Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AW2862

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-03-2006
Datum publicatie
21-04-2006
Zaaknummer
130969
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Er is geen sprake van een (tijdelijke) onmogelijkheid de overeenkomst na te komen, hetgeen een tekortkoming is die in beginsel ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. Krachtens artikel 6:265 lid 2 juncto lid 1 BW is in dat geval ontbinding van de overeenkomst mogelijk zonder dat de verkoper in verzuim is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 130969 / HA ZA 05-1595

Vonnis van 22 maart 2006

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 1],

gevestigd te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. P.M. Wilmink,

advocaat mr. V.F.M. Jongerius te Doetinchem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE HOFSTEDE B.V.,

gevestigd te Wekerom,gemeente Ede,

gedaagde,

procureur mr. T.J. van Veen,

advocaat mr. J.W. van der Linden te Ede.

Eisers zullen hierna [eiser] Exploitatiemaatschappij en [eiser], dan wel gezamenlijk [eiser] c.s., en gedaagde De Hofstede genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 november 2005

- het proces-verbaal van comparitie van 3 februari 2006.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 3 november 2004 is een aantal vennootschappen van het [betrokkene] concern in staat van faillissement verklaard. Aan deze vennootschappen werd leiding gegeven door de heer R.J.H.G. [betrokkene]. Na het faillissement heeft de curator de roerende en onroerende zaken van deze vennootschappen verkocht aan COZ.

2.2. Voorafgaande aan het faillissement had [eiser] pandrechten verkregen op de roerende zaken van voornoemde vennootschappen. Daarom is COZ in onderhandeling getreden met [eiser] over de overname door [eiser] c.s. van de onroerende zaak aan de [adres] te [woonplaats] en een aantal roerende zaken. Dit heeft geresulteerd in een overeenkomst van 8 november 2004 tussen COZ en [betrokkene] enerzijds en [eiser] Exploitatiemaatschappij anderzijds, waarbij [eiser] Exploitatiemaatschappij de onroerende zaak aan de [adres] te [woonplaats] en de roerende zaken heeft gekocht voor een bedrag van € 470.000,-.

2.3. Vervolgens zijn [eiser] c.s. in onderhandeling getreden met De Hofstede over de verkoop van deze zaken aan De Hofstede. Voorafgaand aan het faillissement van de vennootschappen van het [betrokkene] concern was De Hofstede reeds in vergaand overleg over de overname van de gehele onderneming van [betrokkene], waarbij al een concept overeenkomst was opgesteld. Bij overeenkomst van 13 november 2004 heeft vervolgens [eiser] aan De Hofstede de onroerende zaak, het materieel dat werd vermeld in een taxatierapport van Troostwijk en een partij bestratingsmateriaal verkocht voor een koopprijs van € 515.000,- exclusief BTW.

2.4. De overeenkomst tussen [eiser] en De Hofstede vermeldt verder:

Debiteuren komen vanaf 04 november voor rekening van koper. Dit geldt ook voor de loonkosten van de 3 werknemers.

Ter financiering stelt de verkoper € 465.000,- als lening ter beschikking aan koper voor een rentepercentage van 4% voor een looptijd van 5 jaren e.e.a. zoals omschreven in een akte van levering.

In de overeenkomst wordt geen datum van levering genoemd.

2.5. De levering van de onroerende zaak en de roerende zaken door COZ aan [eiser] c.s. heeft plaatsgevonden op 30 maart 2005. Dit was een gevolg van het feit dat [eiser] c.s. na de koop hebben dooronderhandeld met COZ om te trachten de goederen voor een lagere prijs te krijgen omdat de omvang van de grond minder was dan genoemd stond in het taxatierapport, er nog vervuilde grond op het terrein lag, er containers met afval stonden en er problemen waren met een aantal busjes. Uiteindelijk is pas geleverd nadat [eiser] een gerechtelijke procedure tegen COZ had gevoerd.

2.6. Op 3 maart 2005 heeft De Hofstede een brief met de volgende inhoud gestuurd aan [eiser]:

Geachte heer [eiser],

Op 13 november hebben wij afspraken met u gemaakt om te komen tot een overname van de activa van [betrokkene] Bouw B.V. te [woonplaats]. Opzet was dat ik naast de bebouwing, het materieel/materiaal en een partij bestratingsmaterialen, de werkvoorraad en de klanten zou overnemen. Om die reden zouden wij de debiteuren vanaf 4 november 2004 voor onze rekening nemen, evenals de loonkosten van de drie werknemers.

Doordat gebleken is dat u niet vrij kon beschikken over datgene wat u verkocht heeft, (...), is hieraan geen invulling gegeven. Dat blijkt ook al uit het feit dat in december nog werkzaamheden nog werkzaamheden door [betrokkene] aan ons gefactureerd zijn.

Inmiddels zijn we vier en een halve maand verder en heeft het bedrijf slechts stilgelegen. Dat betekent dat het werk er niet meer inzit en dat het de vraag is welke klanten er nog zijn. Onder deze omstandigheden hebben wij geen belangstelling meer om het geheel over te nemen. Dat een en ander zo gelopen is reken ik daarbij u aan. Anders dan destijds gepresenteerd was u immers niet bevoegd om over deze activa te beschikken. (...)

