Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AW7191

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
02-05-2006
Zaaknummer
137439
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

In de onderhavige zaak gaat het om een bijzonder procedure op grond van de Advocatenwet waarin de Raad van Discipline een onderzoek gelast en vervolgens de kosten daarvan vaststelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 137439 / KG ZA 06-116

Vonnis in kort geding van 4 april 2006

in de zaak van

MR. [eiser],

Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Haarlem,

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek te Arnhem,

advocaat mr. P.H. van der Vleuten te Utrecht,

tegen

MR. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen worden hierna de Deken en mr. [gedaagde] genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van de Deken

- de aantekeningen van mr. [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De Deken is door de Voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam tot rapporteur benoemd in de zin van artikel 60d lid 1 juncto artikel 60c, lid 1 van de Advocatenwet teneinde een onderzoek in te stellen naar de toestand waarin de advocatenpraktijk van mr. [gedaagde] zich bevindt. De Deken heeft zich daarbij doen bijstaan door mr. [betrokkene 1], lid van de Raad van Toezicht van de Haarlemse Orde van Advocaten. Naar aanleiding van dat onderzoek is mr. [gedaagde] bij beslissing van de Raad van Discipline te Amsterdam van 29 september 2005 voor onbepaalde tijd geschorst als advocaat wegens onbehoorlijke praktijkuitoefening als bedoeld in artikel 60b, eerste lid van de Advocatenwet. Deze beslissing is op 18 november 2005 bekrachtigd door het Hof van Discipline.

2.2. Bij beslissing van voornoemde Raad van Discipline van 15 november 2005 is het ten laste van mr. [gedaagde] komende honorarium van de Deken vastgesteld op € 70.750,-exclusief BTW. Mr. [gedaagde] heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het Hof van Discipline. Op dat hoger beroep, waarvan de behandeling heeft plaatsgehad op 23 januari 2006, is – voor zover bekend – nog niet beslist.

2.3. Bij brief van 16 november 2005 heeft de Deken aan mr. [gedaagde] voorgesteld het honorarium – inclusief BTW neerkomende op € 84.192,50 – te storten onder de Deken van de Orde van Advocaten te Utrecht in afwachting van het in kracht van gewijsde gaan van de onder 2.2. genoemde beslissing danwel in afwachting van de beslissing van het Hof van Discipline. De Deken heeft daarbij verwezen naar de toezegging van mr. [gedaagde] om op deze wijze te betalen zoals is opgenomen in het proces-verbaal van de behandeling ter zitting van de Raad van Discipline van 12 oktober 2005.

Mr. [gedaagde] is op dat voorstel niet ingegaan.

2.4. Bij brief van 3 februari 2006 heeft de Deken mr. [gedaagde] gesommeerd tot betaling van voormeld bedrag over te gaan. Mr. [gedaagde] heeft aan die sommatie geen gevolg gegeven. De Deken heeft naar aanleiding daarvan op 17 februari 2006 – na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter in deze rechtbank – conservatoir beslag laten leggen op de aan mr. [gedaagde] in eigendom toebehorende onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres], kadastraal bekend [woonplaats] N 813, grootte 56 a 70 ca.

3. Het geschil

3.1. De Deken stelt zich op het standpunt dat uit de onder 2.2. genoemde beslissing van de Raad van Discipline voortvloeit dat hij een direct opeisbare vordering tot het daar genoemde bedrag op mr. [gedaagde] heeft. Daaraan doet volgens de Deken niet af dat mr. [gedaagde] hoger beroep tegen die beslissing heeft ingesteld, omdat op grond van artikel 60d lid 6 van de Advocatenwet moet worden aangenomen dat het Hof van Discipline niet tot een ander oordeel kan komen, nu dat Hof reeds op 18 november 2005 de beslissing tot schorsing van mr. [gedaagde] heeft bekrachtigd.

