Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AW7165

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
02-05-2006
Zaaknummer
117272
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen de partijen staat onweersproken vast dat voordat eiser in 2002, 2003 en 2004 heeft laten snoeien de vroegere eigenaren van de bomen dat hadden gedaan. Zoals uit het deskundigenbericht volgt is daardoor de onevenwichtigheid in de opbouw van de beuken ontstaan. Het ligt daarom op de weg van gedaagden het door de deskundige geschetste risico van het uitbreken van zware kroondelen weg te nemen overeenkomstig het door de deskundige voorgestelde stappenplan. Dat eiser het snoeibeleid heeft voortgezet leidt niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 117272 / HA ZA 04-1576

Vonnis van 5 april 2006

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur en advocaat mr. J.A.M.P. Keijser te Nijmegen,

tegen

1. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

procureur mr. F.J. Boom te Arnhem,

advocaat mr. R.M. Terrahe te Apeldoorn.

Het verloop van de procedure

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar de tussenvonnissen van 3 november 2004, 13 april en 27 juli 2005, alsmede van 28 december 2005 in een incident tot voeging. De in het tussenvonnis van 13 april 2005 benoemde deskundige heeft zijn rapport gedateerd september 2005 bij de griffier van deze rechtbank ingeleverd. Na het wisselen van de conclusies na deskundigenbericht en een akte aan de zijde van [eiser] is nogmaals vonnis bepaald.

De vaststaande feiten, het geschil in conventie en in reconventie, alsmede de beoordeling daarvan

1. Gebleven wordt bij hetgeen eerder is vastgesteld en overwogen. De in het

tussenvonnis van 13 april 2005 benoemde deskundige zijn de volgende vragen ter beantwoording voorgelegd:

1. Hoe beoordeelt u op dit moment de vitaliteit en levensvatbaarheid van de in geschil zijnde beuken? Kunt u in dit verband de levensverwachting van ieder van de beuken aangeven?

2. Waren de door [eiser] uitgevoerde snoeibeurten (in 2002, 2003 en 2004) verantwoord? Zo nee, waarom niet? Is door deze snoeibeurten de conditie van de beuken aangetast en in het bevestigende geval in hoeverre? Wat betekent dat in het bijzonder voor de levensverwachting van de bomen?

3. Is door de snoeibeurten door [eiser] de waarde van de beuken verminderd? Zo ja, wilt u de waardevermindering gestaafd door een gemotiveerde toelichting begroten?

4. Welk onderhoud door snoeien of anderszins met inachtneming van welke termijnen acht u gewenst en verantwoord in het belang van de beuken? Wilt u daar bij betrekken de belangen van de beide partijen en het belang dat door de aanwezigheid van de bomen wordt gediend?

5. Is de beuk met de stamscheut ziek? Zo ja, waardoor is de door u geconstateerde ziekte veroorzaakt? Moet worden gevreesd voor het splijten van de stam bij het begin van de stamscheut? Zijn er in het bevestigende geval aanvullende maatregelen nodig om splijting te voorkomen en/of genezing van de boom te bevorderen? Valt, en zo ja in hoeverre, verlenging van de levensduur van deze beuk daardoor te bereiken?

6. Welke feiten en omstandigheden zijn nog van belang voor een goed begrip van de zaak?

2. Op de eerste vraag antwoordt de deskundige dat hij de vitaliteit van de beuken als

goed beoordeelt. Dit oordeel is gebaseerd op het feit dat de bomen zich in de loop der jaren aan de op zichzelf ongunstige onregelmatige snoei aan de zuidzijde hebben aangepast (geen zonnebrand) en de oude snoeiwonden goed en volledig hebben overgroeid. Daarmee is in principe ook een hoge levensvatbaarheid gegeven. De deskundige acht een mogelijke beperking daarvan gelegen in de structuur van de bomen en met name in de kroonopbouw. Dit is het gevolg van de ruimtelijke situatie en het hieruit voortkomende snoeiregime, dat al uit de periode van voor 1995 dateert. De toenemende lengtegroei van zware kroondelen leidt tot een verhoogde kans op uitbreken. Dit risico kan alleen door een snoei worden beperkt, die is gericht op het terugbrengen van de bomen op een iets lagere en compactere vorm. Alleen bij de levensvatbaarheid van boom drie kunnen vraagtekens worden geplaatst. Daarop gaat de deskundige nader in bij de beantwoording van de vijfde vraag.

2.2 De deskundige antwoordt op de tweede vraag dat er sprake is van een zich

herhalend snoeipatroon in de afgelopen jaren of zelfs decennia. Bij de snoei in opdracht van [eiser] zijn geen extreem dikke takken verwijderd. Er was toen geen sprake van een volle kroon aan zijn kant. De snoeibeurten hadden geen waarneembare vermindering van de conditie en de levensvatbaarheid van de bomen tot gevolg. Er is wel sprake van snoei met een verhoogd risico. Het kaal snoeien van stam en gesteltakken kan in een jaar van verminderde conditie de nekslag zijn voor een boom. Ook hebben de laatste snoeibeurten een verdere bijdrage geleverd aan het structurele probleem in de boomkronen, omdat het daardoor nog moeilijker is geworden deze te reduceren en weer in evenwicht te brengen.

2.3 De derde vraag betreft de waardevermindering door de snoeibeurten, die [eiser]

heeft laten uitvoeren. De deskundige schrijft de verwijdering van 20 tot 25% van het kroonvolume van de bomen vooral toe aan de eerder uitgevoerde snoeibeurten, waarop [eiser] heeft voortgeborduurd. Hoewel [eiser] zonnebrand heeft geriskeerd, is die niet opgetreden. De door BTZ Bomendienst gehanteerde toeslag voor de te verwachten conditieafname kan de deskundige niet bevestigen.

2.4 De deskundige stelt bij de beantwoording van de vierde vraag voor dat moet

worden gestuurd naar een andere kroonontwikkeling. De kronen dienen gefaseerd naar een wat compactere vorm te worden teruggezet, waarbij de ontwikkeling van de bomen door een periodieke lichte voedselgift ondersteund dient te worden. De deskundige stelt voor dit snoeibeheer twee keer per jaar toe te passen. Naar verwachting zullen drie snoeibeurten voldoende zijn de structurele problemen op te lossen. Daarbij merkt de deskundige op dat de kroonontwikkeling aan de zijde van [eiser] weer wat moet worden gestimuleerd. Directe schade door slaande of vallende takken moet door snoei worden voorkomen, maar fijne twijgen zullen de bast tegen zonnebrand moeten beschermen.

2.5 De deskundige leert bij het antwoord op de vijfde vraag dat in zijn vakgebied het

begrip stamscheut niet bestaat. Aangenomen wordt nu dat het om een vergaffeling van de stam gaat, waarvan [eiser] vreest dat deze zal splijten. De deskundige constateert een aantasting van de stamvoet tot in de vergaffeling. Over een brede baan is de bast en het cambium afgestorven en ligt het kernhout open. Er is geen sprake van een aantasting door een houtrot veroorzakende schimmel. Een meting met een geluidstomograaf heeft uitgewezen dat de houtkwaliteit is aangetast. Ongeveer tweederde van de stam bestaat uit hout van voldoende stabiliteit. Hoewel er nog voldoende elastisch hout tussen de kroondelen aanwezig is om op dit moment het splijten van de stam te voorkomen, acht de deskundige het wezenlijk de bestaande dynamische kroonverankering te versterken door een statisch spananker net onder de tweede vergaffeling te plaatsen.

2.6 In zijn antwoord op de slotvraag zegt de deskundige dat de vier onderzochte

beuken in hun huidige situatie en kwaliteit een waardevol en beeldbepalend bestand vormen. Behoud van de bomen is volgens hem wenselijk, onder andere omdat deze door hun wortels de helling stabiliseren en erosie voorkomen.

3. De door de deskundige op de gestelde vragen gegeven antwoorden zijn goed

gemotiveerd en komen de rechtbank overtuigend voor. Zij maakt deze daarom tot de hare.

Tussen de partijen staat onweersproken vast dat voordat [eiser] in 2002, 2003 en 2004 heeft laten snoeien de vroegere eigenaren van de bomen dat hadden gedaan. Zoals uit het deskundigenbericht volgt is daardoor de onevenwichtigheid in de opbouw van de beuken ontstaan. Het ligt daarom op de weg van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het door de deskundige geschetste risico van het uitbreken van zware kroondelen weg te nemen overeenkomstig het door de deskundige voorgestelde stappenplan. Dat [eiser] het snoeibeleid heeft voortgezet leidt niet tot een ander oordeel.

4. [eiser] heeft gevorderd dat de overhangende takken van de beuken zullen worden

gesnoeid. Deze vordering is niet toewijsbaar omdat dat de levensvatbaarheid van de bomen verder zou kunnen aantasten en voor afsterven zou moeten worden gevreesd. Het belang van [eiser] moet in de gegeven situatie wijken voor het zwaarder wegende belang bij het behoud van de in geschil zijnde monumentale en beeldbepalende bomen, waarvan de wortels bovendien de helling stabiliseren en erosie voorkomen. [eiser] komt daarom in redelijkheid de hem op grond van artikel 5:44 BW gegeven bevoegdheid niet toe. Daarbij is van belang dat de bomen er al stonden toen [eiser] ter plaatse kwam wonen. De door de aanwezige beuken te ondervinden overlast zal door hem bij de beslissing tot aankoop van zijn woning in aanmerking zijn genomen. [eiser] zal de door hem beschreven overlast daarom hebben te dulden. Evenmin levert hinder door onder meer bladafval en beukennootjes en -holsters geen verplichting voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot verwijdering op. Er is daardoor geen sprake van inbreuk op de eigendom van [eiser] of anderszins van een onrechtmatige toestand. Hoewel [eiser] naar aanleiding van het deskundigenbericht wel zegt niet afwijzend te staan tegenover de voorgestelde herstructurering van de bomen, heeft hij zijn vordering daaraan niet aangepast, zodat in zoverre een veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet mogelijk is. Op praktische gronden zal de zaak naar de zitting worden verwezen om [eiser] de gelegenheid te geven zijn vordering op dit onderdeel desgewenst aan te passen. Hierbij wordt aangetekend dat op de overige onderdelen van het geschil zonder voorbehoud een oordeel is en wordt gegeven, die daarmee (zullen) zijn afgedaan.

5. Met het door de deskundige voorgestelde spananker zal het gevaar van uitscheuren

van een van de kroondelen zijn ondervangen. Nu niet is gesteld of gebleken dat de aantasting van de betrokken derde beuk door toedoen van [eiser] is ontstaan, zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het spananker op hun kosten moeten laten aanbrengen. Daarnaast zijn zij gehouden deze beuk jaarlijks te laten inspecteren om bij teruggang van de conditie tijdig maatregelen te kunnen nemen. De verwijdering van de “stamscheut” kan daarmee worden voorkomen. De vordering daartoe is daarom niet toewijsbaar. Tot de minder verstrekkende voorziening zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wel veroordeeld kunnen worden.

6. De resterende vordering van [eiser] tot vergoeding van de snoeikosten ad

€ 3.232,05 moet worden ontzegd. In redelijkheid kunnen kosten van snoeiwerkzaamheden die de gezondheid van de beuken hadden kunnen aantasten niet door hem op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden verhaald.

7. De deskundige heeft geen waardevermindering van de beuken door de snoei in

opdracht van [eiser] vastgesteld. Daarop stuit de vordering van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in reconventie tot schadevergoeding af. Wel zijn toewijsbaar de kosten van rapportage ad

€ 425,-- die in redelijkheid door hen zijn gemaakt om mogelijke schade door het handelen van [eiser] te kunnen vaststellen.

De vordering van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in reconventie [eiser] te verbieden de beuken verder te snoeien zou op zichzelf toewijsbaar zijn, nu het op hun weg ligt de snoeiwerkzaamheden te laten uitvoeren. De aan de veroordeling van [eiser] te verbinden voorwaarden zijn echter te vaag en maken de kans op nieuwe (executie-)geschillen te groot. Ook op dit in reconventie overgebleven onderdeel zal de zaak naar de zitting worden verwezen om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de gelegenheid te geven hun vordering desgewenst aan te passen.

8. De mogelijkheid afzonderlijk hoger beroep van dit vonnis in te stellen zal niet

worden gegeven. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

de rechtbank,

in conventie en in reconventie,

verwijst de zaak naar de zitting van 26 april 2006 om de partijen de gelegenheid te geven zich tegelijkertijd bij akte uit te laten zoals in rechtsoverweging 5 respectievelijk 6 is omschreven, waarop de partijen wederom tegelijkertijd bij antwoordakte mogen reageren,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Driel van Wageningen en uitgesproken in het openbaar op 5 april 2006.