Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AV7885

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
03-04-2006
Zaaknummer
101342/115787
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zekerstellen pensioenaanspraken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 101342 / HA ZA 03-1058

115787 / HA ZA 04-1289

Vonnis van 25 januari 2006

in de zaak met rolnummer 03-1058 van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. W.H.B.K. Brunet de Rochebrune,

advocaat mr. M.S. van den Berg,

beiden te Nijmegen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. W.J.G.M. van den Broek,

advocaat mr. A.E. Klaassen,

beiden te Nijmegen,

en in de zaak met rolnummer 04-1289 van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur mr. W.H.B.K. Brunet de Rochebrune,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde].,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur mr. W.J.G.M. van den Broek

De partijen worden hierna [eiseres], [gedaagde] en de vennootschap genoemd.

De procedures

Voor het verloop van de procedures in deze gevoegde zaken wordt verwezen naar het vonnis van 13 april 2005. Bij dat vonnis is in de procedure 2004-1289 een deskundigenonderzoek bevolen. Dat onderzoek heeft niet plaatsgevonden nadat [eiseres] wel, maar de vennootschap niet, ook na herhaald verzoek niet, het vastgestelde voorschot op de deskundigenkosten had betaald. In de procedure 2004-1289 heeft vervolgens de vennootschap een akte genomen, [eiseres] een antwoordakte.

De rechtbank heeft bepaald dat in de gevoegde zaken heden opnieuw vonnis wordt gewezen.

Vaststaande feiten, de geschillen en de beoordeling

in de beide – gevoegde – procedures

De overwegingen met betrekking tot de vaststaande feiten, de geschillen en de beoordeling in het vonnis van 13 april 2005 blijven gelden.

De beoordeling, voorts

in de procedure [eiseres] tegen de vennootschap (2004-1289)

1. In het tussenvonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat op grond van het echtscheidingsconvenant tussen [eiseres] en [gedaagde], de vennootschap verplichtingen had gekregen, en ook als zodanig aanvaard, jegens [eiseres]. Het gaat hier om de verplichtingen in 5.5 (nabestaandenpensioen) en 5.7 (ouderdomspensioen) van het convenant, zoals letterlijk weergegeven onder de vaststaande feiten in het tussenvonnis.

2. Nabestaandenpensioen

[eiseres] stelt dat de vennootschap haar verplichting verwoord in 5.5 van het convenant niet is nagekomen. De rechtbank heeft de vennootschap in de gelegenheid gesteld door geschriften te bewijzen dat zij haar verplichting wel is nagekomen. De vennootschap heeft geen bewijsstukken overgelegd en ook geen ander bewijs aangeboden. Zij verwijst naar het eerder overgelegde stuk Polis Lijfrenteverzekering (productie 7 bij dagvaarding). Volgens die polis is de einddatum van de verzekering 1-2-2010, zodat op grond van die verzekering het nabestaandenpensioen na die datum niet meer verzekerd is. Ook blijkt niet uit de polis dat de aanwijzing van [eiseres] als begunstigde onherroepelijk is.

Het is dus niet gebleken dat de vennootschap heeft voldaan aan haar verplichting ten aanzien van het zekerstellen van het nabestaandenpensioen van [eiseres] zoals overeengekomen. De vennootschap heeft bij haar laatste akte verklaard op dit moment niet bij machte te zijn middelen vrij te maken om een nadere voorziening te treffen. Haar betoog dat dat mede komt doordat [eiseres] een door haar deels erkende schuld aan [gedaagde] (uit onverschuldigd betaalde alimentatie) niet voldoet, is hier niet relevant omdat – daargelaten of het hier gaat om een liquide vordering – thans aan de orde is een vordering op de vennootschap en niet op [gedaagde].

3. Ouderdomspensioen

[eiseres] stelt dat de vennootschap ook haar verplichting verwoord in 5.7 van het convenant niet is nagekomen. De rechtbank heeft in het tussenvonnis vastgesteld dat een redelijke uitleg van die bepaling meebrengt dat de vennootschap jaarlijks een verklaring moet afleggen, die – controleerbaar – zo moet zijn dat die het vertrouwen geeft dat de door mevrouw opgebouwde pensioenaanspraken zijn veiliggesteld. De rechtbank heeft in het tussenvonnis nog geen consequenties verbonden aan het door mevrouw gestelde dat de vennootschap tot nu toe niet jaarlijks en pas na aandringen en te laat, ontoereikende verklaringen heeft afgegeven. Relevant vond de rechtbank vast te stellen of de vennootschap thans beschikte over de fondsen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van haar verplichtingen m.b.t. het ouderdomspensioen van mevrouw [eiseres], mede gelet op de wijze waarop zodanige fondsen zijn vastgelegd. De rechtbank heeft daartoe een deskundigenonderzoek gelast.

Het deskundigenonderzoek heeft niet kunnen plaatsvinden, omdat de vennootschap de door haar te betalen helft (€ 2.500,-) van het voorschot op de kosten niet heeft betaald. Zij heeft gesteld dat bedrag niet te kunnen betalen. Dat ligt in haar risicosfeer. De gevolgen van het feit dat het onderzoek niet heeft kunnen worden verricht, komen daarom voor rekening van de vennootschap. Dat betekent dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat – kort gezegd – het ouderdomspensioen van mevrouw [eiseres] thans voldoende is veiliggesteld. Dat leidt tot de conclusie dat de vennootschap in elk geval thans niet voldoet aan haar verplichting met betrekking tot het ouderdomspensioen van [eiseres], zoals de rechtbank die verplichting met een redelijke uitleg van het convenant begrijpt. De vennootschap wijst op de mogelijkheid dat het in de toekomst wel goed zal komen (na verkoop van het huis van [gedaagde]), maar dat doet niet af aan de vaststelling dat de pensioenaanspraken van [eiseres] niet, en zeker op dit moment niet, zijn veiliggesteld.