2.7. Bij brief van 3 mei 2005 hebben [eiser] c.s. De Hofstede gesommeerd om de overeenkomst tussen hen na te komen en mee te werken aan levering van de gekochte zaken. Bij brief van 10 mei 2005 heeft De Hofstede geantwoord dat zij haar standpunt niet zou wijzigen. Bij brief van 10 juni 2005 heeft de raadsman van [eiser] c.s. de overeenkomst tussen partijen ontbonden en aanspraak gemaakt op schadevergoeding en rente.

3. Het geschil

3.1. [eiser] c.s. vorderen - samengevat - veroordeling van De Hofstede tot betaling van € 141.750,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2005 en de kosten van de procedure.

3.2. [eiser] c.s. stellen hiertoe dat De Hofstede de overeenkomst niet is nagekomen nu zij blijkens haar brief van 3 maart 2005 heeft geweigerd de gekochte zaken af te nemen. Volgens [eiser] c.s. is de gesloten overeenkomst rechtsgeldig en is nimmer een tijdstip van levering overeengekomen. Evenmin heeft De Hofstede [eiser] c.s. ooit in gebreke gesteld om de zaken te leveren. Derhalve zijn [eiser] c.s. nimmer in verzuim geraakt. Nu De Hofstede harerzijds heeft geweigerd de overeenkomst na te komen, hebben [eiser] c.s. naar hun stelling de overeenkomst terecht kunnen ontbinden en is De Hofstede aansprakelijk voor alle door [eiser] c.s. hierdoor geleden schade. Deze schade bestaat volgens hen uit het verschil tussen hun inkoopprijs en de met De Hofstede overeengekomen verkoopprijs van de zaken en uit het gemis aan rente-inkomsten op een aan De Hofstede te verstrekken lening.

3.3. De Hofstede voert verweer. Zij stelt dat het bij het sluiten van de overeenkomst de bedoeling van partijen was dat de onderneming van [betrokkene] met onmiddellijke ingang zou worden voortgezet door De Hofstede. Deze bedoeling blijkt onder meer uit het feit dat zij het personeel is gaan betalen en de administratie van [betrokkene] heeft gevoerd en voorts uit het feit dat de debiteuren van [betrokkene] vanaf 4 november 2004 voor rekening van De Hofstede zijn gekomen. Na het sluiten van de overeenkomst heeft De Hofstede volgens haar stellingen bemerkt dat [eiser] c.s. niet in staat waren te leveren omdat zij zelf nog niet beschikkingsbevoegd waren. Hierdoor is niet binnen de overeengekomen tijd en ook niet binnen een redelijke tijd geleverd en kon de intentie van de overeenkomst, namelijk de voortzetting van het lopende werk van de onderneming van [betrokkene] en het behoud van de bestaande relaties, niet worden gerealiseerd. Omdat [eiser] c.s. de overeenkomst niet tijdig zijn nagekomen, heeft De Hofstede volgens haar stellingen met haar brief van 3 maart 2005 de overeenkomst de facto ontbonden, voorzover die nog niet eerder was ontbonden. Op deze brief is door [eiser] c.s. aanvankelijk niet gereageerd en ook nadien zou zij afstand hebben gedaan van het overeengekomene.

4. De beoordeling

4.1. In deze procedure staat de vraag centraal of De Hofstede de tussen partijen bestaande overeenkomst met haar brief van 3 maart 2005 heeft doen eindigen. In dat geval is het feit dat zij daarna de gekochte zaken niet meer heeft afgenomen niet aan te merken als een tekortkoming en is de vordering van [eiser] c.s. niet toewijsbaar.

4.2. Vast staat dat [eiser] c.s. de door hen aan De Hofstede verkochte zaken zelf pas op 30 maart 2005 in eigendom hebben verkregen. Tot die datum waren zij dan ook niet in staat de zaken aan De Hofstede te leveren en zodoende aan hun verplichtingen uit de koopovereenkomst te voldoen. Zulks blijkt ook uit de door [eiser] c.s. niet bestreden uitlating van De Hofstede op de comparitie van partijen dat [eiser] niet meer op het door hem gekochte terrein mocht komen, dat er grote problemen waren en dat [eiser] naar de rechter moest stappen om de goederen van COZ geleverd te krijgen. Dit is aan te merken als een (tijdelijke) onmogelijkheid de overeenkomst na te komen, hetgeen een tekortkoming is die in beginsel ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. Krachtens artikel 6:265 lid 2 juncto lid 1 BW is in dat geval ontbinding van de overeenkomst mogelijk zonder dat de verkoper in verzuim is. Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van De Hofstede van 3 maart 2005, waarin deze aangeeft dat zij “geen belangstelling meer heeft het geheel over te nemen” omdat [eiser] “anders dan destijds gepresenteerd (...) niet bevoegd (was) om over de activa te beschikken”, op te vatten als een dergelijk inroepen van de ontbinding.

