Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AV8674

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
AWB 05/5206
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:AZ7417, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet met succes curatief is behandeld, nu bij haar nog altijd een hersentumor aanwezig is en deze niet wordt behandeld. De omstandigheid dat de tumor niet groeit en dat eiseres geen klachten heeft van de tumor, maakt dat niet anders. Verweerder was dan ook gehouden een verklaring van rijgeschiktheid af te geven met de beperking “alleen tijdens privé-gebruik”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 05/5206

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiseres]

wonende te [woonplaats],

en

Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerster.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerster van 11 november 2005.

2. Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2005 heeft verweerder aan eiseres een verklaring van geschiktheid afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B voor een termijn van vijf jaar met de beperking “alleen tijdens privé-gebruik” (code 100).

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 22 februari 2006. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar vader, [naam vader]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L.H. Krajenbrink.

3. Overwegingen

Uit de schriftelijke verklaringen van neuroloog dr. A.C. Kappelle en kinderhemato-oncoloog dr. J.P.M. Bökkerink is de rechtbank gebleken dat in 1985 bij eiseres een niet-kwaadaardige hersentumor is gediagnosticeerd. Sindsdien werd bij controles geen enkele groei van de tumor waargenomen en was enige symptomatologie op psychisch of lichamelijk gebied niet aanwezig, zodat er geen behandeling noodzakelijk was.

Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat in het onderhavige geval op grond van de Regeling eisen geschiktheid bij de afgifte van de verklaring van geschiktheid de beperking “alleen tijdens privé-gebruik” moet worden gesteld, nu de hersentumor bij eiseres niet met succes curatief is behandeld.

Eiseres, die de mogelijkheid wil hebben de auto voor haar werk te gebruiken, kan zich met de beperking “alleen tijdens privé-gebruik” niet verenigen. Zij heeft daartoe kort gezegd aangevoerd dat zij met succes curatief is behandeld of dat sprake is van een daarmee gelijk te stellen situatie. Voorts is zij van mening dat verweerder toepassing dient te geven aan een hardheidsclausule en stelt zij schade te lijden door het bestreden besluit.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 103, zesde lid, van het Reglement rijbewijzen geeft het CBR, indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen slechts voldoet indien hij het door hem te besturen motorrijtuig gebruikt voor privé-doeleinden, een verklaring van geschiktheid af waarin die beperking is aangeduid met een bij ministeriële regeling vastgestelde codering.

Ingevolge artikel 1 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de regeling) wordt onder “groep 1” verstaan: bestuurders van motorrijtuigen van de categorieën A, B en B + E.

Ingevolge artikel 2 van de regeling worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In paragraaf 7.5 van de bijlage van de regeling wordt de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen door personen met intracraniële tumoren geregeld.

Op grond van paragraaf 7.5.1, voor zover hier van belang, kunnen aanvragers van een rijbewijs van groep 1 die niet tevens voldoen aan de eisen voor groep 2 in beginsel alleen geschikt worden verklaard als het gebruik wordt beperkt tot privé-gebruik.

In individuele gevallen kan een uitzondering worden gemaakt op de beperking tot privé-gebruik voor bepaalde gevallen van beroepsgebruik, namelijk indien de aanvrager wordt gekeurd door een specialist en de werkgever een verklaring afgeeft waaruit blijkt dat niet meer dan vier uur per dag beroepsmatig gebruik wordt gemaakt van het rijbewijs. Ter zitting is gebleken dat eiseres van deze mogelijkheid, die ook ter voorlichting in het bestreden besluit is vermeld, (vooralsnog) geen gebruik wil maken omdat zij van mening is dat in haar geval geen beperking gerechtvaardigd is.

Paragraaf 7.5.2 van de bijlage van de regeling, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

“Rijbewijzen van groep 2

Personen met een intracraniële tumor zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2. Een uitzondering hierop vormt de situatie waarin de tumor, blijkens het specialistisch rapport, met succes curatief is behandeld.”

De toelichting op de wijziging van paragraaf 7.5 van de bijlage van de regeling met ingang van 1 februari 2002 vermeldt onder andere het volgende:

“Op grond van de thans ingevolge de Regeling eisen geschiktheid 2000 geldende eisen worden mensen met tumoren of doorbloedingsstoornissen van de hersenen alleen na een operatie weer geschikt tot het besturen van motorrijtuigen geacht. Inmiddels is het inzicht ontstaan dat een operatie niet langer van beslissende betekenis is voor de mate van geschiktheid. Steeds vaker worden voor de behandeling van tumoren en doorbloedingsstoornissen van de hersenen andere behandelingsmethoden toegepast, zoals bestraling, chemotherapie en endovasculaire behandeling. Vooral bij zeer langzaam groeiende tumoren kan het aangewezen zijn te wachten met behandeling tot zich progressie voordoet.”

Naar het oordeel van de rechtbank kan aan het begrip “met succes curatief behandeld” in de regeling in samenhang bezien met de toelichting op de regeling, geen andere uitleg worden gegeven dan dat een tumor is behandeld en dat die behandeling tot genezing heeft geleid. Uit het hiervoor weergegevene komt verder naar voren dat de regelgever met de wijziging van paragraaf 7.5 van de bijlage van de regeling uitsluitend heeft beoogd ook personen geschikt te verklaren bij wie andere behandelingsmethoden dan een operatie tot genezing hebben geleid.

De rechtbank stelt op grond van de verklaringen van voormelde medische specialisten vast dat de hersentumor bij eiseres niet met succes curatief behandeld is, aangezien de tumor nog altijd aanwezig is en niet wordt behandeld. De omstandigheid dat de tumor niet groeit en dat eiseres geen klachten heeft, kan, gelet op de beperkte uitleg die aan het begrip “met succes curatief behandeld” moet worden gegeven, daarmee niet op één lijn worden gesteld. De rechtbank kan eiseres derhalve niet volgen in haar stelling dat de tumor met succes curatief is behandeld of dat sprake is van een daarmee gelijk te stellen situatie.

Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de situatie waarin eiseres verkeert, moet op grond van het voorgaande worden geconcludeerd dat verweerder geen andere mogelijkheid had dan haar een verklaring van geschiktheid af te geven onder de beperking van het gebruik van het rijbewijs tot alleen privé-gebruik. Voormelde regelgeving bestaat immers uit imperatieve voorschriften waarbij aan verweerder geen ruimte is gelaten om per geval rekening te houden met de individuele belangen van een aanvrager. Het staat ook de rechter niet vrij om te treden in de billijkheid van deze regelgeving. Naar het oordeel van de rechtbank is het de taak van de wetgever om te beoordelen of veranderende medische inzichten tot aanpassing van de regelgeving moeten leiden.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen.

Het beroep dient mitsdien ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank kan, nu het beroep ongegrond is, reeds hierom niet overgaan tot een veroordeling tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb. Voorts acht de rechtbank geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. J.J. Penning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Woestenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2006.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: