Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AW5218

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-04-2006
Datum publicatie
27-04-2006
Zaaknummer
AWB 04/2837 en 04/2839
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering wegens voeren gezamenlijke huishouding, schending rechtszekerheidsbeginsel door over periode gelegen voor 31 december 1998 met toepassing van de WWB de ten onrechte verstrekte (gezins)bijstand tevens van partner terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2006, 153

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummers: AWB 04/2837 en 04/2839

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser], en

[eiseres]

hierna gezamenlijk te noemen, eisers

wonende te Ede, vertegenwoordigd door mr. M.G.M. Frerix,

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Ede, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluiten van verweerder van 12 oktober 2004 (besluit I en besluit II).

2. Procesverloop

Bij besluiten van 7 mei 2004 heeft verweerder de over de periode 1 juli 1997 tot en met 31 januari 2004 ten onrechte verstrekte bijstand ter hoogte van € 72.521,28 van eisers teruggevorderd en eisers hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor terugbetaling van de ten onrechte verstrekte bijstandsuitkeringen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit I heeft verweerder het ingediende bezwaar deels gegrond verklaard in die zin dat het terug te vorderen bedrag is vastgesteld op

€ 72.444,87. Voor het overige heeft verweerder de eerder genoemde besluiten gehandhaafd.

Op 8 juni 2004 hebben eisers bij verweerder een nieuwe aanvraag om bijstand per 1 februari 2003, ingediend.

Bij besluit van 1 juli 2004 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit II heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 1 juli 2004 gehandhaafd.

Tegen de bestreden besluiten is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank van 28 september 2005. Eisers zijn aldaar vertegenwoordigd door mr. Frerix. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door N.F.K. Tempelman, werkzaam bij verweerders gemeente.

Nadat gebleken was dat het onderzoek ter zitting niet volledig was geweest heeft de rechtbank bij besluit van 7 oktober 2005 het onderzoek heropend en de beroepen verwezen naar de meervoudige kamer teneinde aldaar te worden behandeld.

Na de daarvoor vereiste toestemming van partijen te hebben verkregen, heeft de rechtbank beslist dat een nadere zitting achterwege kan blijven en het onderzoek gesloten.

3. Overwegingen

Ten aanzien van besluit I

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eisers tegen de herzienings/intrekkingsbesluiten van 10 maart 2004 geen rechtsmiddel hebben aangewend, zodat daarmee vast is komen te staan dat eisers een gezamenlijke huishouding voerden.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hiermee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 58 van de WWB, zodat zij gehouden was de ten onrechte verstrekte bijstand terug te vorderen. Het terugvorderingsbedrag wordt vastgesteld op € 72.444,87.

Aangezien de uitkering over de periode van 1 juli 1997 tot 31 december 1998 is herzien en gewijzigd in de gezinsnorm en eisers hiertegen geen rechtsmiddel hebben aangewend, is artikel 84, tweede lid, van de Abw (oud) niet van toepassing.

Verweerder heeft eisers hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor terugbetaling van de ten onrechte verstrekte bijstand. Van dringende redenen om af te zien van terugvordering is verweerder niet gebleken.

Eisers hebben het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op hun stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, in het navolgende ingaan.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank het volgende gebleken.

Eiser en eiseres ontvingen sinds 17 januari 1985 een bijstandsuitkering, respectievelijk, naar de norm voor een alleenstaande en voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 5 maart 2004 is de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 1 februari 2004 beëindigd, omdat zij een gezamenlijke huishouding voert met eiser en de omvang van de werkzaamheden en inkomsten van eiser niet bekend zijn, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

Bij besluiten van 10 maart 2004 heeft verweerder de bijstandsuitkeringen van eisers per 17 januari 1985 ingetrokken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding. Bij besluiten van 11 maart 2004 is aan eisers bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden met ingang van 17 januari 1985. Deze uitkering is per 1 februari 2003 beëindigd, omdat eiser werkzaamheden verrichtte voor café [X]. Nu de omvang van die werkzaamheden en de inkomsten daaruit niet bekend zijn is het recht op bijstand niet vast te stellen.

De rechtbank stelt vast dat eisers tegen vorengenoemde besluiten geen rechtsmiddel hebben aangewend, zodat deze besluiten in rechte zijn komen vast te staan.

Blijkens de primaire besluiten van 7 mei 2004 is de ten onrechte verstrekte bijstand van eiser en eiseres teruggevorderd met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw respectievelijk artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Verweerder heeft eiseres en eiser ingevolge artikel 84, tweede en derde lid, van de Abw respectievelijk artikel 59, tweede en derde lid, van de WWB, voorts hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de aan hen beiden ten onrechte verstrekte bijstand.