Subsidiair heeft de Deken aangevoerd dat mr. [gedaagde] gebonden is aan zijn toezegging bedoeld onder 2.3.

3.2. De Deken vordert op grond van het vorenstaande – samengevat – primair veroordeling van mr. [gedaagde] tot betaling aan de Deken van het onder 2.3. genoemde bedrag ad € 84.192,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2006 en subsidiair betaling van dat bedrag door mr. [gedaagde] onder de voorwaarde dat de Deken die betaling onmiddellijk na ontvangst doorstort onder de Deken van de Utrechtse Orde van Advocaten met bepaling dat die Deken het ontvangen bedrag dient uit te betalen aan de rechthebbende naar aanleiding van en conform de door het Hof van Discipline te nemen beslissing bedoeld onder 2.2.

De Deken vordert meer subsidiair mr. [gedaagde] te veroordelen tot rechtstreekse betaling van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 februari 2006, op de Dekenrekening van de Deken van de Utrechtse Orde van Advocaten met bepaling dat die Deken het ontvangen bedrag dient uit te betalen aan de rechthebbende naar aanleiding van en conform de door het Hof van Discipline te nemen beslissing zoals onder 2.2. bedoeld, versterkt met een direct opeisbare dwangsom van € 85.000,--.

De Deken vordert tevens mr. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, die van het beslag daaronder begrepen.

De Deken stelt een spoedeisend belang bij de door hem gevorderde voorzieningen te hebben, omdat hij vreest dat mr. [gedaagde] uiteindelijk niet tot betaling van het verschuldigde bedrag in staat zal blijken te zijn, omdat mr. [gedaagde] inmiddels al gedurende enige tijd als advocaat is geschorst en dus geen inkomsten heeft.

3.3. Mr. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Hij heeft allereerst betoogd dat de Deken niet ontvankelijk in zijn vorderingen dient te worden verklaard, met name omdat:

a. het spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening ontbreekt, nu het Hof van Discipline op korte termijn uitspraak zal doen op het door mr. [gedaagde] ingestelde hoger beroep tegen de onder 2.2. vermelde uitspraak van de Raad van Discipline; bovendien heeft de Deken zich reeds voldoende zekerheid verschaft door het leggen van beslag op de woning van mr. [gedaagde], welke woning een overwaaarde heeft die de omvang van de vordering aanzienlijk overstijgt;

b. op de vordering de begrotingsprocedure ex artikel 32 e.v. van de Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken (WTBZ) van toepassing is en de Deken zijn vordering dus ter begroting bij de Raad van Toezicht had moeten indienen;

c. de vordering nog niet opeisbaar is, omdat het door mr. [gedaagde] ingestelde hoger beroep de werking/tenuitvoerlegging van de onder 2.2. vermelde uitspraak van de Raad van Discipline schorst;

d. de Deken geen vorderingsrecht heeft, omdat er door de uitspraak van de Raad van Discipline geen verbintenis/rechtsbetrekking is ontstaan tussen partijen en bovendien de Deken niet mede voor mr. [betrokkene 1], wiens werkzaamheden immers voor de helft in het gevorderde bedrag zijn begrepen, kan optreden.

3.4. Daarnaast betwist mr. [gedaagde] op inhoudelijke gronden de verschuldigdheid van het gevorderde bedrag, nog los van het feit dat een daaraan ten grondslag liggende nota ontbreekt, en stelt hij zich op het standpunt dat niet aannemelijk is dat het Hof van Dicipline zal oordelen dat het volledige bedrag van de vordering verschuldigd zal blijken te zijn en dat ook het restitutierisico aan toewijzing van de onderhavige geldvordering in de weg staat.

Tot slot ontkent mr. [gedaagde] dat door hem een onvoorwaardelijke toezegging tot betaling is gedaan.

