Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AW4106

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-03-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
AWB 05/5026
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eigen bijdrage. Bijdrageplichtig inkomen sedert 2003, opgave belastingdienst. Inkomen uit lijfrente. Bijzondere omstandigheden, reden voor afwijken van regels Bijdragebesluit zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 05/5026

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiseres]

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M.F. van Willigen,

en

Onderlinge Waarborgmaatschappij Menzis Zorgverzekeraar U.A. te Enschede, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 24 oktober 2005.

2. Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2004 heeft OWM Amicon Zorgverzekeraar Ziekenfonds U.A. (tot 1 januari 2006 rechtsvoorganger van verweerder) de hoogte vastgesteld van de eigen bijdrage die eiseres ingaande die datum op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) verschuldigd is.

Bij besluit van 3 februari 2005 heeft verweerder(s rechtsvoorganger) het ingediende bezwaar deels gegrond verklaard en de bijdrage lager vastgesteld.

Tegen dat besluit is beroep ingesteld, bij deze rechtbank geregistreerd onder nummer 05/539. Bij uitspraak van 14 juni 2005 heeft de rechtbank het besluit wegens een motiveringsgebrek vernietigd en verweerder(s rechtsvoorganger) opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Bij het onder 1. vermelde besluit heeft verweerder(s rechtsvoorganger) daaraan voldaan en opnieuw beslist, in gelijke zin.

Tegen dit besluit is (wederom) beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 21 maart 2006. Eiseres is aldaar verschenen bij [naam wettelijk vertegenwoordiger], bijgestaan door mr. M.F. van Willigen, advocaat te Arnhem, als gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.J. Vosmeijer, werkzaam bij Menzis te Enschede.

3. Overwegingen

Ingevolge het Bijdragebesluit zorg stelt verweerder jaarlijks de hoogte vast van de eigen bijdrage die een verzekerde bij opname in een instelling verschuldigd is. Basis voor die vaststelling is het bijdrageplichtig inkomen van betrokkene in het zogenoemde peiljaar. Het bijdrageplichtig inkomen werd tot 1 januari 2003 vastgesteld door verweerder(s rechtsvoorganger) overeenkomstig de regels van het Bijdragebesluit zorg. Vanaf die datum is het door de Belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen de basis voor de berekening van het bijdrageplichtig inkomen.

Op basis van de opgave van de Belastingdienst heeft verweerder de eigen bijdrage van eiseres per 2 juli 2004 vastgesteld. Eiseres is het me de hoogte van die bijdrage niet eens.

Uit de gedingstukken blijkt het volgende.

Eiseres werd per 1 juni 1986 opgenomen in gezinsvervangend tehuis De Zeeg te Arnhem. In 1988 kochten haar ouders voor haar een lijfrente, bedoeld en gebruikt voor extra uitgaven ten behoeve van eiseres. Ook familieleden van andere bewoners plegen die uitgaven voor hen te betalen. Die betalingen werden door het zorgkantoor als “giften” en daarmee als niet-bijdrageplichtig inkomen aangemerkt en zo buiten de berekening van de hoogte van de eigen bijdrage gehouden. De ouders van eiseres kozen voor de lijfrentevorm omdat die betalingen ook na hun overlijden doorgaan. Omdat er geen verschil bestond tussen de bestemming van lijfrente en giften, werd de lijfrente door het zorgkantoor niet als inkomen aangemerkt.

Vanwege problemen tengevolge van het wonen in groepsverband is eiseres op advies van de instelling per 1 maart 1999 verhuisd van haar kamer in de instelling naar een gehuurd twee kamer-appartement nabij het instellingsterrein. Voor het overige bleef alles bij het oude, met name de volledige zorg van de instelling bleef van kracht. Vanaf die datum werd van eiseres geen eigen bijdrage meer geheven, maar kwamen in plaats daarvan de woonlasten van eiseres voor eigen rekening.

Per 2 januari 2004 verhuisde eiseres weer terug naar de instelling, omdat een eigen appartement voor haar inmiddels niet meer wenselijk werd geacht. Verweerder heeft die datum als nieuwe opnamedatum aangemerkt. Daardoor is op eiseres niet het overgangrecht van het inmiddels per 1 januari 2003 gewijzigde Bijdragebesluit zorg van toepassing, inhoudende dat ook na die datum de op 31 december 2002 geldende eigen bijdrage verschuldigd blijft (tot 1 januari 2007). Voorts heeft verweerder de eigen bijdrage berekend op basis van het door de Belastingdienst daartoe opgegeven inkomen, waarin de lijfrente wel is opgenomen.

Eiseres heeft in beroep primair doen aanvoeren dat ten onrechte nu rekening is gehouden met de inkomsten uit de lijfrente. Subsidiair is eiseres van mening dat gezien de ongewijzigd gebleven zorg er geen sprake is van een nieuwe opname, zodat het overgangsrecht wel op haar van toepassing is.

Verweerder heeft gesteld begrip te hebben voor de het standpunt van eiseres, maar gebonden te zijn aan de gewijzigde regelgeving waaruit volgt dat niet meer verweerder, maar de Belastingdienst de relevante inkomsten vaststelt. Verder is verweerder van mening dat reeds omdat er vanaf maart 1999 geen sprake meer was van een eigen bijdrage het overgangsrecht niet van toepassing is, nu betaling van die bijdrage daarin als voorwaarde wordt gesteld.

De rechtbank overweegt als volgt.

Partijen worden onder meer verdeeld gehouden door de vraag of de lijfrente, anders dan voorheen, inkomen is dat moet meetellen bij het vaststellen van de hoogte van de eigen bijdrage.

Door eiseres wordt niet bestreden dat de lijfrente op zich in fiscale zin inkomen is. Ook wordt niet bestreden dat verweerder voor het vaststellen van de eigen bijdrage vanaf 2003 dient uit te gaan van het door de fiscus daartoe opgegeven bijdrageplichtig inkomen van betrokkene.

Er zijn echter bijzondere omstandigheden denkbaar waarin de strikte toepassing van wettelijke voorschriften van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht, dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Zodanige omstandigheden doen zich naar het oordeel van de rechtbank hier voor. Dat de ouders van eiseres kozen voor een lijfrente om de betalingen na hun overlijden te kunnen laten voortduren, doet er niet aan af dat die betalingen eenzelfde doel dienden en dienen als de bijdragen die (door anderen) in de vorm van giften werden en worden verstrekt, welke giften niet werden en worden aangemerkt als bijdrageplichtig inkomen. Dat was met name ook de reden dat verweerder(s rechtsvoorganger) voorheen de lijfrente niet aanmerkte als bijdrageplichtig inkomen. Aan dat karakter van de lijfrentebetalingen is per 1 januari 2003 niets veranderd. Na afweging van de betrokken belangen in het onderhavige geval had verweerder naar het oordeel van de rechtbank in afwijking van de regels van het Bijdragebesluit zorg moeten besluiten om de lijfrente buiten beschouwing te laten bij het vaststellen van het bijdrageplichtig inkomen.

Nu verweerders besluit reeds op grond van het vorenstaande moet worden vernietigd, behoeven de overige aangevoerde argumenten geen bespreking meer. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 2 juli 2004 met inachtneming van deze uitspraak.

Eiseres heeft verzocht om verweerder te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, bestaande uit de wettelijke rente over ten onrechte betaalde eigen bijdrage. Aangezien nu nog niet bekend is hoe hoog de eigen bijdrage vanaf 2 juli 2004 zal zijn, kan de schade nog niet worden vastgesteld. Het verzoek moet dan ook worden afgewezen. Bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar dient verweerder op het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente te beslissen.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand (2 punten). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 2 juli 2004 met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst af het verzoek om verweerder tot betaling van schadevergoeding te veroordelen;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van

€ 644,-;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,-aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van J.B.M. Wassink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2006.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: