Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AW5315

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-04-2006
Datum publicatie
28-04-2006
Zaaknummer
AWB 05/4239
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overwerkloon in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef, onderdeel c en sub 2, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA). Afdrachtvermindering lage lonen.

Wetsverwijzingen
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 1, geldigheid: 2006-04-13
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 7, geldigheid: 2006-04-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 698
FutD 2006-0818
V-N 2006/50.12

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/4239

Uitspraakdatum: 13 april 2006

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[P] verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2002 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [xxx] in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd van € 9.325, alsmede bij beschikking een boete van € 932.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 7 oktober 2005 de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 8.493 en de boete verminderd tot € 849.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 14 oktober 2005, ontvangen bij de rechtbank op 17 oktober 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2006 te Arnhem.

Namens eiseres is verschenen [A]. Namens verweerder is verschenen [B]

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

De activiteiten van eiseres bestaan uit de exploitatie van een textielreinigingsbedrijf.

Bij eiseres heeft in november 2004 een boekenonderzoek plaatsgevonden naar de juistheid van de geclaimde afdrachtvermindering lage lonen over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2002. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 28 december 2004 (hierna: het rapport).

Onder punt 3.1.1A. van het rapport is - voor zover relevant - het navolgende opgenomen:

“Overwerk behoeft niet tot het te toetsen loon te worden gerekend. Overwerk zijn incidenteel meer gewerkte uren. Bij dit bedrijf is de CAO voor Linnenverhuur- en wasserijbedrijven en voor Textielreinigingsbedrijven (hierna: CAO) van toepassing. De arbeidsduur is volgens deze CAO 36 uur per week. Bij dit bedrijf is het gebruikelijk dat het vaste personeel bijna alle maanden structureel meer uren wordt gewerkt dan overeengekomen. Werken op structureel meer uren dan overeengekomen is geen overwerk. Deze uren dienen dan in het te toetsen loon te worden opgenomen. (...)

Hierdoor is in veel maanden ten onrechte de avll geclaimd. De maanden waarin men met het loon en de beloning voor de structureel meer gewerkte uren boven het toetsloon uitkomt dienen dan ook te worden gecorrigeerd.

Hierbij gaat het per jaar om de volgende werknemers met een overzichtje van de structureel meer gewerkte uren en bedragen. (...)”

In het onder punt 3.1.1A vermelde overzicht staat vervolgens vermeld dat de werknemers [C], [D], [E] en [F] (uit 1974) structureel meer uren hebben gewerkt dan contractueel overeengekomen. Voorts staat vermeld dat de contractuele uren van deze werknemers 156 uur per maand bedragen.

Volgens het hiervoor genoemde overzicht heeft werknemer [C] in de onderzochte jaren iedere maand (voor het jaar 2002 tot en met juli) structureel meer uren gewerkt dan de hiervoor genoemde 156 uur. Het meer gewerkte aantal uren is per maand verschillend en varieert over de gehele periode tussen 7 en 72 uur per maand. Het overzicht vermeldt voorts dat werknemer [D] in het jaar 2000 gedurende acht maanden structureel meer uren heeft gewerkt, variërend tussen de 10 en 33,25 uur per maand. Werknemer [E] heeft in het jaar 2000 elf maanden structureel meer uren gewerkt en in het jaar 2001 drie maanden. De meeruren variëren tussen de 10,5 en 66,5 uur per maand. Werknemer [F] is in dienst getreden op 5 juni 2000 en uit dienst getreden op 10 maart 2001. Blijkens het overzicht heeft hij in het jaar 2000 zes maanden structureel meer uren gewerkt en in het jaar 2001 drie maanden. De meeruren variëren tussen de 18,5 en 73,5 uur per maand.

Eiseres heeft met werknemer [F] een schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten. Blijkens deze arbeidsovereenkomst zijn partijen het navolgende overeengekomen:

1. Werknemer treedt bij werkgeefster in dienstbetrekking als algemeen-medewerker voor de tijd van 6 maanden, ingaande 05-06-2000 en derhalve eindigende 05-12-2000, tegen een bruto aanvangsalaris van f 2702,61 per maand, bij een 5-daagse, 36-urige werkweek.

2. (...)

3. (...)

4. De regeling der overige arbeidsvoorwaarden geschiedt overeenkomstig de C.A.O. voor Linnenverhuur en Wasserij bedrijven en voor Textielreinigers bedrijven.”

De arbeidsovereenkomsten met werknemers [C], [D] en [E] zijn niet schriftelijk vastgelegd.

Op de loonstroken van de vier werknemers staat een loon per maand vermeld bij een 36-urige werkweek.

In artikel 10 van de CAO is het navolgende bepaald:

1. a. Voor voltijdwerknemers bedraagt de arbeidsduur gemiddeld 36 uur per week op jaarbasis. (...)

2. Per bedrijf, (...) dient een weekrooster te worden vastgesteld voor een periode van tenminste 6 maanden. (...) In het werkrooster bedraagt de arbeidsduur exclusief overwerk maximaal 9 uur per dag en maximaal 45 uur per week.

Eiseres heeft geen werkrooster opgesteld.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of het loon dat de werknemers [C], [D], [E] en [F] in het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2002 hebben ontvangen in verband met het aantal uren dat zij meer hebben gewerkt dan 156 uur per maand, tot het overwerkloon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef, onderdeel c en sub 2, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA) moet worden gerekend.

4. Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef, onderdeel c en sub 2, van de WVA wordt onder loon verstaan loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) verminderd met overwerkloon.

Bij besluiten van 7 maart 1997, nr. DON-LB/127, en 20 december 2000, CPP2000/2945M, welk besluit een herdruk is van het besluit van 1997, is inzake de afdrachtvermindering bepaald:

“Wanneer is er sprake van overwerk? Er is sprake van overwerk als meer wordt gewerkt dan de contractueel overeengekomen arbeidsduur. (...).”

Bij Besluit Staatssecretaris van Financiën van 14 december 2005, nr. CPP2005/2122M zijn de beleidsbesluiten inzake de afdrachtverminderingen per 1 januari 2006 geactualiseerd. In punt 2.2. “Overwerk en reistijd” is het navolgende bepaald:

“De WVA verwijst voor het begrip loon naar de Wet LB. Overwerkloon is de beloning voor arbeid die de werknemer verricht gedurende de tijd die uitgaat boven de voor hem geldende normale arbeidsduur (zie artikel 26, vijfde lid, van de Wet LB). Er is dus sprake van overwerk als de werknemer meer arbeid verricht dan contractueel is overeengekomen.”

Beoordeeld moet worden of het loon dat de vier werknemers hebben ontvangen voor hun meeruren kan worden aangemerkt als overwerkloon. Naar het oordeel van de rechtbank kan voor de bepaling of sprake is van overwerkloon worden aangesloten bij hetgeen daaromtrent is opgenomen in de Besluiten die hierboven zijn genoemd. De rechtbank heeft in de tekst van deze Besluiten geen steun gevonden voor de stelling van verweerder dat overwerk(loon) in de onderhavige situatie anders zou moeten worden uitgelegd. Dit betekent dat moet worden uitgegaan van de voor de werknemer geldende normale arbeidsduur. Uit de Besluiten leidt de rechtbank af dat onder de geldende normale arbeidsduur moet worden verstaan de contractueel overeengekomen arbeidsduur.

Relevant is derhalve welke arbeidsduur eiseres met de vier werknemers is overeengekomen. Eiseres stelt dat zij met deze vier werknemers een 36-urige werkweek is overeengekomen. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst zij naar artikel 1 van de arbeidsovereenkomst met [F] en naar de vermelding van de 36-urige werkweek op de loonstroken. Voorts voert zij aan dat de werknemers niet verplicht zijn om meer uren te werken dan de overeengekomen 36 uur per week. Ten slotte wijst eiseres erop dat het aantal meeruren varieert per maand en per jaar. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met het voorgaande aannemelijk gemaakt dat zij met deze vier werknemers een arbeidsduur van 36 uur per week is overeengekomen.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de overeengekomen reguliere arbeidsduur van de betrokken werknemers varieert van 36 tot 45 uur per week. De rechtbank wijst erop dat de bepaling van de CAO (artikel 10, tweede lid) die verweerder aanhaalt, betrekking heeft op een werkrooster, terwijl bij eiseres niet volgens een dergelijk rooster wordt gewerkt. De rechtbank wijst er bovendien op dat in artikel 10, eerste lid, van de CAO is bepaald dat de arbeidsduur gemiddeld 36 uur per week op jaarbasis bedraagt.

Ook het standpunt van verweerder dat de beloning, voor zover die betrekking heeft op structureel overwerk, zo daar al sprake van zou zijn, buiten beschouwing moet worden gelaten bij het bepalen van het overwerkloon, kan de rechtbank niet volgen. Dit standpunt vindt geen steun in de wet of in de parlementaire toelichting daarop.

Verweerder stelt zich subsidiair op het standpunt dat een deel van de beloning van de overwerkuren moeten worden geherkwalificeerd naar een beloning voor werken op bijzondere uren als bedoeld in artikel 15 van de CAO. Naar het oordeel van de rechtbank staat het werkgever en werknemer vrij om afspraken te maken over overwerk. De toeslagen die eiseres voor het overwerk aan haar werknemers heeft betaald, zijn gebaseerd op de toepasselijke CAO-bepalingen. Dat in andere CAO-bepalingen toeslagen zijn opgenomen voor werkzaamheden die zijn verricht op bijzondere uren, kan er niet toe leiden dat een deel van de beloning voor toepassing van de afdrachtvermindering lage lonen wordt geherkwalificeerd. Het subsidiaire standpunt van verweerder moet derhalve worden verworpen.

Het voorgaande leidt ertoe dat de beloning die de vier werknemers hebben ontvangen voor de uren die zij meer hebben gewerkt dan hetgeen contractueel is overeengekomen, kan worden aangemerkt als overwerkloon als bedoeld in artikel 1 van de WVA. Dit betekent dat verweerder de afdrachtvermindering lage lonen voor deze werknemers ten onrechte heeft gecorrigeerd. De naheffingsaanslag moet derhalve worden verminderd tot een bedrag van € 592. Ook vervalt de verzuimboete voor zover deze betrekking heeft op de afdrachtvermindering lage lonen in verband met overwerk.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kos-ten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover deze betrekking heeft op de afdrachtvermindering lage lonen voor overwerk en de daarop betrekking hebbende boete;

- vermindert de naheffingsaanslag tot een belastingaanslag ten bedrage van € 592;

- vermindert de boete tot een bedrag van € 59;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door eiseres betaalde griffierecht van € 276 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. I. Linssen, voorzitter, en mrs. J.J. Catsburg en M.C.G.J. van Well, rechters. De beslissing is in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg in het openbaar uitgesproken op

13 april 2006.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.