Omvang van het geding

Het geschil betreft uitsluitend de terugvordering van de verstrekte bijstand van eisers die een gevolg is van de rechtens onaantastbaar herzienings/intrekkingsbesluiten van 10 maart 2004 en de terugvordering van eisers zoals vermeld in de primaire besluiten van 7 mei 2004 welke in het bestreden besluit, behoudens voor zover het betreft de hoogte van het terugvorderingsbedrag, zijn gehandhaafd. Laatstgenoemd bedrag is in het bestreden besluit vastgesteld op € 72.444,87.

De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit bestaat uit vier van elkaar te onderscheiden beslissingen:

1. Van eiser wordt teruggevorderd de aan hemzelf ten onrechte verstrekte bijstand;

2. Van eiseres wordt teruggevorderd de aan haarzelf ten onrechte verstrekte bijstand;

3. Van eiseres wordt teruggevorderd de aan eiser ten onrechte verstrekte bijstand en

4. Van eiser wordt teruggevorderd de aan eiseres ten onrechte verstrekte bijstand over de hierboven vermelde periode.

Wettelijk kader

Op 1 januari 2004 is de Wet werk en bijstand (WWB) in werking getreden. In zijn uitspraak van 21 april 2005, gepubliceerd in RSV 2005, 163 en USZ 2005, 204 alsmede op www.rechtspraak.nl onder nummer LJN: AT4358, heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de vraag beantwoord welk recht van toepassing is, ingeval herziening of intrekking en terugvordering plaatsvindt na 1 januari 2004, met betrekking tot vóór die datum verleende bijstand. Naar het oordeel van de CRvB ontleent een college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid hiertoe vanaf 1 januari 2004 aan de artikelen 54, 58 en 59 van de WWB. Dit leidt uitzondering wanneer hantering van deze bepalingen in strijd komt met de rechtszekerheid voorzover de verleende bijstand betrekking heeft op de periode voorafgaand aan (de inwerkingtreding van) de WWB, en indien dit tot een voor de belanghebbende ongunstiger resultaat zou leiden dan onder het oude recht mogelijk was. In de hiervoor vermelde uitspraak is voorts bepaald dat de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de rechten en verplichtingen betrekking hebben.

Het hierboven vermelde toetsingskader brengt mee dat op de terugvordering van de ten onrechte verstrekte bijstand aan eisers, over de gehele periode de WWB van toepassing is zodat verweerder dit besluit ten onrechte (mede) heeft gebaseerd op de terugvorderingsbepalingen van de Abw. Nu toepassing van de juiste wetsbepalingen niet tot een inhoudelijk ander besluit zou hebben geleid ziet de rechtbank evenwel aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, voor zover het betreft de hierboven vermelde onderdelen 1 tot en met 3. De rechtbank kent hierbij betekenis toe aan het feit dat verweerder zowel de Abw bepalingen als de WWB bepalingen aan het besluit ten grondslag heeft gelegd zodat eisers, mede gelet op hetgeen zij tegen het besluit hebben aangevoerd, geacht worden niet in hun verdediging te zijn geschaad.

Deze toepassing van artikel 6:22 van de Awb geldt evenwel niet voor onderdeel 4 van het bestreden besluit ten aanzien waarvan op hierna te melden wijze wordt overwogen.

Ten aanzien van de terugvordering

Nu met het besluit van 10 maart 2004 vast is komen te staan dat eisers een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, is tevens vast komen te staan dat eisers niet als zelfstandige rechtssubjecten van bijstandsverlening konden worden beschouwd en derhalve ten onrechte bijstand volgens de alleenstaande oudernorm respectievelijk de alleenstaande norm hebben ontvangen, over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 2004. Verweerder is derhalve in beginsel bevoegd die bijstand, voor zover deze het bedrag van de gehuwdennorm overschrijdt, van eisers terug te vorderen met toepassing van de artikelen 58, eerste lid aanhef en onder a en 59, tweede lid, van de WWB.

De rechtbank kan eisers niet volgen in hun standpunt dat verweerder niet bevoegd is de over de periode van 1 februari 2003 tot en met 31 januari 2004 verstrekte bijstand terug te vorderen aangezien zij gedurende deze periode in het geheel geen inkomsten zouden hebben gehad. Immers, gelet op het rechtens onaantastbaar besluit van 11 maart 2004 (verzonden: 12 maart 2004) is vast komen te staan dat het recht op bijstand van eisers per 1 februari 2003 is beëindigd omdat dit recht niet kon worden vastgesteld vanwege inkomsten van eiser bij café [X]. Daarmee is vast komen te staan dat eisers vanaf laatstgenoemde datum ten onrechte bijstand hebben ontvangen.