4. De beoordeling

de ontvankelijkheid

4.1. Het onder 3.3.a. bedoelde verweer wordt verworpen. Anders dan mr. [gedaagde] is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Deken wel een spoedeisend belang bij de door hem gevorderde voorzieningen heeft. Vast staat immers dat mr. [gedaagde] voor onbepaalde tijd is geschorst in de uitoefening van zijn advocatenpraktijk en uit dien hoofde geen inkomsten meer kan genereren. Nu daarnaast – gelet op de onweersproken stelling van de Deken dat er meer beslagen op de woning van mr. [gedaagde] zijn gelegd – niet duidelijk is hoeveel de (eventuele) overwaarde van die woning bedraagt, is de vrees gerechtvaardigd dat mr. [gedaagde] in een later stadium niet (meer) tot betaling van het verschuldigde bedrag aan de Deken in staat zal zijn. Daaraan doet niet af de stelling van mr. [gedaagde] dat het Hof van Discipline wellicht op korte termijn uitspraak zal doen in het door mr. [gedaagde] tegen de beslissing van de Raad van Discipline d.d. 15 november 2005 ingestelde hoger beroep.

4.2. Het onder 3.3.b. bedoelde verweer wordt eveneens verworpen.

De WTBZ is naar het oordeel van de voorzieningenrechter hier niet van toepassing.

De daarin neergelegde regelgeving, die met name tot stand is gekomen omwille van duidelijkheid en ter bescherming van cliënten van advocaten/procureurs, ziet immers op de declaraties in de verhouding tussen de advocaat en zijn cliënt in burgerlijke zaken.

Daarvan is hier geen sprake. In de onderhavige zaak gaat het om een bijzonder procedure op grond van de Advocatenwet waarin de Raad van Discipline een onderzoek gelast en vervolgens de kosten daarvan vaststelt.

4.3. Ook het onder 3.3.c. opgenomen verweer faalt. In de Advocatenwet is niet expliciet een bepaling opgenomen omtrent de schorsende werking van de onderhavige beslissing ex artikel 60d lid 4 van die wet ingeval hoger beroep tegen die beslissing is ingesteld.

Dat in zo’n geval in zijn algemeenheid moet worden uitgegaan van de schorsende werking van beslissingen op grond van de Advocatenwet zolang het tegendeel niet uit die wet voortvloeit zoals mr. [gedaagde] stelt, acht de voorzieningenrechter een onjuiste en te ver strekkende stelling. Bovendien pleit de onder lid 6 van voormeld artikel opgenomen bepaling (dat het Hof van Discipline kan bepalen dat de kosten geheel of gedeeltelijk ten laste van de Orde van Advocaten in het betrokken arrondissement dienen te blijven indien in hoger beroep wordt beslist dat er geen grond is voor het opleggen van de schorsing) eerder voor de aanname dat in dit geval niet van de schorsende werking moet worden uitgegaan.

Het voorgaande betekent dat voorshands van de opeisbaarheid van de onderhavige vordering moet worden uitgegaan.

4.4. Tot slot wordt ook het onder 3.3.d. omschreven verweer verworpen. De Deken is door de Raad van Discipline tot (enig) rapporteur in de zin van artikel 60d, eerste lid Advocatenwet benoemd en hij draagt als zodanig de (eind)verantwoordelijkheid voor het door hem ingestelde onderzoek. De Deken heeft dan ook recht op het honorarium.

Dit is ook door de Raad van Discipline bij beschikking van 15 november 2005 vastgesteld, waarbij is bepaald dat dit honorarium aan de Deken als rapporteur toekomt en door mr.

[gedaagde] (op grond van het bepaalde in artikel 60d, vierde lid Advocatenwet) moet worden betaald. Dat de Deken zich bij zijn werkzaamheden heeft laten bijstaan door mr. [betrokkene 1] doet aan het voorgaande niet af. Of en zo ja op welk deel van die vergoeding mr. [betrokkene 1] recht heeft, is immers enkel van belang in de verhouding tussen de Deken en mr. [betrokkene 1]. Onder deze omstandigheden komt aan de Deken wel degelijk een vorderingsrecht als het onderhavige toe.

de inhoudelijke beoordeling

4.5. De primair gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling - bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat. Met inachtneming hiervan wordt als volgt overwogen.

4.6. Het bedrag van de gevorderde geldsom wordt gevormd door de kosten van het op grond van het in artikel 60c, eerste lid van de Advocatenwet ingestelde onderzoek.

Deze kosten zijn ingevolge het bepaalde in artikel 60d, derde lid van de Advocatenwet vastgesteld door de Raad van Discipline en een inhoudelijke discussie daarover valt buiten het bestek van dit kort geding. Het zesde lid van laatstgenoemd artikel bepaalt dat het Hof van Discipline in hoger beroep kan beslissen dat die kosten geheel of ten dele worden gedragen door de Orde van Advocaten waartoe de betrokken advocaat behoort, doch uitsluitend indien er geen grond is voor het opleggen van een schorsing of het treffen van een voorziening als bedoeld in artikel 60b, eerste lid Advocatenwet.

Die situatie doet zich hier echter niet voor, nu vast staat dat mr. [gedaagde] bij inmiddels onherroepelijke beslissing van het Hof van Discipline voor onbepaalde tijd is geschorst als advocaat. Met de Deken is de voorzieningenrechter daarom voorshands van oordeel dat uit het stelsel van de Advocatenwet voortvloeit dat aan de verschuldigdheid van het door de Raad van Discipline vastgestelde bedrag van de kosten van het onderzoek niet getwijfeld hoeft te worden. De kans dat het Hof van Discipline hierover anders zal oordelen, wordt door de voorzieningenrechter voorshands verwaarloosbaar gering geacht. Aan het voorgaande doet niet af dat op dit moment nog geen gespecificeerde nota van het door de Raad van Discipline vastgestelde, door mr. [gedaagde] verschuldigde bedrag aan mr. [gedaagde] is toegezonden; de Deken heeft ter zitting toegezegd die nota tegelijk met de betaling door mr. [gedaagde] aan hem te zullen verstrekken.

4.7. Het voorgaande betekent dat het bestaan van de vordering van de Deken en de omvang daarvan in het kader van dit kort geding in hoge mate aannemelijk zijn geworden, zodat de primaire vordering kan worden toegewezen. Zoals hiervoor onder 4.1. reeds is overwogen heeft de Deken daarbij ook een spoedeisend belang. Tot slot acht de voorzieningenrechter onvoldoende gebleken dat de door mr. [gedaagde] geuite vrees dat de Deken te zijner tijd niet tot – eventuele – terugbetaling van het toegewezen bedrag aan mr. [gedaagde] in staat zal zijn, gerechtvaardigd is.

Nu de primaire vordering van de Deken wordt toegewezen, behoeven de door partijen betrokken stellingen ten aanzien van de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen van de Deken geen nadere bespreking.

4.8. Als de in het ongelijk gestelde partij zal mr. [gedaagde] in de kosten van dit kort geding worden verwezen. De teruggevorderde kosten van beslaglegging zijn eveneens toewijsbaar, nu het beslag niet nietig, onnodig of onrechtmatig is gebleken.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt mr. [gedaagde] tot betaling aan de Deken van een bedrag ad

€ 84.192,50 (vierentachtigduizend honderdtweeënnegentig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 februari 2006,

5.2. veroordeelt mr. [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Deken bepaald op € 816,-- voor salaris en op € 1.921,32

voor verschotten,

5.3. veroordeelt mr. [gedaagde] in de kosten van beslaglegging, door de voorzieningenrechter begroot op € 1.005,29 (€ 816,-- wegens salaris en € 189,29 wegens kosten processen-verbaal),

5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Wouters op 4 april 2006.

de griffier de rechter