Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AV7902

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
03-04-2006
Zaaknummer
129307
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsfout advocaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 129307 / HA ZA 05-1293

Vonnis van 25 januari 2006

in de zaa[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. P.H. Hillen te Tilburg,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. R.P. Elzas,

advocaat mr. S.M. Christiaan te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 oktober 2005

- het proces-verbaal van comparitie van 15 december 2005.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[gedaagde] is advocaat die zich onder andere toelegt op vreemdelingenrecht.

Op 30 juli 1999 heeft [eiser], van Ethiopische nationaliteit, een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Op 1 augustus 1999 heeft een medewerker van het aanmeldcentrum te Zevenaar [eiser] over zijn asielmotieven gehoord. Het rapport dat van dat gehoor is opgemaakt vermeldt op pagina 13:

“Samenvatting vluchtmotieven (...)

Als ik het dus goed heb begrepen heeft u uw land verlaten omdat u vanwege uw politieke opvat-tingen, waaronder dat u het niet eens bent met het feit dat de Tigre bevolkingsgroep wordt voor-getrokken ten opzichte van de Amhaarse bevolking, politieke uitlatingen heeft gedaan die nu nadat u bent geschorst meespelen bij de problemen die u nu ondervindt met de autoriteiten. De autoriteiten beschuldigen u er nu van een opstand op poten te hebben gezet nadat uw Amhaarse collega’s in een brief hebben aangegeven dat uw schorsing ter sprake moet komen en dat u terug moet komen op uw plaats en dat wanneer dit niet gebeurt zij ontslag zullen nemen en zullen terugtreden uit de gemeenteraad. Ook hebben uw collega’s in hun brief aangegeven dat zij terug-geplaatst willen worden naar hun oude functie wanneer u niet terug mocht komen. Gelet hierop zien de autoriteiten u als politieke tegenstander en willen u arresteren. Dit is ook de reden van uw vertrek.

Desgevraagd verklaart de heer [eiser] dat het bovenstaande een correcte samen-vatting van de door hem aangevoerde asielmotieven is.”

Bij besluit van 3 december 1999 heeft de Staatssecretaris van Justitie de aanvraag afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid. Het besluit vermeldt onder meer het volgende:

“Betrokkene ([eiser], rb) heeft geen enkele concrete aanwijzing dat de autoriteiten daadwerkelijk op zoek naar hem zijn. Betrokkene heeft alleen van horen zeggen dat de autoriteiten hem willen arresteren. De autoriteiten hebben bij het bezoek aan zijn moeder ook met geen woord gerept over een ophanden zijnde arrestatie. Er werd door de autoriteiten alleen tegen zijn moeder gezegd dat zij betrokkene wilden spreken in verband met zijn werk. Betrokkene zou, ook gezien zijn functie en achtergrond, mogelijkheden moeten hebben gehad te achterhalen wat de daadwerkelijke reden van het bezoek van de autoriteiten is geweest. Daarbij is het volgende eveneens in aanmerking genomen. Dat betrokkene na zijn schorsing naar huis gaat en zelfs op 30 april 1999 naar de auto-riteiten gaat om zijn rijbewijs te laten verlengen en op 29 of 30 april 1999 bij de rechtbank is geweest in verband met zijn scheiding, duidt er niet op dat hij problemen verwacht van de kant van autoriteiten. Betrokkene krijgt, volgens zijn verklaring, op 11 en 12 mei 1999 voor het eerst van vrienden te horen dat de autoriteiten voornemens zijn hem te arresteren. Blijkbaar zag betrok-kene in deze waarschuwing geen aanleiding om Ethiopië te verlaten en is er geen sprake van een acute vluchtsituatie. Ook nadat de autoriteiten zijn woning hebben bezocht op 27, 29 en 30 mei 1999 heeft betrokkene geen aanleiding gezien zijn land te verlaten. Pas na het bezoek van de auto-riteiten op 30 mei 1999 gaat betrokkene naar de woning van zijn tante. Als de autoriteiten de woning van zijn tante op 5 juni 1999 bezoeken verlaat betrokkene deze woning via de achterdeur, hetgeen niet geloofwaardig is. Als betrokkene daadwerkelijk gezocht zou worden door de auto-ri-teiten, zou van de autoriteiten meer opmerkzaamheid verwacht kunnen worden.

Tot slot wordt opgemerkt dat betrokkene zijn land via de officiële Ethiopische/Kenyaanse grenspost heeft verlaten, zonder daarbij problemen te hebben ondervonden, hetgeen er niet op duidt dat betrokkene te vrezen heeft voor de Ethiopische autoriteiten.”

