Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AW1818

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-03-2006
Datum publicatie
13-04-2006
Zaaknummer
122342
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beoordeeld moet worden of eisers de dwangsommen hebben verbeurd. Zij stellen in de verzetdagvaarding dat zij niet in strijd met het dwangsombesluit hebben gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

_______________________________________________________________________ _

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 122342 / HA ZA 05-64

Vonnis van 15 maart 2006

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

eisers in het verzet,

procureur mr. P.M. Wilmink,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE GROESBEEK,

zetelend te Groesbeek,

gedaagde in het verzet,

procureur mr. P.J.M. van Wersch.

Partijen zullen hierna [eiser 1] en [eiser 2] en de gemeente genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 april 2005

- het proces-verbaal van comparitie van 31 augustus 2005

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

2.1. [eiser 1] en [eiser 2] zijn eigenaar van een vakantiewoning op het perceel [adres]. Op dit perceel is het bestemmingsplan ‘De Zeven Heuvelen’ van toepassing. Op grond van artikel 4 van het bestemmingsplan heeft de woning de bestemming vakantiewoning. Onder ‘vakantiewoning’ wordt in de begripsbepalingen van het bestemmingsplan verstaan: ‘een rekreatief woonverblijf, waarvan de gebruikers slechts tijdelijk gebruik maken en hun hoofdwoonverblijf elders hebben’. Op grond van artikel 17 van het bestemmingsplan is het verboden de gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken voor een doel of op een wijze strijdig met de in het plan aan de gronden gegeven bestemming.

2.2. Bij brief van 18 augustus 2003, verzonden op 20 augustus 2003, is aan [eiser 1] en [eiser 2] de gelegenheid geboden om hun zienswijze kenbaar te maken ten aanzien van het gemeentelijk voornemen om tot handhavend optreden over te gaan ter beëindiging van permanente bewoning. In het kader hiervan zijn zij op 27 augustus 2003 gehoord.

2.3. Bij besluit van 2 december 2003, verzonden 12 december 2003 is aan [eiser 1] en [eiser 2] een last onder dwangsom opgelegd. Deze last strekte tot beëindiging van met het bestemmingsplan strijdige permanente bewoning van de vakantiewoning vóór 15 maart 2004. Hierbij is aan [eiser 1] en [eiser 2] een dwangsom van € 150,- per dag vanaf 15 maart 2004 opgelegd met een maximum van € 75.000,- voor elke dag dat zij de vakantiewoning vanaf 15 maart 2004 zouden bewonen zonder een andere woning als hoofdwoonverblijf in gebruik te hebben. Tegen dit besluit is geen bezwaar ingediend.

2.4. Het dwangsombesluit vermeldt een raadsbesluit van 25 januari 1996 op grond waarvan sprake is van ‘gebruik als hoofdwoonverblijf’ wanneer ‘betrokkene niet elders beschikt over een hoofdwoonverblijf, dat tenminste bestaat uit een volwaardige keuken, woon-, was- en slaapgelegenheid, en/of wanneer betrokkene gedurende enige periode van 1 oktober tot 1 mei meer dan 105 maal overnacht in het recreatiewoonverblijf’.

2.5. Bij besluit van 14 juli 2004 is door Burgemeester en wethouders van Groesbeek een dwangbevel uitgevaardigd voor een bedrag van € 5.400,-, verhoogd met gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten. Dit op de grond ‘dat door middel van de controles is vastgesteld

dat van 16 maart 2004 tot en met 20 april 2004 niet is voldaan aan de last en de permanente bewoning nog steeds voortduurt’. Het dwangbevel vermeldt een verzettermijn van zes weken na de dag van betekening. Het dwangbevel is betekend op 27 juli 2004.

2.6. Op 6 september 2004 zijn [eiser 1] en [eiser 2] in verzet gekomen tegen het dwangbevel.

3. Het geschil

3.1. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

a. het verzet gegrond te verklaren;

b. het dwangbevel te vernietigen;

c. de gemeente te veroordelen in de proceskosten.

3.2. De gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van

belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [eiser 1] en [eiser 2] in zoverre in hun verzet kunnen worden ontvangen.

4.2 Tussen partijen staat vast dat tegen het dwangsombesluit van 2 december 2003 geen bezwaar is ingediend. Het dwangsombesluit heeft, nu er een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan die niet is gevolgd, formele rechtskracht gekregen. In deze procedure moet er dus van uitgegaan worden dat het besluit zowel naar de inhoud als naar de wijze van totstandkoming rechtmatig is. De in de jurisprudentie gehanteerde uitzonderingen op de leer van de formele rechtskracht zijn hier niet aan de orde.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben nog gesteld dat het bestemmingsplan zelf niet definieert wanneer er sprake is van gebruik als hoofdwoonverblijf, hetgeen in strijd is met de rechtszekerheid die een bestemmingplan zelf behoort te bieden. Verder hebben zij gesteld dat - zakelijk weergegeven - sprake is van discriminatie, nu mensen die uit Groesbeek komen niet worden aangepakt, of veel langer de tijd krijgen om de beweerde overtreding te beëindigen. Deze stellingen kunnen in het licht van hetgeen hiervoor over de formele rechtskracht is overwogen niet leiden tot gegrondverklaring van het verzet.

4.3. Beoordeeld moet dan worden of [eiser 1] en [eiser 2] de dwangsommen hebben verbeurd. Zij stellen in de verzetdagvaarding dat zij niet in strijd met het dwangsombesluit hebben gehandeld nu zij hun hoofdwoonverblijf hebben aan het [adres] in [woonplaats]. Zij stellen daar de beschikking te hebben over een woning met volwaardige keuken, woon-, was- en slaapgelegenheid. Van overtreding van het verbod van permanente bewoning kan volgens [eiser 1] en [eiser 2] geen sprake zijn wanneer niet in de periode van 1 oktober tot 1 mei meer dan 105 maal is overnacht in de vakantiewoning. Zij stellen dat het dan ook onmogelijk is dat een dwangsom wordt verbeurd wanneer niet die hele periode wordt bezien, maar slechts - zoals in dit geval - de periode van 16 maart 2004 tot en met 20 april 2004. Als er geen sprake is van overtreding van de beide maatstaven van het dwangsombesluit (geen hoofdwoonverblijf elders en meer dan 105 overnachtingen tussen 1 oktober en 1 mei) is er - aldus [eiser 1] en [eiser 2] - geen sprake van gebruik als hoofdwoonverblijf van de vakantiewoning.

4.4. De hiervoor weergegeven lezing van het dwangsombesluit van [eiser 1] en [eiser 2] moet worden verworpen. Gelet op de vermelding ‘en/of’ in de tekst (vaststaande feiten onder 2.4.) is er sprake van gebruik als hoofdwoonverblijf van de vakantiewoning zowel wanneer men niet elders een hoofdwoonverblijf heeft, als wanneer men in de periode van 1 oktober tot 1 mei meer dan 105 maal overnacht in de vakantiewoning.

4.5. Bij de stukken die de gemeente voor de comparitie in het geding heeft gebracht bevinden zich de verslagen van telefonisch tegenover de gemeenteambtenaar [betrokkene 1] afgelegde verklaringen van [betrokkene 2], eigenaar van [adres] te [woonplaats], en [betrokkene 3], chef van twee winkels aan het [adres] en [adres]. Beide verklaringen vermelden dat de heer en mevrouw [eiser 1] absoluut niet in het pand [adres] wonen, doch dat zij daar slechts een brievenbus hebben.

Ter comparitie heeft [eiser 1] onder meer met betrekking tot [woonplaats] verklaard:

“We hebben nu nog een kleine woonruimte op de bovenste verdieping van het pand Hoek [adres] / [adres]. Daar hebben we een slaapkamer en een keuken alsmede een gemeenschappelijke badkamer. Deze ruimte is sober ingericht, maar we kunnen daar overnachten. Al onze post komt ook nog in [woonplaats].

In juni 2003 heb ik een recreatiepark gekocht in [woonplaats], vlakbij [woonplaats]. Bij dat park hoort een beheerderswoning van ongeveer 100 vierkante meter. De woning heeft twee slaapkamers, een woonkamer, een keuken en een badkamer. Die woning willen we graag groter maken en daarvoor hebben we een bouwvergunning aangevraagd bij de gemeente [woonplaats]. Nadat de gemeente daar in eerste instantie mee akkoord was gegaan, zijn hierover problemen ontstaan nadat de gemeente had besloten het hele park te bestemmen voor permanente bewoning, waardoor in de visie van de gemeente een beheerderswoning overbodig werd en men bovendien precedentwerking vreest in die zin dat men wil voorkomen dat alle andere bewoners ook hun huizen kunnen gaan uitbreiden. Toen de problemen met de gemeente Groesbeek begonnen te spelen in de winter van 2003/2004 hebben we het grootste gedeelte van de tijd in [woonplaats] doorgebracht. We waren daar zo’n 5 van de 7 dagen per week. De woning in [woonplaats] is sober ingericht, in afwachting van de geplande verbouwing.”

Namens de gemeente is hierop ter comparitie gereageerd met de mededeling dat [eiser 1] en [eiser 2] tijdens de hoorprocedure (in september 2003) aan de gemeente hebben gemeld dat ze een hoofdwoonverblijf hadden in [woonplaats], en niet in [woonplaats].

Bij repliek is door [eiser 1] en [eiser 2] aangevoerd dat het sociaal en economisch hoofdwoonverblijf in [woonplaats] was. Daaraan is echter toegevoegd dat [eiser 1] en [eiser 2] bovendien juist in de in het dwangbevel genoemde periode geruime tijd op het park verbleven, ‘zoals ter comparitie aan de orde gekomen’, waarmee kennelijk wordt gedoeld op de 5 van de 7 dagen per week in [woonplaats].

In de hoorprocedure is als verklaring van [eiser 1] en [eiser 2] opgenomen, waarbij zij geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de weergave van hun verklaring (prod. 1 bij antwoord in oppositie):

‘Hierna begint de heer [eiser 1] erover dat ze binnenkort toch vertrekken uit de bungalow. Hij is eigenaar geworden van een bungalowpark in de buurt van [woonplaats]. De naam en plaats van het park wordt niet genoemd. Hier zal hij een beheerderwoning realiseren. De tekeningen van het huis zijn door een architect getekend en begin oktober dient de hij een aanvraag in bij de gemeente voor een bouwvergunning. Het betreft hier tevens een artikel 19 procedure. Wanneer de heer [eiser 1] vergunning heeft voor de bouw van de woning dan is hij bereid om schriftelijk te verklaren dat hij zijn bungalow binnen 9 maanden heeft verlaten. Dit wil hij alleen verklaren nadat de vergunning is verleend en absoluut niet eerder.’

Ter comparitie is namens de gemeente verklaard dat toen is aangegeven dat zij in afwachting van de bouwvergunning negen maanden permanent in de vakantiewoning in Groesbeek zouden mogen wonen, hetgeen niet is geaccepteerd door [eiser 1] en [eiser 2].

4.6. De rechtbank oordeelt dat [eiser 1] en [eiser 2] hun verweer, dat zij hun hoofdwoonverblijf - zoals omschreven in het dwangsombesluit - in de periode van 16 maart 2004 tot en met 20 april 2004 elders hadden, onvoldoende gemotiveerd hebben gehandhaafd. Het gemotiveerde standpunt van de gemeente met betrekking tot het hoofdwoonverblijf in Groesbeek zal daarom zonder nadere bewijslevering als vaststaand worden aangenomen.

Aan het vorenstaande doet niet af dat [eiser 1] en [eiser 2] de geloofwaardigheid van genoemde [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in twijfel trekken, nu de stellingen en verklaringen van [eiser 1] en [eiser 2] zelf niet voldoende consistent zijn over de vraag waar zij hun hoofdwoonverblijf dan zouden hebben, in [woonplaats] of in [woonplaats].

Hierbij is het volgende in aanmerking genomen. [eiser 1] heeft ter comparitie verklaard dat zij gedurende de winter van 2003/2004 – strikt genomen dus tot 21 maart 2004, welke periode bij repliek opgerekt lijkt te worden tot de onderhavige periode - vijf van de zeven dagen per week in de woning in [woonplaats] hebben doorgebracht. Bij het overzicht van data in de dagvaarding komt echter verblijf in [woonplaats] in de winter niet voor (met betrekking tot januari 2004 wordt bijna de gehele maand verblijf in Groesbeek vermeld). In de hoorprocedure in september 2003 is naar voren gebracht dat [eiser 1] en [eiser 2] pas negen maanden nadat de vergunning voor de woning in [woonplaats] zou zijn verleend de bungalow in Groesbeek wilden verlaten, welke termijn in de winter van 2004 en in de in deze procedure aan de orde zijnde periode nog niet verstreken was. De verklaring van [eiser 1] ter comparitie over [woonplaats] (“Deze ruimte is sober ingericht, maar we kunnen daar overnachten.”) maakt niet aannemelijk dat [eiser 1] en [eiser 2] hun hoofdwoonverblijf in [woonplaats] hadden in de hier aan de orde zijnde periode. Tot slot is in de aantekeningen van [eiser 1] en [eiser 2] op het rapport over de waarnemingen bij de recreatiewoning in Groesbeek (prod. C14) veelvuldig aangegeven dat er in de woning werd opgepast op kinderen, hetgeen ook wijst in de richting van een sociale en economische binding met Groesbeek.

4.7. Geoordeeld wordt daarom dat [eiser 1] en [eiser 2] de dwangsommen verbeurd hebben. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen. [eiser 1] en [eiser 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Gemeente Groesbeek worden begroot op:

- vast recht EUR 241,00

- salaris procureur 1.152,00 (3,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.393,00

5. De beslissing

De rechtbank

verklaart het verzet ongegrond,

veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten, aan de zijde van Gemeente Groesbeek tot op heden begroot op EUR 1.393,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Boon en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2006.