Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AV8566

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
05/930260
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In tegenstelling tot het openbaar ministerie en de verdediging acht de rechtbank poging tot doodslag bewezen bij het onder elektrische stroom zetten van een metalen dakrand waardoor er binnen enkele minuten een achtjarige jongen onder stroom is komen te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

Parketnummer : 05/930260-05

Datum zitting : 22 maart 2006

Datum uitspraak : 5 april 2006

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman: mr. J.B.M. Heerink, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 09 oktober 2005 te Nijmegen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer], althans een ander of anderen van het leven te beroven, opzettelijk een installatie- en/of stroomdraad tussen de (metalen) dakrand van zijn,

verdachtes schuur (aan de [adres]) heeft geklemd en

(vervolgens) die draad heeft verbonden met een stopcontact in zijn, verdachtes

schuur (waardoor die dakrand onder stroom is komen te staan) tengevolge

waarvan die [slachtoffer] onder stroom is komen te staan toen hij de dakrand van

die schuur beetpakte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 09 oktober 2005 te Nijmegen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan die [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk een installatie- en/of stroomdraad tussen de (metalen) dakrand van zijn, verdachtes schuur (aan de [adres]) heeft geklemd en (vervolgens) die draad heeft verbonden met een stopcontact in zijn, verdachtes schuur (waardoor die dakrand onder stroom is komen te staan) tengevolge waarvan die [slachtoffer] onder stroom is komen te staan toen hij de

dakrand van die schuur beetpakte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 22 maart 2006 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.B.M. Heerink, advocaat te Nijmegen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, geheel voorwaar-delijk met een proeftijd van 2 jaren, en voorts tot het ver-richten van 240 uren werkstraf, subsidiair te vervangen door 120 dagen hechtenis, met aftrek van 6 uren, zijnde 3 dagen.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd worden verklaard.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank is van oordeel dat de opzet van verdachte gericht is geweest op de dood van een van de spelende kinderen en wel in de vorm van voorwaardelijk opzet. Zij is van oordeel dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een van de spelende kinderen de metalen dakrand die verdachte onder elektrische spanning had gezet met zijn/haar handen zou vastpakken.

Of de gedragingen de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roepen is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank overweegt dat verdachte, met een opleiding HTS-Elektrotechniek, de wetenschap had dat hij door het geleiden van een installatiedraad vanuit een stopcontact van 220-230 Volt naar een metalen dakrand, de metalen dakrand onder elektrische spanning zou zetten. Verdachte heeft zelf tegenover de politie verklaard dat hij een elektrische stroomsterkte van tussen de 30 en 50 milliampère tot stand wilde brengen. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij kort voor het incident al drie keren naar buiten was gelopen omdat een van de kinderen op het betreffende dak zat.

De rechtbank is van oordeel dat op dat moment naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans bestond dat een van de spelende kinderen, die niet hebben gezien dat verdachte de elektrische spanning had aangebracht, wederom op het dak zouden klimmen, en dat dat kind bij het vastpakken van de dakrand onder stroom zou komen te staan en door elektrocutie zou komen te overlijden

Dat verdachte niet alleen wetenschap heeft gehad van de hiervoor vastgestelde aanmerkelijke kans, maar dat hij deze ook bewust heeft aanvaard, leidt de rechtbank onder meer af uit de verklaring van de echtgenote van verdachte. Zij verklaart onder meer dat verdachte zou hebben gezegd: “Ik zal nu stroom op het dak zetten, ik kan niets anders doen”. De echtgenote van verdachte verklaart voorts nog dat zij tegen haar man heeft gezegd dat hij dit niet op deze wijze moest doen en dat zij het idee van haar man geen goed idee vond.

Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij niet van plan was de elektrische spanning er lang op te laten zitten, omdat het mogelijk niet veilig zou zijn. Verdachte had dit willen uitzoeken, maar hij was hier niet toe gekomen omdat binnen enkele minuten al een van de spelende kinderen de dakrand had vastgepakt.

Op basis van het vorenstaande kan het niet anders zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van de een van de spelende kinderen bewust heeft aanvaard dan wel op de koop heeft toegenomen.

De raadsman heeft als verweer gevoerd dat er sprake is geweest van een ondeugdelijke poging. In het rapport van het NFI is onder meer opgenomen dat de zogenaamde loslaatdrempelwaarde is gesteld op 10 milliampère. Dit houdt in dat bij een stroomsterkte van meer dan 10 milliampère de kans bestaat dat de beïnvloede spieren zodanig verkrampen dat deze niet meer door de wil gestuurd kunnen worden. De waarde van 10 milliampère geldt voor een stroomdoorgang van 2 seconden of langer. Voor stromen van kortere duur is een steeds grotere stroomsterkte nodig om spierverkramping te kunnen veroorzaken. Bij een duur van een halve seconde is dit bijvoorbeeld 20 milliampère. Indien een slachtoffer iets vastpakt en er een dergelijk stroom gaat lopen, kan het zijn dat het slachtoffer niet meer los kan laten; hij zal dan ‘onder stroom’ blijven. Wanneer in deze situatie de stroom door de borststreek loopt, kan het gebeuren dat de ademhalingsspieren ook verkrampen. Het slachtoffer zal dan geen adem meer kunnen halen en als deze situatie blijft voortbestaan, uiteindelijk stikken.

Gelet op het proces-verbaal van aangifte, waarin wordt verklaard dat de jongen niet direct losliet, maar enige tijd aan de dakrand bleef hangen terwijl hij hevig schudde, is het mogelijk dat door dit schudden de voeten van de jongen van de rand van de aanhangwagen zijn geschoten, waardoor hij uiteindelijk viel en los kwam van de dakrand. Gegeven deze verklaring acht de deskundige ir. J.H.L.M. Lelieveld het aannemelijk dat de stroom die door het lichaam liep, boven de zogenaamde loslaatdrempel lag. De deskundige concludeert dat in de beschreven casus ernstig letsel had kunnen ontstaan in de vorm van een hartfunctie-stoornis of ademhalingsstoornissen met dodelijke hersenschade als gevolg en/of letsel ten gevolge van het vallen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er noch sprake is van een relatief ondeugdelijke poging, noch van een absoluut ondeugdelijke poging.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

De rechtbank acht bewezen dat:

hij op 09 oktober 2005 te Nijmegen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer], althans een ander of anderen van het leven te beroven, opzettelijk een installatiedraad tussen de (metalen) dakrand van zijn,

verdachtes schuur (aan de [adres]) heeft geklemd en

(vervolgens) die draad heeft verbonden met een stopcontact in zijn, verdachtes

schuur (waardoor die dakrand onder stroom is komen te staan) tengevolge

waarvan die [slachtoffer] onder stroom is komen te staan toen hij de dakrand van

die schuur beetpakte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 3 maart 2006; en

- een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 23 november 2005, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte voelde zich getreiterd doordat hij eerder op de dag overlast ondervond van een aantal spelende kinderen bij zijn woning. Deze overlast duurde volgens verdachte al jaren. Verdachte voelde zich op een gegeven moment zo tot het uiterste getergd dat hij de metalen dakrand van zijn schuur en die van zijn buurman onder elektrische spanning heeft gezet. Enkele minuten hierna pakte een van de spelende kinderen de metalen dakrand vast. De achtjarige jongen, die de metalen dakrand vastpakte, heeft toen enkele seconden aan deze dakrand gehangen. Een getuige heeft waargenomen dat het lichaam van het jongetje tijdens het hangen begon te schudden en behoorlijk heen en weer ging, en dat het jongetje noodkreten slaakte. De rechtbank acht dit een zo ernstig feit dat niet kan worden volstaan met de gevorderde werkstraf naast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Dit acht de rechtbank niet passend bij de bewezen verklaarde poging tot doodslag.

Aan de andere kant houdt de rechtbank reke-ning met de omstan-dig-heid dat verdachte de ernst van het feit inmiddels heeft inge-zien, het slachtoffertje gelukkig geen blijvend letsel heeft overgehouden, verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, verdachtes personenauto kort na zijn aanhouding in brand is gestoken en verdachte niet meer kon terugkeren naar zijn woning en daardoor deze woning onder de marktwaarde heeft moeten verkopen.

Alles overwegende acht de rechtbank voor de afdoening van dit feit een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden op zijn plaats is. Het voorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf dient er voor om verdachte er van te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan een strafbaar feit.

De rechtbank staat voor de keus een gevangenisstraf op te leggen met een voorwaardelijk deel ofwel met toepassing van artikel 14a zoals de tekst daarvan luidde tot 1 februari 2006 ofwel met toepassing van de tekst zoals deze luidt na 1 februari 2006. De bepaling zoals deze luidt na 1 februari 2006 is voor verdachte gunstiger nu deze voorziet in de mogelijkheid tot het opleggen van een langer voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf dan voorheen. De rechtbank zal daarom aan de bepaling zoals gewijzigd met ingang van 1 februari 2006 toepassing geven.

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven stroomdraden en kroonsteentjes zijn voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan. De rechtbank zal deze voorwerpen verbeurd verklaren.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 1, 10, 14a, 14b, 14c, 27, 33, 33a, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 9 (negen) maanden niet zullen worden tenuitvoergelegd, ten-zij de rechter later anders mocht gelasten. De rechtbank stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren. De tenuitvoerleg-ging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proef-tijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer-legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

? stroomdraden; en

? kroonsteentjes.

Aldus gewezen door:

mr. J.B.J. Driessen, rechter, voorzitter,

mr. N.W. Huijgen, vice-president,

mr. E.C.G. Okhuizen, rechter,

in tegenwoordigheid van J. van Elst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 april 2006.