Ten aanzien van het gebruik van de terugvorderingsbevoegdheid

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag geplaatst of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid de ten onrechte verstrekte bijstand van eisers terug te vorderen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de aan eiseres ten onrechte verstrekte bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 31 december 1998 met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB van eiser terug te vorderen. Vast staat dat eiseres gedurende deze periode (gezins)bijstand volgens de alleenstaande oudernorm heeft ontvangen. Gelet op de tekst van artikel 84, tweede lid, van de Abw (zoals deze luidde tot 31 december 1998) en de naar aanleiding daarvan gevormde jurisprudentie van de CRvB (onder andere 10 april 2001, JABW 2001/73; 13 maart 2001, JABW 2001/79) is terugvordering op grond van deze bepaling niet mogelijk wanneer de bijstand als gezinsbijstand is verstrekt en er dus geen sprake is van een situatie waarin de verlening van gezinsbijstand als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht door de bijstandsontvanger achterwege was gebleven.

Dit betekent dat het in de hierboven onder wettelijke kader vermelde uitspraak van de CRvB genoemde uitzonderingsgeval zich voordoet. Immers, hantering van de terugvorderingsbevoegdheid over genoemde periode zou leiden tot terugvordering waar dit onder de werking van de Abw niet mogelijk was hetgeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel moet worden geacht. Dat verweerder over de hiervoor vermelde periode alsnog bijstand heeft toegekend naar de gehuwdennorm doet aan hetgeen hierboven is overwogen niet af. Het vorenstaande brengt mee dat onderdeel 4 van het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en dient zich daarbij tevens uit te laten over het verzoek tot vergoeding van de proceskosten in bezwaarfase (artikel 7:15 van de Awb).

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop verweerder van zijn terugvorderingsbevoegdheid gebruik gemaakt heeft de rechterlijke toets kan doorstaan. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting hanteert verweerder het beleid dat in geval van schending van de inlichtingenplicht altijd gebruik gemaakt wordt van de terugvorderingsbevoegdheid. Dit leidt slechts uitzondering wanneer er sprake is van dringende redenen. Dit laatste moet blijkens het verweerschrift en de door de gemachtigde ter zitting gegeven toelichting aldus worden verstaan dat van terugvordering kan worden afgezien wanneer gebleken is dat terugvordering voor de belanghebbende onaanvaardbare gevolgen heeft. Het moet daarbij gaan om incidentele en zeer uitzonderlijke gevallen. Hierbij vindt een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaats. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met dit beleid niet buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is getreden.

De rechtbank acht de door eisers geschetste omstandigheden niet zodanig bijzonder dat verweerder daarin aanleiding had moeten zien af te zien van terugvordering. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat niet gebleken is dat de gestelde slechte financiële positie van eisers geheel buiten hun toedoen is veroorzaakt. Dit klemt te meer nu vast is komen te staan dat eisers vanaf 1985 een aanzienlijk bedrag aan bijstand ten onrechte hebben ontvangen dat door verweerder slechts gedeeltelijk -vanaf 1 juli 1997, respectievelijk 31 december 1998- kan worden teruggevorderd.

De rechtbank wijst er tot slot op dat de zogeheten beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als regel voldoende bescherming biedt aan de betrokkene om in het levensonderhoud te kunnen blijven voorzien.

Ten aanzien van besluit II

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eisers niet hebben aangegeven wat de omvang van de door eiser verrichte werkzaamheden voor café [X] is en wat de hoogte is van de daaruit verkregen inkomsten. Door hiervan geen opgave te doen hebben eisers de op hen rustende inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw geschonden. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Eisers hebben geen nieuwe gegevens overgelegd.

Eisers hebben het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op hun stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, in het navolgende ingaan.

Zoals hierboven reeds is vermeld is het recht op bijstand van eisers per 1 februari 2003 beëindigd, omdat eiser werkzaamheden verrichtte voor café [X] waarvan de omvang en de inkomsten niet bekend waren, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het besluit waarbij deze beëindiging heeft plaatsgevonden is rechtens onaantastbaar geworden.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat eisers beogen dat hen alsnog bijstand wordt verstrekt vanaf 1 februari 2003. De aanvraag van eisers houdt derhalve een verzoek in om terug te komen op het rechtens onaantastbaar besluit van 11 maart 2004 zodat voor zover de aanvraag betrekking heeft op de periode van 1 februari 2003 tot de datum van de aanvraag sprake is van een (herhaalde) aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere beslissing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Van nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden kan slechts sprake zijn wanneer het feiten betreft die niet eerder hadden kunnen en derhalve moesten worden overgelegd. Met betrekking tot de door eisers overgelegde verklaringen waaruit zou blijken dat eiser met zijn werkzaamheden bij café [X] niets heeft verdiend en dat het hier uitsluitend om een (niet betaalde) tijdsbesteding zou gaan, overweegt de rechtbank dat niet gebleken is dat eisers genoemde verklaringen eerst in bezwaar tegen het besluit van 1 juli 2004 hebben kunnen overleggen. Derhalve vormen de hier bedoelde verklaringen geen nieuwe feiten in de zin van de hiervoor vermelde wetsbepaling. Door eisers zijn verder geen gewijzigde omstandigheden aangevoerd die zouden moeten leiden tot heroverweging van het besluit van 11 maart 2004. Dit leidt tot de slotsom dat niet gezegd kan worden dat verweerder niet in redelijkheid tot afwijzing van de aanvraag over de periode van 1 februari 2003 tot 8 juni 2004 heeft kunnen komen.

Voor wat betreft de afwijzing van de aanvraag met betrekking tot de periode na 8 juni 2004 overweegt de rechtbank dat verweerder ten volle dient te beoordelen of eisers recht op bijstand toekomt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van Beroep (CRvB) van 21 november 2000, JABW 2001/7, overweegt de rechtbank dat, indien een lopende uitkering is beëindigd, in geval van een volgende soortgelijke aanvraag gericht op het verkrijgen van een periodieke bijstandsuitkering met ingang van een later gelegen datum, het op de weg van de aanvrager ligt om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging van de omstandigheden, in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor de desbetreffende uitkering in aanmerking te komen.

In bezwaar hebben eisers een tweetal verklaringen overgelegd, waarvan één door eiser zelf is opgesteld en de andere door [A], eigenaar van café [X]. Uit genoemde verklaringen volgt dat eiser voor zijn werkzaamheden geen financiële beloning ontving en dat het hier slechts een tijdsbesteding betrof. Met deze verklaringen wordt op geen enkele wijze onderbouwd dat er ten tijde van de aanvraag sprake was van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat eiser niet langer werkzaamheden bij café [X] verrichtte. Evenmin hebben eisers aannemelijk gemaakt dat genoemde werkzaamheden zodanig van omvang waren dat er recht op (aanvullende) bijstand bestaat. Nu eisers derhalve hebben nagelaten aan verweerder verifieerbare informatie te verstrekken waaruit kan volgen dat zij met ingang van 8 juni 2004 recht op bijstand hebben, heeft verweerder het recht op bijstand niet kunnen vaststellen. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat de aanvraag terecht is afgewezen. Het beroep dient mitsdien ongegrond verklaard te worden. Gelet hierop dient het verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen.

Ten aanzien van het verzoek om proceskostenveroordeling

Besluit I

De rechtbank ziet aanleiding verweerder op de voet van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten welke worden begroot op € 644,- zijnde de kosten van verleende rechtsbijstand in beroep. Van andere kosten is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eisers met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand hebben geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

Besluit II

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank met inachtneming van artikel 8:74 van de Awb tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep tegen besluit I gegrond voorzover daarbij de aan eiseres ten onrechte verstrekte bijstand mede wordt teruggevorderd van eiser;

verklaart het beroep tegen besluit I voor het overige ongegrond;

vernietigt besluit I, voor zover daarbij de aan eiseres ten onrechte verstrekte bijstand mede wordt teruggevorderd van eiser en laat dat besluit voor het overige in stand;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

verklaart het beroep tegen besluit II ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af;

veroordeelt verweerder in de proceskosten in verband met de behandeling van het beroep tegen besluit I, ad € 644,- en wijst de gemeente Ede aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eisers dient te vergoeden;

bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan op bankrekening 1923.25.752 ten name van DS 533 arrondissement Arnhem, onder vermelding van de registratienummers 04/2837 en 04/2839;

bepaalt voorts dat de gemeente Ede het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,- aan hen vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, voorzitter, mr. J. Barrau en mr. G.H.W. Bodt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.I.L.E.S. Bloemendal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 april 2006 door de voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier, voornoemd.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: