Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AW7225

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
02-05-2006
Zaaknummer
132907
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De geldleenovereenkomst is een onderhandse akte, als bedoeld in art. 157 lid 2 Rv. Zij bevat slechts verplichtingen ten laste van gedaagde. Er ontbreekt een goedschrift van gedaagde, zodat de akte op grond van art. 158 lid 1 Rv vrije bewijskracht heeft.

Gedaagde heeft de stelling van eiser dat partijen een geldleenovereenkomst hebben gesloten, onvoldoende gemotiveerd betwist. Daarmee staat het bestaan van de geldleenovereenkomst vast.

In reconventie vordert gedaagde vernietiging van de side-letter op grond van primair 3:40 BW, omdat daarin een woekerrente van 1.000% per jaar is bedongen. Die vordering zal worden toegewezen, omdat een dergelijke rente in strijd is met de openbare orde en de goede zeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 132907 / HA ZA 05-1926

Vonnis van 5 april 2006

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. E.R. Looyen te Arnhem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats]

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. R.E.F. Bergwerf Bok,

advocaat mr. T.P.M. Kouwenaar te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 januari 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 20 maart 2006

- de conclusie van antwoord in reconventie.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[eiser] heeft [gedaagde] op 28 februari 2003 € 125.000,- in contanten gegeven. Op dezelfde dag hebben partijen een geldleenovereenkomst gesloten, waarvan de artikelen 1 en 2 als volgt luiden ([eiser] wordt schuldeiser, [gedaagde] schuldenaar genoemd):

“1. Schuldenaar is wegens heden ter leen ontvangen gelden hoofdelijk verschuldigd aan schuldeiser een som van euro 125.000 (zegge honderdvijfentwintigduizend euro).

2. De hoofdsom of het restant van ervan zal uiterlijk 31 mei 2004 worden afgelost.”

Partijen hebben op dezelfde dag een “Side letter bij geldleenovereenkomst” getekend, waaruit de artikelen 1 en 2 worden geciteerd:

“1. Vergoeding voor het ter beschikking stellen van de geldlening

Schuldeiser ontvangt als (rente)vergoeding voor de geldlening twaalf maandelijkse termijnen van elk € 125.000. De eerste termijn wordt betaald op uiterlijk 31 mei 2003. De laatste termijn betaling vindt plaats op 30 april 2004.

2. Zekerheidsstelling ten behoeve van geldlening

Schuldenaar zal een bankgarantie stellen ter grootte van € 125.000. Op 31 mei 2003 komt deze bankgarantie te vervallen, tenzij de eerste vergoeding ad € 125.000 niet wordt voldaan. In dat geval vervalt de bankgarantie op het moment de eerste vergoeding wordt voldaan. De kosten van de bankgarantie tot en met 31 mei 2003 komen voor rekening van de schuldeiser.”

De in art. 2 side letter genoemde bankgarantie is niet gesteld.

Het geschil

in conventie

[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 125.000,-, vermeerderd met rente en kosten.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

[gedaagde] vordert - samengevat - vernietiging van de geldleenovereenkomst en de side letter, met veroordeling van [eiser] in de kosten.

[eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

in conventie

[eiser] vordert terugbetaling van de lening, vermeerderd met wettelijke rente.

[gedaagde] werpt een aantal verweren op, waarvan niet van alle duidelijk is, wat de relatie met de geldlening is. [gedaagde] betoogt, voor zover van belang, dat hij het geld heeft ontvangen in zijn hoedanigheid van gemachtigde van ene [betrokkene 1], voor wie het geld bestemd was. Verder stelt [gedaagde] dat [eiser] het geld aan [betrokkene 1] zou hebben kwijtgescholden.

De geldleenovereenkomst is een onderhandse akte, als bedoeld in art. 157 lid 2 Rv. Zij bevat slechts verplichtingen ten laste van [gedaagde]. Er ontbreekt een goedschrift van [gedaagde], zodat de akte op grond van art. 158 lid 1 Rv vrije bewijskracht heeft.

Het verweer van [gedaagde] dat hij meende dat hij slechts een ontvangstbevestiging tekende en dat hij het geld als vertegenwoordiger ontving ten behoeve van [betrokkene 1], die rechtstreeks met [eiser] een overeenkomst had gesloten, vormt een betwisting van de stelling van [eiser] dat er sprake is van geldleenovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde]. [eiser] dient het bestaan van de geldleenovereenkomst te bewijzen, als dit door [gedaagde] voldoende gemotiveerd wordt betwist. [gedaagde] is bedrijfsleider van een overslagbedrijf in Rotterdam en adviseur/colporteur van een verzekeringsmaatschappij. Gezien deze maatschappelijke positie zal [gedaagde] geen moeite hebben om in een oogwenk de strekking van de geldleenovereenkomst te bevatten, waarin beknopt en in duidelijke bewoordingen is vermeld dat [eiser] geld heeft uitgeleend aan [gedaagde] en dat [gedaagde] dat geld terug moet betalen aan [eiser]. Wil [gedaagde] de stelling van [eiser] voldoende gemotiveerd betwisten, dan had [gedaagde] meer moeten stellen omtrent de rechtsverhouding tussen [betrokkene 1] en [eiser] en die tussen [betrokkene 1] en hemzelf. Hetgeen [gedaagde] heeft gesteld en ter adstructie in het geding heeft gebracht zijn allerlei in los verband met elkaar staande stellingen over internationale bankprogramma’s of investeringen in afvalverwerkingsprojecten met torenhoge rendementen en niet gemakkelijk te doorgronden documenten die bovendien dateren van na het moment van het sluiten van de geldleenovereenkomst. Daar komt bij dat [gedaagde] ter comparitie meende dat niet hij maar [betrokkene 1] de side letter had getekend. Dit betekent dat [gedaagde] de stelling van [eiser] dat partijen een geldleenovereenkomst hebben gesloten, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Daarmee staat het bestaan van de geldleenovereenkomst vast.

De stelling van [gedaagde] dat [eiser] het bedrag heeft kwijtgescholden, is een bevrijdend verweer, waarvan [gedaagde] stelplicht en bewijslast heeft. Op dit punt is de verklaring van [gedaagde] inconsistent: [eiser] zou dat hebben gedaan, omdat óf [betrokkene 1] zich uit een project zou terugtrekken óf [eiser], maar wie dat was wist hij niet meer. Het zo onaannemelijk dat [eiser] een omvangrijke vordering zou kwijtschelden, omdat óf hij óf een andere investeerder zich terugtrok uit een project, dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht en dat daarom niet wordt toegekomen aan bewijslevering.

Het voorgaande betekent dat de vordering zal worden toegewezen.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,60

- vast recht 2.750,00

- salaris procureur 2.842,00 (2,0 punten × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 5.677,60

in reconventie

[gedaagde] vordert in reconventie vernietiging van de side-letter op grond van primair 3:40 BW, omdat daarin een woekerrente van 1.000% per jaar is bedongen. Die vordering zal worden toegewezen, omdat een dergelijke rente in strijd is met de openbare orde en de goede zeden. Omdat strijd met de openbare orde en goede zeden leidt tot nietigheid van de overeenkomst, zal de rechtbank voor recht verklaren dat de side-letter nietig is. Het heeft geen gevolgen voor de vordering in conventie, omdat [eiser] wettelijke rente over het geleende bedrag vordert. De geldleenovereenkomst staat los van de side letter en wordt niet door de nietigheid getroffen. Dat onderdeel van de vordering in reconventie zal worden afgewezen.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris procureur 226,00 (1,0 punt × factor 0,5 × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 226,00

De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 125.000,00 (honderd vijfentwintig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 31 mei 2004 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 5.677,60,

verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

verklaart voor recht dat de side-letter bij de geldleenovereenkomst nietig is,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 226,00,

verklaart de proceskostenveroordeling in reconventie uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2006.