Op 7 januari 2000 heeft [gedaagde] namens [eiser] bezwaar gemaakt tegen het be-sluit van 3 december 1999. Het bezwaarschrift vermeldt: “Ter toelichting van zijn bezwaar-schrift zal verzoeker nog nadere gronden aanvoeren.”

Bij brief van 20 januari 2000 heeft de Staatssecretaris van Justitie aan [gedaagde] de ont-vangst van het bezwaarschrift bevestigd en is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken alsnog de gronden van het bezwaar in te dienen.

Bij besluit van 17 februari 2000 heeft de Staatssecretaris van Justitie het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gronden van het bezwaarschrift niet waren ingediend.

Bij beroepschrift van 16 maart 2000 heeft [gedaagde] beroep ingesteld bij de recht-bank tegen het besluit van 17 januari 2000. Bij uitspraak van 1 december 2000 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Een rechtsmiddel kon daartegen niet worden ingesteld.

Op 8 maart 2001 heeft [eiser] wederom een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Het voornemen van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie om die aanvraag af te wijzen is op 4 maart 2004 verzonden aan mr. Hillen, voornoemd. Het voor-ne-men vermeldt onder meer het volgende:

“Allereerst heeft de gemachtigde van betrokkene de bezwaargronden van 26 januari 2000 overge-legd met het verzoek deze bij de tweede aanvraag te betrekken. (...) Betrokkene (heeft) niet aanne-melijk (...) gemaakt dat hij voor vervolging in de zin van het Verdrag te vrezen heeft als gevolg van zijn standpunten ten aanzien van de verwijdering van personen van Eritrese afkomst en ten aanzien de dominante positie van de Tigre bevolkingsgroep binnen de Ethiopische overheid, welke hij als bestuurslid van de Ethiopian People’s Revolutionary Democratic Front (EPRDF) innam. Immers, blijkens de verklaringen van betrokkene werd hij op 8 februari 1999 geschorst als lid van het uitvoeringscomité zone 4 doch bleef hij wel lid van de gemeenteraad voor de EPRDF. De reden dat hij geschorst werd en niet ontslagen, had, naar eigen zeggen, te maken met de om-standigheid dat hij zijn werk goed deed.

Daarnaast heeft betrokkene verklaard dat hij reeds in maart 1997 zijn afkeer tegen de dominantie van de Tigre bevolkingsgroep had geventileerd binnen de EPRDF doch dit was kennelijk voor de EPRDF geen beletsel om betrokkene als hoofd van de afdeling administratie en hoofd van de af-deling economische zaken van zone 4 van de gemeente Addis Abeba aan te houden. Overwogen wordt dat dit niet duidt op een situatie waarin betrokkene als belangrijk politiek tegenstander van het Ethiopische regime wordt beschouwd.

In bezwaar wordt voorts aangevoerd dat betrokkene zou zijn geschorst tengevolge van de omstan-digheid dat Amhaarse ambtenaren massaal zouden hebben gestaakt. Hiertoe wordt allereerst over-wogen dat dit niet overeenkomt met de verklaringen van betrokkenen hieromtrent. Immers, be-trokkene verklaarde tijdens het gehoor van 9 juli 2001 (pagina 7) dat zeven Amhaarse collega’s van hem hadden gedreigd met staken, maar dat het uiteindelijk niet tot een daadwerkelijke staking was gekomen.

Overwogen wordt dat gelet op de geringe omvang van het protest het niet aannemelijk wordt geacht dat dit voor de Ethiopische autoriteiten aanleiding zou zijn geweest om betrokkene te beschuldigen van het organiseren van een opstand tegen de Ethiopische autoriteiten.

Daarnaast wordt overwogen dat het evenmin aannemelijk is dat betrokkene als gevolg van dit incident gearresteerd zou worden. Zo verklaarde betrokkene dat vijf van de betreffende collega’s een zware waarschuwing hebben gekregen en vervolgens gewoon weer aan het werk zijn gegaan. Voorts werden twee collega’s ontslagen omdat zij als voorgangers werden gezien van de dreigen-de staking en omdat zij al eerder onenigheid hadden geuit. Gelet op het voorgaande valt niet in te zien waarom betrokkene gearresteerd diende te worden terwijl de twee genoemde collega’s, onder gelijke omstandigheden, slechts ontslagen werden. (...)

Ten aanzien van de stelling van betrokkene dat hij door de veiligheidsdienst gezocht zou worden wordt verder nog het volgende overwogen.

Dat er sprake zou zijn van concrete aanwijzingen dat betrokkene gezocht zou worden, wordt niet gevolgd. Immers, buiten de gestelde huisbezoeken is niet gebleken dat de Ethiopische autoriteiten actief naar betrokkene op zoek zijn geweest. Voorts wordt overwogen dat de omstandigheid dat de informatie inzake de huiszoeking van een niet objectieve bron afkomstig is, tot de conclusie leidt dat aan die informatie niet die waarde kan worden gehecht die betrokkene daaraan gehecht wenst te zien.

Betrokkene heeft voorts thans ter onderbouwing van zijn tweede aanvraag een aantal documenten overgelegd die hij nog niet bij zijn eerste aanvraag heeft overgelegd, te weten: de identiteits-kaar-ten van de sportraad en de verkiezingsraad, een huwelijksakte, een krantenartikel uit de krant Addislissan van 15 juli 1998, een bewijs van participatie van 28 mei 1993 afgegeven door het be-stuur van regio 14 van het comité van vrede en veiligheid, een brief van familie inzake de echtscheiding van betrokkene en zijn echtgenote van 28 februari 1999, diploma’s inzake een correspondentiecursus en lerarenopleiding Engels; deelnemerscertificaat van een management-cursus, foto’s en vier artikelen van internet.

Hiertoe wordt overwogen dat betrokkene met overlegging van betreffende documenten op geen enkele wijze zijn vrees voor vervolging heeft onderbouwd.”

Mr. Hillen heeft bij brief van 30 maart 2004 zijn zienswijze op het voornemen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) kenbaar gemaakt. Bij besluit van 8 april 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de aanvraag afgewezen.

Bij beroepschrift van 27 april 2004 heeft [gedaagde] beroep ingesteld bij de recht-bank tegen het besluit van 8 april 2004. Bij uitspraak van 13 april 2005 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Een rechtsmiddel is daartegen niet ingesteld.

[eiser] heeft vanaf zijn binnenkomst steeds in Nederland verbleven en vanaf 9 augustus 2000 samengewoond met een zekere mevrouw [betrokkene], met wie hij op 4 oktober 2005 is getrouwd. Op 25 april 2001 had hij reeds een verblijfsvergunning aangevraagd voor verblijf bij echtgenote. In bezwaar is op die aanvraag negatief beslist op 25 januari 2005. Tegen die beslissing is thans een beroepsprocedure aanhangig. [eiser] heeft nooit over een verblijfstitel in Nederland beschikt.

In het kader van zijn asielverzoek heeft [eiser] tot 31 januari 2001 verstrekkingen genoten op grond van de Regeling Verstrekkingen Asielzoekers (RVA) 1997.

De vordering

[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] primair € 19.000,00 en sub-sidiair € 4.789,65 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van betaling. [eiser] verwijt [gedaagde] dat [gedaagde] in zijn zorgplicht jegens [eiser] is tekortgeschoten door de gron-den van het bezwaar niet in te dienen. De vordering is daarop gegrond dat [gedaagde] zodoende jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld, dan wel toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een verbintenis jegens [eiser], en daarom gehouden is de schade die [eiser] als gevolg daarvan heeft geleden te vergoeden.

[eiser] begroot de scha-de primair op € 19.000,00. Daartoe heeft hij het volgende gesteld. Hij schat zijn kans op verlening van een verblijfsvergunning op grond van vluchtelingschap op 40% en zijn kans op verlening van een verblijfsvergunning op grond van het zogeheten ‘driejarenbeleid’ op 60%, indien het bezwaarschrift tijdig van gronden zou zijn voorzien. [eiser] schat de waarde van een asiel verblijfsvergunning op € 25.000,00, omdat voor een schijnhuwelijk € 10.000,00 à € 15.000,00 betaald moet worden en een dergelijke ver-blijfs-vergunning aanzienlijk minder sterke verblijfsrechten oplevert dan een verblijfs-ver-gunning op grond van vluchtelingschap of op grond van het driejarenbeleid. [eiser] stelt verder dat hij psychische schade heeft geleden omdat hij een groot aantal jaren in onzekerheid heeft verkeerd over zijn verblijfsrechtelijke positie en omdat het hem niet was toegestaan te werken. Hij stelt die, immateriële, schade op € 1.500,-. Volgens mr. Hillen is “40 % van € 25.000,-- + 60 % van 0,6 x € 25.000,00 + € 1.500” € 19.000,00. Subsidiair begroot [eiser] de scha-de op € 4.789,65. Daartoe heeft hij gesteld dat hij, indien het bezwaarschrift tijdig van gronden zou zijn voorzien, gedu-ren-de ten minste negen maan-den (39 weken) langer recht zou hebben gehad op uitkeringen ingevolgde de RVA 1997 van € 84,35 per week. [eiser] is dan € 3.289,65 aan RVA-uitkeringen misgelopen. Vermeer-derd met de ook subsidiair gevorderde vergoeding van psychische schade ad € 1.500,00 is dat € 4.789,65.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

De beoordeling

Tussen de partijen is niet in geschil dat aangenomen moet worden dat sprake is van een beroepsfout van [gedaagde] doordat de gronden voor het bezwaar niet tijdig bij de IND zijn binnengekomen en evenmin dat [gedaagde] daarom in beginsel schadeplichtig is. Voor het antwoord op de vraag of en in welke mate [eiser] als gevolg van deze fout schade heeft geleden moet in deze procedure in de eerste plaats worden beoordeeld of [eiser] met eventuele gebruikmaking van de hem ten dienste staande rechtsmiddelen een asielverblijfsvergunning zou hebben verkregen, indien [gedaagde] destijds tijdig de gronden voor het bezwaar tegen de afwijzende beslissing van 3 december 1999 zou hebben ingediend. Daarbij moet rekening gehouden worden met alle gegevens die in de asielpro-cedure een rol zouden hebben gespeeld. In een geval als dit is geen grond voor een beoordeling louter aan de hand van de kans dat [eiser] een asielverblijfsvergunning zou hebben gekregen.

Een verblijfsvergunning op grond van vluchtelingschap?

De eerste asielaanvraag van [eiser] is al op 3 december 1999 afgewezen. [gedaagde] heeft bezwaargronden opgesteld tegen dat besluit, gedateerd op 26 januari 2000. In deze procedure staat vast dat die gronden niet zijn ingediend bij de IND. Het bezwaarschrift is daarom zonder inhoudelijke beoordeling niet-ontvankelijk verklaard. De rechtmatigheid van dat besluit staat in rechte vast. Vervolgens heeft [eiser] een nieuwe aanvraag ingediend. De aanvraag is op inhoudelijke gronden afgewezen. Het beroep tegen dat besluit is zonder inhoudelijke beoordeling ongegrond verklaard omdat [eiser] geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd, en geen bijzondere omstandigheden bestonden om aan toepassing van die bepaling voorbij te gaan.

Gelet op het voorgaande kan aangenomen worden dat het bezwaar van 17 januari 2000 ongegrond zou zijn verklaard op de gronden die de IND in het voornemen van 3 maart 2004 en het besluit van 8 april 2004 heeft genoemd. De gronden van bezwaar van 26 januari 2000 zijn immers bij de nieuwe aanvraag overgelegd en door de IND beoordeeld, maar hebben niet tot inwilliging van de nieuwe aanvraag geleid. Voor het antwoord op de vraag of aan [eiser] uiteindelijk een verblijfsvergunning op grond van vluchtelingschap zou zijn verleend indien de gronden van bezwaar zouden zijn inge-diend, is dan ook in de eerste plaats van belang of een besluit tot ongegrondverklaring van het bezwaar een inhoudelijke toetsing door de bestuursrechter zou hebben doorstaan. In dat verband is het volgende van belang.

Ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift was van kracht de Vreemdelin-genwet van 13 januari 1965 (Vw). Op grond van artikel 15, lid 1, van die wet kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde so-ciale groep een aanvraag doen om toelating als vluchteling. In artikel 15c lid 1 aan-hef en onder a Vw is bepaald dat een dergelijke aanvraag wegens kennelijke ongegrond-heid wordt afgewezen indien zij is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf of in verband met andere feiten in redelijkheid geen enkel vermoeden kunnen wekken dat rechts-grond voor toelating bestaat. De eerste aanvraag van [eiser] is op die grond afgewezen. In onderdeel B7/8.2.2 van de toenmalige Vreemdelingencirculaire is ter toelichting op deze afwijzingsgrond opgemerkt: “In deze bepaling is het zogenaamde ‘Mosa-criterium’ (Hoge Raad NJ 1985, 82) vastgelegd in de wet voor wat betreft de bepaling van de kennelijke ongegrondheid. Het gaat erom, dat de door de asielzoeker aangevoerde motieven ‘duidelijk onvoldoende zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat hij is te beschouwen als vluchteling (...)’, waarbij beslissend is ‘of op grond van het terzake ingestelde onderzoek tussen redelijk denkende mensen geen twijfel kan bestaan of de asielzoeker zich objectief beschouwd niet in een vlucht-situatie bevindt’. Het ‘Mosa-criterium’ wordt eveneens gehanteerd bij de beoordeling of de uitzetting van de asielzoeker achterwege blijft als hij bezwaar instelt.”

Uit de hierboven geciteerde passages uit het besluit tot afwijzing van de eerste aanvraag en het voornemen tot afwijzing van de tweede aanvraag, blijkt dat de IND het asielrelaas van [eiser] hoofdzakelijk voor waar heeft aangenomen. Zo is de IND bij de beoordeling uitge-gaan van het lidmaatschap van [eiser] van EPRDF, de werkzaamheden van [eiser], zijn schorsing, zijn kritiek op de achterstelling van de Amhaarse bevolkingsgroep en de staking van Amhaarse ambtenaren. De kern van de reden waarom de aanvragen niettemin niet zijn ingewilligd is daarin gelegen dat [eiser] ook indien van die feiten wordt uitgegaan niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk door de Ethiopische autori-teiten wordt gezocht. Die conclusie kan in rechte standhouden. Een objectieve aanwijzing voor de stel-ling van [eiser] dat de Ethiopische autoriteiten hem willen arresteren, ontbreekt. [eiser] heeft verklaard dat hij van vrienden heeft gehoord dat de autoriteiten voornemens zijn hem te arresteren. Dergelijke informatie is onvoldoende objectief om gegronde vrees voor vervol-ging aan te nemen. De eenvoudige ontsnapping via de achterdeur van het huis van zijn tante is voorts minst genomen opmerkelijk te noemen indien [eiser] daadwerkelijk zou worden gezocht. De IND heeft verder terecht opgemerkt dat collega’s van [eiser] in dezelfde situatie als die van [eiser] slechts werden ontslagen en niet gearresteerd en dat [eiser], ondanks dat hij zich al in 1997 negatief over de achterstelling van de Amhaarse bevolkingsroep heeft uitgelaten, bijna twee jaar geen negatieve aandacht van de autoriteiten heeft ondervonden. Na zijn schorsing heeft [eiser] bovendien zonder problemen zijn rijbe-wijs verlengd en zijn scheiding geregeld. Enige problemen bij het verlaten van Ethiopië via een officiële grens-post heeft [eiser] ook niet ondervonden. Uit de aard van de stukken die [eiser] bij zijn tweede aanvraag heeft overgelegd, zoals die is beschreven in het voor-nemen en de uitspraak van 13 april 2005, kan evenmin een concrete aanwijzing voor daadwerkelijke vervolging worden gevonden. Het zijn stukken die iets zeggen over [eiser] en over Ethiopië, niet over de gegrondheid van de vrees van [eiser] voor vervolging.

Gelet op het voorgaande dient geoordeeld te worden dat [eiser], zonder twijfel en objectief beschouwd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk wordt gezocht. Het besluit van de IND om zijn aanvraag om toelating als vluchteling af te wijzen wegens de kennelijke ongegrondheid ervan, zou dan ook in rechte hebben standgehouden.

Aan [eiser] is om dezelfde reden niet vanwege schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer op grond van klemmende redenen van humanitaire aard een verblijfs-vergunning verleend. Ook in zoverre zou het besluit hebben standgehouden. [eiser] heeft in dit verband immers geen andere feiten gesteld.

Een verblijfsvergunning op grond van het ‘driejarenbeleid’?

Bij beantwoording van de vraag of aan [eiser] een verblijfsvergunning op grond van het zogenoemde ‘drieja-renbeleid’ zou zijn verleend indien de gronden van bezwaar waren ingediend, geldt het volgende.

Voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van het drieja-renbeleid moet aan drie cumulatieve voorwaarden worden voldaan. (Zie onderdeel A4/6.22 van de Vreem-de-lingencirculaire uit 2000. Dit beleid is nadien verduidelijkt, maar in de kern niet veran-derd. Vergelijk onderdeel C2/9 van de Vreemdelingencirculaire uit 2002.)

1. er is drie jaar verstreken sinds de aanvraag zonder dat daarop onherroepelijk is beslist, terwijl het oorspronkelijke verblijfsdoel nog steeds van toepassing is,

2. de uitzetting is om redenen die verband houden met het verblijfsdoel achterwege geble-ven,

3. er is geen sprake van een contra-indicatie.