4.3. [eiser] c.s. hebben weliswaar gesteld dat geen tijdstip van levering was overeengekomen, maar zulks verhindert niet een beroep op ontbinding in het geval blijkt dat levering (tijdelijk) niet mogelijk is. Dit zou echter anders kunnen zijn indien partijen anders zijn overeengekomen. In dit verband hebben [eiser] c.s. op de comparitie van partijen aangevoerd dat partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat [eiser] c.s. pas aan De Hofstede zouden leveren zodra COZ de goederen aan hen geleverd had en niet eerder. Kennelijk bedoelen [eiser] c.s. hiermee dat De Hofstede ermee heeft ingestemd dat de levering zou worden uitgesteld totdat de kennelijk bestaande problemen tussen COZ en [eiser] c.s. waren opgelost en levering aan [eiser] c.s. mogelijk was. Daarentegen heeft De Hofstede reeds bij antwoord gesteld dat zij herhaald heeft verzocht om en aangedrongen op overdracht van de zaken. Ter comparitie heeft zij voorts gesteld dat juist was afgesproken dat zij de boel zo snel mogelijk kon overnemen en dat [eiser] wist dat zij haast had bij de levering.

4.4. In het licht van deze betwisting en de opstelling van De Hofstede bij antwoord is de stelling van [eiser] c.s. onvoldoende geloofwaardig en onvoldoende feitelijk onderbouwd om op dit punt te kunnen toegelaten tot het leveren van bewijs.

4.5. In dit verband wijst de rechtbank ook op het feit dat – naar onbetwist uit de stellingen van partijen naar voren komt – De Hofstede voorafgaande aan de overeenkomst reeds in vergaande mate met [betrokkene] in onderhandeling was over de overname van de onderneming van het [betrokkene] concern, waarbij zij deze onderneming per direct wilde voortzetten. Nadat [eiser] c.s. een gedeelte van de activa van [betrokkene] had overgenomen, zijn er onderhandelingen gevoerd tussen [eiser] c.s. en De Hofstede over overdracht van deze activa aan De Hofstede. Voor de vraag in hoeverre dit voornemen van De Hofstede om de onderneming van [betrokkene] voort te zetten van invloed is geweest op de inhoud van de overeenkomst tussen [eiser] c.s. en De Hofstede dient niet alleen gekeken te worden naar de tekst van de schriftelijke overeenkomst, maar ook naar de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en naar hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vergelijk HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635; Haviltex). Volgens De Hofstede was het de bedoeling van partijen dat De Hofstede de onderneming, die aan de overgedragen zaken was verbonden, zou voortzetten en was het daartoe noodzakelijk dat de zaken snel, althans binnen een redelijke tijd, werden geleverd. De Hofstede stelt voorts dat zij herhaaldelijk heeft verzocht om en heeft aangedrongen op levering van de gekochte zaken. Zij wijst erop dat zij als koper belang had bij het instandblijven van de gekochte voorraden. De rechtbank acht het aannemelijk dat het voor [eiser] c.s. kenbaar was dat De Hofstede de activa van [betrokkene] van [eiser] c.s. wilde overnemen met de bedoeling het bedrijf voort te zetten. Dit valt niet alleen af te leiden uit het feit dat De Hofstede onmiddellijk als geïnteresseerde door [betrokkene] is voorgedragen, maar ook uit het feit dat in de overeenkomst uitdrukkelijk is vermeld dat de debiteuren van de onderneming en de loonkosten van het personeel met terugwerkende kracht per 4 november 2004 (de datum van het faillissement van de vennootschappen van [betrokkene]) voor rekening van De Hofstede zouden komen. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat het ook voor [eiser] c.s. duidelijk was dat levering van de activa op redelijk korte termijn diende te geschieden. Het standpunt van [eiser], dat De Hofstede akkoord zou zijn gegaan met een onbepaald uitstel van de levering is dan ook beslist niet aannemelijk.

4.6. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat De Hofstede op goede gronden met haar schrijven van 3 maart 2005 de ontbinding van de overeenkomst heeft ingeroepen en dat dit reden is om de vordering van [eiser] c.s. af te wijzen.

4.7. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de door [eiser] c.s. opgevoerde schade geenszins is onderbouwd en reeds om die reden niet voor toewijzing in aanmerking komt. Het gevorderde verschil tussen hun inkoop- en verkoopprijs is immers uit de lucht gegrepen nu niets is gesteld over de reële waarde van de verkochte en uiteindelijk door [eiser] c.s. behouden zaken (en tegen de achtergrond van de overgelegde taxatierapporten) en de gevorderde gederfde rente kan niet worden toegewezen als niet ten minste is gesteld en aannemelijk gemaakt dat het uiteindelijk niet uitgeleende bedrag in het geheel niet rentedragend kan worden gemaakt.

4.8. [eiser] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van De Hofstede worden begroot op:

- vast recht € 3.120,00

- salaris procureur € 2.842,00 (2,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 5.962,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van De Hofstede tot op heden begroot op € 5.962,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Noordraven en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2006.