan vertonen? Ja dat is mij bekend."

Op vragen van mr. Van Delft:

"Op de vraag of ik kan uitleggen hoe ik aan die wetenschap kom is mijn antwoord dat ik dat zelf heb geconstateerd. In een bemiddelingsgesprek met de woonconsulent van Talis heb ik een woede-uitbarsting van de heer [huurder] gezien en een aantal keren heb ik dat bij hun thuis gezien, waarbij de woede zich ook tegen de politie keerde. Dat is een van de redenen dat de heer [huurder] is aangehouden destijds. Mij is dat door een collega gerapporteerd.

De frustratie van de [huurders] over Talis en de politie had te maken met hun opvatting dat er door Talis en de politie al vanaf 2000 niets werd gedaan. Mijn voorganger netwerker Toin Duinstee wist van de problematiek vanaf 2000 zo is mij achteraf gebleken. Vanaf 2003 tot begin 2004 zijn er geen meldingen geweest van overlast.

De keren dat ik als netwerker bij de families ben langs geweest waren gedeeltelijk onverwacht en gedeeltelijk ook als reactie op een melding.

Ik heb een keer de [huurders] geadviseerd kentekens te noteren en mij te vertellen wat ze constateerden, maar geen aangifte te doen. Dat hield verband met het bemiddelingstraject dat inmiddels liep en met een mogelijke oplossing. Die oplossing was en dat heb ik ook gezegd dat het Somalische gezin mogelijk weg ging. Op 28 juni 2004, toen er een incident plaatsvond tussen beide families, was ik niet in dienst. Ik was toen op vakantie."

2.7 [huurder] heeft als getuige verklaard:

"Ik ben in 1990 in Nijmegen komen wonen en ik woon sinds 1998, geloof ik, op mijn huidige adres aan de Engelsstraat 33. Ik woon daar met mijn vrouw en met twee kinderen uit een eerder huwelijk, Hassan van 13 jaar en Gulumser van 10 jaar.

Ik weet het niet precies maar ik geloof dat de familie [x] in 2000 of 2001 naast ons is komen wonen. Het waren drie broers. Ik heb kennis met ze gemaakt toen ze aan het verhuizen waren. Ze waren aan het sjouwen met spullen en ik heb toen hulp aangeboden. In het begin was ik tevreden over hen als buren. Ongeveer zes maanden later was dat heel anders geworden. Er kwamen heel veel mensen op bezoek, die schreeuwden en binnen ruzie maakten. Af en toe ook stond de muziek te hard, maar dat was niet vaak. Door het geschreeuw konden wij niet slapen. Die aanloop van mensen kwam elke dag voor en duurde vaak de hele nacht. Ook werd er op onze deur of op die van de familie [x] gebonsd of ertegen geschopt. Ook werd er op de ramen geklopt. Ik heb nooit gehoord dat de bel daar ging. Er waren mensen bij die ons gemeen aankeken. Het waren enge mensen en ze hadden tassen bij zich waar volgens ons qat in zat. Mijn idee was dat ze daarin handelden. Er waren twee auto’s met Engelse kentekens en één bus met een Nederlands kenteken. Iedere keer werden daar mensen mee gebracht. Volgens ons ging het om mensensmokkel en was het huis een pension. Ik heb over onze klachten eerst met henzelf gesproken en later met Talis en met de politie. Ook heb ik aan de buurtconciërge om hulp gevraagd. Van Talis heb ik gesproken met mevrouw Menke, mevrouw Klabbers en de heer [getuige 5]. Ik heb ook gesmeekt om de heer [getuige 1] te mogen spreken, maar dat mocht niet. Ook heb ik het beveiligingsbedrijf dat Talis had ingeschakeld gebeld. Misschien wel vijftig keer. De afspraak was dat ze binnen tien minuten bij ons zouden zijn. De eerste twee keer was dat ook zo maar daarna duurde het veel langer, tot wel een uur toe. Dan zeiden ze dat ze in Oss zaten en niet op tijd konden komen.

In het begin hoefde de familie [x] voor ons niet weg, maar later wel. Wij wilden niet weg. Mijn vrouw woont daar al 36 jaar. Het was beter dat zij weggingen, want wij hadden geen rust meer.

Ik ben verschillende keren bij hen geweest om te vragen of het rustiger kon.

De jongens zeiden dan: sorry, het gebeurt niet meer, maar een half uur later was het weer mis. Ik ben wel eens chagrijnig geweest tegen hen maar nooit echt boos. Later hebben we wel ruzie gekregen. Ik heb hen niet bedreigd maar zij hebben ons bedreigd."

Op vragen van mr. Van Delft is mijn antwoord:

"De politie zei tegen ons dat we met de familie [x] voorzichtig moesten zijn omdat ze slachtoffers zijn uit een oorlogsgebied. Volgens de politie waren het levensgevaarlijke mensen.

Ik heb de buurtcommissie bijna dagelijks om hulp gevraagd. Ik heb gesproken met Joop Wijers en Arjan, waarvan ik de achternaam niet weet. Ze zijn ook bij mij thuis geweest om te luisteren. Arjan vond de buren rumoerig en toen Joop er was was er echt sprake van lawaai. Talis heeft wel hulp willen geven maar dat heeft niets geholpen. Het kwam elke dag voor dat er zoveel mensen waren. Ik zou het niet erg hebben gevonden als het één keer per week was voorgekomen, zo kinderachtig ben ik niet.

Op een dag is er een incident geweest. Mijn schoonzus was bij ons op bezoek en de voordeur stond open. Iemand van het bezoek van de familie [x] kwam bij ons binnen. Ik zag hem en liep er achter aan. Ik zag dat hij een mes in de hand had. Mijn stiefzoon Patrick kwam erbij en ik heb een steen gepakt. De man die bij ons de gang in was geweest deed toen de deur dicht waardoor de ruit van hun voordeur kapot ging. Hij heeft ons bedreigd"

Op vragen van mr. Kox is mijn antwoord:

"U wilt weten waarom de politie de overlast door de aanloop bij de familie [x] nooit heeft gezien. De politie ging met een auto vijftig meter verder staan.

Waarom ik het beveiligingsbedrijf heb afgebeld? Ik wou er niet op wachten omdat ze niet op tijd kwamen en wij moeten vroeg op.

Ik ben wel eens boos geworden op de heer [getuige 5] omdat hij niet hielp. Ik wilde dat Talis ervoor zorgde dat ik rustig kon wonen."

2.8 [huurster] heeft als getuige verklaard:

"Ik woon sinds 1970 in de Engelsstraat. Daar wonen ook mijn man en twee kinderen uit zijn eerste huwelijk die ik voor 100% als mijn eigen kinderen beschouw.

De familie [x] is er in 2000 komen wonen. Wij hebben toen bij de voordeur handen geschud en ons aan elkaar voorgesteld. Het waren drie personen. In het begin vond ik hen aardig en had ik geen overlast van hen. Na ongeveer vijf maanden begon de overlast. Harde muziek, schreeuwen, ruzie in de woning. Dat kwam van hen drieën. Ik heb toen aangebeld en gevraagd of het rustiger kon. Meneer [x] maakte excuus en het zou niet meer gebeuren. Een kwartier later was het weer hetzelfde. Ik heb dat probleem bij mevrouw Menke van Talis aangekaart. Zij is bij ons en de familie [x] in huis geweest. Ook zijn wij samen met de familie [x] bij haar geweest voor een gesprek. Dat heeft niet geholpen. Ook is de wijkagent Ton Duinstee, samen met Henk Hutten van de politie bij de familie [x] geweest om hen te waarschuwen. Ook dat heeft niet geholpen. De overlast werd erger. Het werd steeds drukker en er kwamen stenen tegen onze ramen, bedoeld om de buren wakker te maken, er werd geschopt tegen hun voordeur, en dat alles ’s avond en ’s nachts. Het gebeurde heel vaak, wel elke week. Talis heeft toen een beveiligingsbedrijf ingeschakeld, CSU. Die zouden binnen tien minuten na een melding van ons bij ons zijn. Ik heb ze zeker een keer of tien gebeld. Vaak waren ze buiten de stad en konden niet snel bij ons zijn. Wij konden daar dan niet op wachten en we belden dan af. Er is een keer een vervelende confrontatie geweest met een bezoeker van meneer [x]. Ik had gevraagd om meneer [x] te spreken, toen er erge overlast was, en die andere viel toen erg tegen mij uit. Ik was bang en ik durfde op een gegeven moment niet meer in mijn eigen voortuin te zitten. Mensen hebben nooit last van mij gehad. Ik heb recht op rustig wonen. U vraagt mij hoe het komt dat de politie de overlast nooit heeft kunnen vaststellen. Dat weet ik wel. Als de politie kwam en precies voor mijn deur stopte dan was het meteen stil. Als de politie weg was dan begon het weer, het geschreeuw en de muziek.".

Op vragen van mr. Van Delft is mijn antwoord:

"Ik durfde niet in mijn voortuin te zitten omdat er een keer een bezoeker van de familie [x] mijn buurvrouw, met wie mijn zus en ik toen in de voortuin zaten te praten, bij haar rug pakte en vroeg of wij het over hem hadden. Hij vroeg toen op een heel gemene manier: gaat alles wel goed? Door die man is alles erg gaan escaleren. Hij is ook een keer in ons huis geweest, in de gang, toen de voordeur openstond. Mijn man werd heel erg boos en zei: het huis uit!

Wij hadden dagelijks overlast van bezoek en wij hebben ook dagelijks geklaagd, bij de buurtconciërge, wijkagent, mevrouw Menke, mevrouw Klabbers.

De politie is heel vaak bij ons thuis geweest. Ze adviseerden ons het rustig aan te doen omdat de familie [x] oorlogsslachtoffer was en oorlogsslachtoffers waren volgens de politie gevaarlijk. Eerlijk gezegd was ik best bang voor ze. Ik heb heel onrustig geleefd in die tijd en dat gold ook voor de kinderen. Die werden vaak midden in de nacht wakker en toen het escaleerde durfden ze niet meer naar buiten."

2.9 De getuige [getuige 4] heeft verklaard:

"Ik ben een zus van mevrouw [huurster]. Ik woon een paar straten verder en we zien elkaar elke dag. Ik ga meestal naar mijn zus en zwager toe. Als ik werk ga ik ’s avonds en als ik vrij ben ga ik overdag. Ik woon in deze buurt vanaf 1978. De familie [x] is geloof ik in 2000 naast mijn zus en zwager komen wonen. Die familie bestond uit een hoofdbewoner en twee broers. Ik heb ze gezien maar nooit echt kennis met ze gemaakt. In het begin ging het tussen die buren, mijn zus en zwager en de familie [x], heel goed. Hoe ik dat zag? Ik zag dat aan de behulpzaamheid van mijn zus en zwager tegenover hen. Dat is niet zo gebleven. Na een goed half jaar veranderde het. Er was veel geschreeuw, harde muziek en ruzie bij de buren. Dat heb ik zelf gehoord. Mijn zus en zwager hebben vaak gevraagd of het wat rustiger kon, maar dat had geen effect. Na een kwartier was het alweer raak. Ze zijn toen bij mevrouw Menke van Talis geweest, maar dat heeft niet geholpen. Het ging jaren door, totdat het escaleerde in 2004. Daar was ik zelf bij. Ook is het een keer gebeurd dat een kennis van de familie [x], die regelmatig bij hen op bezoek kwam, plotseling bij mijn zus en zwager in de gang stond. Die man vroeg doen jullie mij na? Ik riep namelijk au omdat mijn zus warm water op mijn haar liet vallen. Mijn zwager zei toen tegen die man: mijn huis uit. De politie is vaak geweest. Een beveiligingsbedrijf, dat mijn zus en zwager konden bellen als er overlast was, is een of twee keer geweest. Daar ben ik bij geweest. Zij hebben toen overlast geconstateerd".

Op vragen van mr. Van Delft is mijn antwoord:

"Dat geschreeuw, die ruzie en die muziek kwam niet alleen door de familie [x] maar ook door hun bezoek. Ze hadden dagelijks bezoek en die mensen waren vaak uitdagend tegen ons als wij buiten zaten. Ik zat een keer buiten met mijn zus en de buurvrouw en toen kwam er een bezoeker van de familie [x], die de buurvrouw bij de schouder greep en vroeg: Hebben jullie het over mij? Toen zij nee antwoordde, zei hij heel uitdagend lachend: sorry, niet zo bedoeld. Ik voelde me daardoor bang en mijn zus ook. Ik merkte dat omdat ze op een gegeven moment niet meer naar buiten durfde. Het ergste wat er is gebeurd was op 28 juli 2004. Daar ben ik zelf bij geweest en dat was de ergste dag van mijn leven. We moesten van de wijkagent het kenteken opschrijven van die man die in de gang had gestaan. Die reed in een groene Seat Toledo en toen wij die zagen hebben wij het kenteken opgenomen. Die man reed weg en heeft dat waarschijnlijk gezien en is toen teruggekomen, tegen het verkeer in. Hij riep: Waarom wordt het kenteken opgeschreven? Wij zijn naar binnen gegaan, er waren zoveel mensen toen, die bij die buren waren, zeker 20 tot 30 personen en toen werd er van alles door de ramen gegooid, de ruiten aan de voorkant gingen eruit en ik weet nog dat mijn zwager mij uit de keuken haalde omdat het glas daar er ook al uit ging. Toen zag ik aan de achterkant een jongen over de schutting en ik dacht: Die komen naar binnen en maken ons allemaal dood".

Op vragen van mr. Kox is mijn antwoord:

"De politie is vaak langs geweest. Of de politie de overlast gezien heeft? Weet je wat het meestal was? Als ze zagen dat er politie was was het stil en even later was het weer raak. Mijn zus en zwager hebben overal geklaagd. Ik heb vaak gehoord dat mijn zus belde. Ze heeft zelfs aan Talis gevraagd om met mijnheer [getuige 1] te mogen praten.

Of ik gedacht heb of het onderling op te lossen was? Mijn zus en zwager hebben het wel geprobeerd door te praten, maar het hielp niet."

2.10 De getuige [getuige 5] heeft verklaard:

"Ik ben sinds september 2002 buurtconciërge in de Kolpingwijk. Ik ben in dienst van Talis. Een buurtconciërge probeert de leefbaarheid voor de bewoners te vergroten. Ik probeer het vertrouwen van de bewoners te krijgen door middel van communicatie, dat wil zeggen dat ik heel veel met de bewoners praat. Ik heb geen speciale opleiding gevolgd voor dit werk maar door mijn vorige werk had ik wel de nodige ervaring opgedaan. Ik heb een buitendienstfunctie bij het UWV gehad en ik heb zeven jaar zelfstandig gewerkt, waarbij ik onder meer een asielzoekerscentrum heb opgestart.

Ik ben met de [huurders] in contact gekomen door hun klachten over de buren.

Dat was dacht ik in oktober/november 2002. Ik heb een kantoor in de wijk en ik neem aan dat de klacht daar is binnengekomen. De klacht kwam erop neer dat er geluidsoverlast was en veelvuldig bezoek in de avonduren. Ik heb huisbezoeken afgelegd bij de [huurders] en bij de familie [x], de buren. Bij de [huurders] ben ik vier tot vijf keer geweest. Hun houding tegenover de buren was er een van boosheid. Er moest iets gebeuren volgens hen. De familie [x] begreep de klachten niet. Ik heb denk ik wel over en weer wat begrip gekweekt. Ik heb zelf nooit de klachten geconstateerd. Het is voor mij niet mogelijk om ’s avonds te controleren.

Er waren ook klachten van de [huurders] over overlast overdag, maar die heb ik zelf nooit geconstateerd. Ik heb ook nooit van iemand in de buurt daar iets over gehoord. U vraagt mij of het “invoelbare” klachten waren. Voor mij niet. Ik heb gemerkt dat de klachten hen erg dwars zaten. U vraagt mij of er een serieuze aanleiding was om te klagen. Ik heb het nooit begrepen omdat ik nooit iets heb geconstateerd. Er is overwogen om ’s avonds te gaan waarnemen en daarom is er een bewakingsdienst benaderd die zou controleren op aangeven van de [huurders]. Ik heb niet precies gehoord hoe dat is gelopen. Dat ging via de woonconsulent. Dat de zaak is geëscaleerd heb ik pas achteraf gehoord. Dat was voor mij een complete verrassing. Ik werd door de woonconsulent en de wijkagent op de hoogte gehouden".

Op vragen van mr. Van Delft is mijn antwoord:

"Ik zelf heb over deze kwestie geen contact gehad met de buurtcommissie maar volgens mij [huurders] wel. Het is juist dat ik me er op een gegeven moment niet meer mee bemoeid heb. Ik moest uitkijken om mezelf er te veel in te verdiepen omdat er zaken zijn die niet bij mij hoorden. Ik heb hen ook verteld dat ik hen niet kon steunen. Als ik zeg dat de klachten voor mij niet invoelbaar waren, dan doel ik op het feit dat ik zelf nooit heb geconstateerd dat er iets loos was. Of ik denk dat ze de klachten hebben verzonnen? Ze zaten er behoorlijk mee en dat hebben ze tegenover mij op een behoorlijk agressieve manier kenbaar gemaakt."

Op vragen van mr. Kox is mijn antwoord:

"Er is een voorval geweest op mijn kantoor waarbij de heer [huurder] zich behoorlijk heftig tegen mij opstelde. Er werd grof met woorden gespeeld en dat kwam bedreigend over. Ik ben er wat in gehard maar ik kan me voorstellen dat anderen daar behoorlijk van schrikken.

Als buurtconciërge loop je veel rond. Als er sprake is van overlast dan hoor je dat meestal van verschillende kanten. Zoiets ligt in een wijk waarin iedereen elkaar kent gauw op straat. Niemand anders in de Engelsstraat klaagde hierover. Ik wilde het graag constateren en niet op geruchten afgaan maar ik heb overdag nooit iets gezien. Of het op te lossen was? Ik denk dat waar er twee vechten twee schuld hebben."

2.11 Talis is geslaagd in het bewijs.

Uit de verschillende getuigenverklaringen, in onderling verband beschouwd, moet worden afgeleid dat Talis naar aanleiding van de aanhoudende klachten van [huurders] veel heeft gedaan om tot een objectieve vaststelling van overlast te komen. Zo zijn de woonconsulenten, de buurtconciërge, de netwerker van de politie, het onderzoeksbureau Leijten en Van Hoek en het beveiligingsbedrijf CSU ingeschakeld en is in samenspraak met de netwerker een plan van aanpak gemaakt. Blijkens de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 5] heeft geen van die ingeschakelde mensen of instellingen in de loop van enkele jaren ook maar een spoor van overlast kunnen vaststellen. Belangrijk en tekenend is in dit verband de verklaring van de buurtconciërge [getuige 5], die, behalve van [huurders], van niemand uit de Engelsstraat klachten van overlast heeft gehad, daar waar [huurders] stelt dat de overlast zich bijna dagelijks voordeed en de Kolpingwijk een wijk is waar mensen dicht bij elkaar wonen. De conclusie kan dan ook geen andere zijn dan dat er geen serieuze aanleiding voor klachten is geweest en dat [huurders] geklaagd heeft over normaal woongedrag van haar buren. Het zonder serieuze aanleiding veelvuldig klagen is geen goed huurdersgedrag. Talis mag van haar huurders verwachten dat zij alleen dan klagen en haar nopen tot het doen van grondig onderzoek wanneer daar serieus aanleiding voor is.

Dat slechte huurdersgedrag rechtvaardigt de gevorderde ontbinding en ontruiming.

2.12 Partij [huurders] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

De beslissing

De kantonrechter

ontbindt de huurovereenkomst tussen Talis en [huurders] met betrekking tot de woning aan de Engelsstraat 33 in Nijmegen;

veroordeelt [huurders] om binnen twee weken na de betekening van dit vonnis die woning met alles wat van hen is en ieder die bij hen hoort te ontruimen en te verlaten en de woning door afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van Talis te stellen, met machtiging van Talis om die ontruiming zonodig zelf te laten uitvoeren op kosten van [huurders], met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

veroordeelt [huurders] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Talis begroot op € 85,60 aan dagvaardingskosten, € 276,-- aan vastrecht, € 340,-- aan getuigetaxe en op € 600,-- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af..

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. B.P.M. Weusten en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2006.