Ten aanzien van voorwaarde één geldt verder nog dat enkel tijd die verstrijkt tijdens recht-matig verblijf in Nederland voor het berekenen van de termijn van drie jaar meetelt. De afwijzing van de eerste aanvraag van [eiser] op 3 december 1999 bracht mee dat hij vanaf dat moment niet langer rechtmatig in Nederland verbleef. Het bezwaar schorste die werking van het afwijzende besluit immers niet. (Artikel 6:16 van de Awb.) Om gedurende de perio-de totdat inhoudelijk op het bezwaar zou zijn beslist rechtmatig verblijf te houden in Nederland, is vereist dat [eiser] òf van de IND toestemming zou hebben gekregen om het besluit op bezwaar in Nederland af te mogen wachten, òf desverzocht van de bestuursrechter bij wege van voorlopige voorziening een verbod op uitzetting zou hebben verkregen tot op het bezwaarschrift zou zijn beslist. In beide gevallen zou het verblijf van [eiser] gedurende de periode die verstreken is tot het moment waarop een beslissing op het bezwaarschrift zou zijn verkregen met terugwerkende kracht van aanvang af rechtmatig zijn geweest, zoals de partijen tijdens de comparitie ook hebben beaamd. Indien vervolgens een beroepschrift daartegen gegrond verklaard wordt telt ook de periode tot aan het moment van de uitspraak in beroep mee als relevant tijdsverloop.

Partijen twisten over de vraag of binnen drie jaar onherroepelijk op de aanvraag zou zijn beslist. Voorop staat, gezien hetgeen onder 4.3 is overwogen, dat aangenomen dient te worden dat een be-roepschrift tegen een inhoudelijk besluit op bezwaar door de bestuurs-rechter ongegrond zou zijn verklaard. De periode tussen de beslissing op bezwaar en de uitspraak in beroep moet derhalve in dit verband buiten beschouwing blijven. De vraag valt dan uiteen in twee deelvragen. a. zou [eiser] tijdens de bezwaarfase rechtmatig verblijf hebben gehad? en, zo ja, b. zou dan op het bezwaar zijn beslist binnen 3 jaar ná de aanvraag op 30 juli 1999? In dit verband is het volgende van belang.

De IND heeft de eerste aanvraag kennelijk ongegrond verklaard. In samenhang bezien met het voornemen van 3 maart 2001,waarin in de kern dezelfde motivering is gebezigd, dient te worden aangenomen dat de IND [eiser] niet zou hebben toegestaan de beslissing op het bezwaarschrift in Nederland af te wachten. Gelet op het ‘Mosa-criterium’ (zie onder punt 4.3) moet verder worden aangenomen dat de voorzieningenrechter van de sector bestuursrecht van de rechtbank een verzoek om de voorlopige voorzienig te treffen dat uitzetting van [eiser] in afwachting van een besluit op zijn bezwaar wordt verboden, niet op inhoudelijke gronden zou hebben toegewezen.

Dan rest in dit verband nog het betoog van [eiser] dat de voorzieningenrechter een uitzet-tingsverbod zou hebben opgelegd op formele gronden, zoals in de uitspraak van 23 januari 2002 is geschied. In die uitspraak is een verzoek van een Soedanese vreemdeling om de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het be-zwaar is beslist, als kennelijk gegrond, dus zonder behandeling ter zitting toegewezen. De motivering van de uitspraak komt er kort gezegd op neer dat aan het belang van de vreemde-ling om er zeker van te zijn het bezwaarschrift in Nederland af te kunnen wachten een groter gewicht toekomt dan aan het belang van de Staatssecretaris van Justitie om de vreemdeling nog vóór-dat op bezwaar is beslist uit te kunnen zetten, omdat het verzoek een voorlopige voorziening te treffen meer dan één jaar aanhangig is en niet is gebleken dat op het bezwaar-schrift is beslist. De uit-spraak is blijkens punt 6 gebaseerd op de volgende gedragsregel, die is bekendgemaakt in het tijdschrift Migrantenrecht, jaargang 2000, nummer 4, pagina 119.

“Vanaf 1997 heeft de Rechtbank Den Haag aan voorlopige voorzieningen in zaken waarin de IND nog een beslissing op bezwaar moet nemen de laagste prioriteit toegekend. Dit beleid is zowel met de IND als met de rechtshulp in vreemdelingenzaken besproken. Achtergrond van dit beleid was, dat de IND inmiddels had besloten om voorrang te geven aan het beslissen op bezwaar.

Dit kwam er in de praktijk op neer dat dit soort zaken, bijzondere en spoedgevallen uitgezonderd, niet ter zitting werden geappointeerd. Gebleken is evenwel dat het aantal zaken in deze categorie sterk is toegenomen en dat beslissingen op bezwaar te lang uitblijven.

Na overleg met de IND hebben de VK’s nu in grote lijnen het volgende afgesproken. Vovo’s hangende bezwaar aangebracht in 1998 worden in beginsel buiten zitting afgedaan.

Vervolgens gebeurt hetzelfde met zaken die een ouderdom van meer dan een jaar hebben bereikt zonder dat op bezwaar is beslist en wel in beginsel in het kwartaal dat die ouderdom is bereikt.

M.i.v. april 2000 gaan de rechtbanken vovo’s hangende bezwaar ter zitting behandelen, te beginnen met die die zijn aangebracht in het vierde kwartaal van 1999.”

Nagegaan dient dan te worden of, indien de gronden van bezwaar zouden zijn ingediend, toepassing van deze gedragsregel in het geval van [eiser] geleid zou hebben tot een rechter-lijk uitzettingsverbod.

Het bezwaarschrift van [eiser] dateert van 7 januari 2000. Een verzoekschrift om bij wege van een voorlopige voorziening hangende dat bezwaar een uitzettingsverbod te verkrijgen zou derhalve niet vóór het vierde kwartaal van 1999 zijn aangebracht. Uit de gedragsregel volgt dan dat een der-gelijk verzoek niet buiten zitting zou zijn afgedaan (lees: als kennelijk gegrond zou zijn toegewezen), maar inhoudelijk ter zitting zou zijn behandeld en, gelet op punt 4.8, zou zijn afgewezen.

In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 23 januari 2002 dateerde het bezwaarschrift van 20 september 2000, derhalve evenmin van vóór het vierde kwartaal van 1999. Dat het verzoek in die zaak buiten zitting op formele gronden is toege-wezen, is derhalve in tegenspraak met de gedragsregel. Dan rijst de vraag of, in afwijking van de hierboven geci-teerde gedragslijn, het beleid om verzoeken om voorlopige voorzie-ning die een ouder-dom van meer dan een jaar hebben bereikt zonder dat op bezwaar is be-slist buiten zitting toe te wijzen, is voortgezet bij verzoeken die zijn ingediend ná het vierde kwartaal van 1999. De enkele omstandigheid dat in de uitspraak van 23 januari 2002 van de gepubliceerde gedragslijn is afgewe-ken is onvoldoende om die vraag bevestigend te kunnen beantwoorden. Nu [eiser] verder geen feiten of omstandigheden heeft genoemd op grond waarvan aangenomen zou kunnen worden dat de uitspraak van 23 januari 2002 niet een in-cidentele, maar een structurele, beleidsmatige afwijking van de gepubliceerde gedragsre-gel betreft, bestaat geen aanleiding aan te nemen dat in het geval van [eiser] niet conform de gepubliceerde gedragsregel zou zijn gehandeld. Voor bijstelling van de onder punt 4.9 gegeven prognose bestaat derhalve geen grond. Dat brengt verder mee dat het antwoord op de vraag of binnen drie jaar ná de aanvraag op het bezwaarschrift zou zijn beslist niet rele-vant meer is. Gelet op het voorgaande zou [eiser] immers in afwachting van een beslissing op zijn bezwaarschrift niet rechtmatig in Nederland hebben verbleven. Die periode zou dan niet als relevant tijdsverloop in de zin van het driejarenbeleid zijn beschouwd. Dus zou [eiser] geen aanspraak op een verblijfsvergunning op die grond hebben gehad, indien de gronden van bezwaar zouden zijn ingediend.

De conclusie uit het voorgaande is dat aangenomen moet worden dat [eiser] niet een asielverblijfsvergunning zou hebben verkregen indien [gedaagde] tijdig de gronden voor het bezwaar zou hebben ingediend, noch op inhoudelijke gronden, noch op grond van het driejarenbeleid. Bovendien is de primair gevorderde schadevergoeding wegens met mislo-pen van zodanige verblijfstitel niet toewijsbaar. Een verblijfstitel is strikt persoonlijk en niet verhandelbaar en daaraan kan als zodanig niet een waarde in het economisch verkeer wor-den toegekend. Of het mislopen van zo’n titel anderszins op geld waardeerbare (vermogens)schade voor de potentiële gerechtigde vormt is de vraag. Maar dergelijke scha-de kan in geen geval worden begroot op de kosten van een schijnhuwelijk, zoals [eiser] voorstaat. Een schijnhuwelijk is een frauduleuze handeling om in het bezit te komen van een verblijfstitel waarop geen aanspraak bestaat. De kosten die gemoeid zijn met een dergelijke frauduleuze handeling kunnen niet tot maatstaf van begroting van schade als de onderhavige dienen. Voor het overige heeft [eiser] geen aanknopingspunten gesteld aan de hand waarvan vastgesteld kan worden of en in hoeverre hij schade heeft geleden. Voorzover het de gevor-derde immateriële schade betreft geldt het volgende. Aanspraak op vergoeding daarvan bestaat, voorzover hier van belang, indien de benadeelde in zijn persoon is aangetast. Van zodanige aantasting kan sprake zijn in geval van psychisch letsel. Daarvoor is onvoldoende dat slechts sprake is van psychisch onbehagen. Dat [eiser] psychisch letsel heeft opgelopen tengevolge van de beroepsfout van [gedaagde] is onvoldoende gesteld of gebleken. Van be-lang is in dat verband ook dat namens [eiser] bij de comparitie is verklaard dat hij niet onder behandeling van een psychiater of psycholoog is. De primaire vordering moet dus worden afgewezen.

Mislopen van uitkeringen ingevolge de RVA 1997?

[gedaagde] heeft betwist dat [eiser], indien de gronden van bezwaar zouden zijn in-gediend, langer uitkeringen ingevolge de RVA 1997 zou hebben ontvangen, omdat [eiser] vanaf 9 augustus 2000 samenwoonde met mevrouw [betrokkene] en daarom geen aanspraak meer had op verstrekkingen op grond van de RVA 1997. In dit verband is het volgende van belang.

In artikel 5 lid 1 aanhef en onder b van de RVA is bepaald dat de opvang in een opvangcentrum in elk geval verstrekking van een wekelijkse financiële toelage omvat.

Uit artikel 10 lid 1 van de RVA 1997 volgt dat verstrekking van deze toelage niet plaats-vindt “indien de bewoner van het centrum geen gebruik maakt van het in het desbetreffende centrum geboden onderdak”. Vast staat dat [eiser] vanaf 9 augustus 2000 niet meer in een opvangcentrum verbleef en in beginsel dus vanaf die datum geen aanspraak had op de toelage. Het tweede lid van artikel 10 voorziet echter in de mogelijkheid voor het Centraal Orgaan opvang asielzoekers om in bijzondere gevallen af te wijken van de bepaling in het eerste lid. De nota van toelichting op deze bepaling (Staatscourant 1997, nr. 246, p. 12) vermeldt:

”Het tweede lid strekt ertoe het mogelijk te maken dat asielzoekers in bijzondere, uitzonderlijke situaties ook kunnen verblijven buiten een opvangcentrum, de zogenaamde administratieve plaat-sing. Admini-stratieve plaatsing betreft de plaatsing van een asielzoeker bij een verblijfsgerech-tig-de of Nederlander. De asielzoeker wordt ingeschreven in het dichtsbijzijnde AZC en zal aldaar de (volledige) wekelijkse financiële bijlage (...) kunnen ontvangen. (...) Plaatsing is toelaatbaar wanneer het de inwoning betreft bij een tot Nederland toegelaten eerste graads familielid, dan wel de echtgeno(o)te of partner die beschikt over eigen passende woonruimte.”

Vast staat dat [eiser] inwoonde bij mevrouw [betrokkene], zijn toenmalige partner, thans zijn echtgenote. Het voorgaande brengt dan mee dat de samenwoning van [eiser] met [betrokkene] niet betekent dat hij geen aanspraak meer kon maken op een wekelijkse financiële toelage ingevolge de RVA 1997. Kennelijk heeft [eiser] de vestrekking ook tot 31 januari 2001 genoten, zoals door hem verklaard bij de comparitie en niet door [gedaagde] is weersproken. [gedaagde] heeft verder niet betwist dat een dergelijke aanspraak zou hebben bestaan indien de gronden van bezwaar zouden zijn ingediend en evenmin dat [eiser] die aanspraak zonder meer gedurende 39 weken na 31 januari 2001 zou hebben kunnen doen gelden, zodat daar-van wordt uitgegaan. [gedaagde] heeft nog wel betwist dat aan [eiser] € 84,35 per week zou zijn uitgekeerd. [eiser] heeft de hoogte van dat bedrag niet onderbouwd. De zaak zal daarom naar de rol worden verwezen, teneinde [eiser] in de gelegenheid te stellen dat alsnog te doen. Hij moet dus stukken overleggen waaruit blijkt welk bedrag hij per week heeft genoten en nog genoten zou hebben.

De beslissing

De rechtbank

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 februari 2006 voor uitlating door [eiser] over hetgeen onder punt 4.13 is overwogen,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2006.