4. De rechtbank heeft in het tussenvonnis ook al vastgesteld dat, mocht blijken dat de aanspraken van [eiseres] op ouderdomspensioen onvoldoende zijn veiliggesteld, dat nog niet betekent dat de vennootschap moet worden veroordeeld tot afstorting van die aanspraken zoals [eiseres] vordert. Dat oordeelt geldt evenzo voor het nabestaandenpensioen, ook daarvan vordert [eiseres] de afstorting. De rechtbank heeft een paar voor de vennootschap minder bezwarende oplossingen voorgesteld: zekerheidstelling door derden, of een door de vennootschap af te sluiten pensioenverzekering voor het pensioen van [eiseres]. De rechtbank heeft de deskundige ook gevraagd daarover te adviseren, maar dat advies is dus niet uitgebracht. De vennootschap heeft bij haar laatste akte gezegd “op dit moment niet te kunnen overzien of er andere mogelijkheden zijn”. Daaruit blijkt dat de vennootschap niet alleen haar verplichtingen op grond van 5.5 en 5.7 van het convenant niet nakomt, maar ook niets kan aanbieden waarmee [eiseres] misschien, in plaats van nakoming, genoegen mee zou nemen of moeten nemen.

5. Alleen onder bijzondere omstandigheden – daarop heeft betrekking de door [eiseres]

aangehaalde jurisprudentie (HR 12 maart 2004, NJ 2004, 636) – zou de vennootschap kunnen worden veroordeeld tot afstorting van de pensioenaanspraken van [eiseres]. Die bijzondere omstandigheden, gelegen in een zeer verwijtbaar doen of nalaten van de vennootschap, zijn door [eiseres] te summier gesteld en ook niet te bewijzen aangeboden. De gevorderde afstorting is ook niet te beschouwen als schadevergoeding wegens niet-nakoming, ook al omdat allerminst vaststaat dat afstorting, ook in hoogte van de af te storten bedragen, overeenkomt met de geleden schade. De rechtbank zal de vordering tot veroordeling van de vennootschap tot afstorting van de pensioenaanspraken van [eiseres] dan ook afwijzen.

6. Wel is het kennelijk zo dat [eiseres] met haar vordering de vennootschap te veroordelen

tot afstorting hetzelfde doel beoogt als met nakoming kan worden bereikt: het zekerstellen van haar pensioenaanspraken. Dat maakt dat de rechtbank in de vordering tot veroordeling tot afstorting, begrepen acht een vordering de vennootschap te veroordelen tot nakoming van haar verplichtingen op grond van 5.5 en 5.7 van het convenant. Ook de formulering van de de vordering na de wijzigingen (zie overweging 1 van het tussenvonnis) biedt daartoe de ruimte.

Het feit dat de vennootschap tot nu toe haar verplichtingen met betrekking tot nabestaanden- en ouderdomspensioen van [eiseres] niet is nagekomen en stelt dat op dit moment ook niet te kunnen, is geen reden haar niet tot nakoming van die verplichtingen te veroordelen.

De rechtbank zal de vennootschap dan ook veroordelen tot het alsnog nakomen van haar verplichtingen in verband met 5.5 en 5.7 van het convenant. Dat strookt ook met het standpunt van de vennootschap dat zij verwacht dat zij de pensioenaanspraken van [eiseres] kan zekerstellen – mogelijk door een van de alternatieven die de rechtbank in het tussenvonnis onder 4 (slot van de overweging) heeft aangereikt – zodra het huis van [gedaagde], dat te koop staat, is verkocht.

Ook de vordering van [eiseres] een dwangsom op te leggen is toewijsbaar. Het verweer van de vennootschap heeft deels betrekking op het geval van een veroordeling tot afstorting, maar zo’n veroordeling wordt uitgesproken. Deels houdt het verweer in dat de vennootschap een dwangsom niet zal kunnen betalen, maar dat is evenmin een geldig verweer als het verweer tegen nakoming van de hoofdverplichting. De te verbeuren dwangsom zal wel worden beperkt.

In het tussenvonnis is al aangekondigd dat de vordering van [eiseres] de vennootschap te veroordelen tot afgifte van de pensioenbrief, zal worden afgewezen.

7. De vennootschap zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

in de procedure [eiseres] tegen [gedaagde] (rolnummer 2003-1058)

8. In het tussenvonnis van 13 april 2005 is al vastgesteld dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vordering tegen [gedaagde]: uit de dagvaarding tegen [gedaagde] onder 8 en 12 blijkt dat [eiseres] haar vordering tegen [gedaagde] niet baseert op art. 5.8 van het convenant . De vordering tegen [gedaagde] zal daarom worden afgewezen.

9. Nu [eiseres] en [gedaagde] met elkaar gehuwd zijn geweest en de procedure samenhangt met de ontbinding van hun huwelijk, zullen de proceskosten worden gecompenseerd zo dat ieder de eigen kosten draagt.

De beslissing

De rechtbank

1. wijst af de vordering van partij [eiseres] op partij [gedaagde] (procedure met rolnummer 2003-1058),

2. veroordeelt partij [ge[gedaagde] Nijmegen B.V.

a. vóór 1 april 2006 het nabestaandenpensioen van partij [eiseres] (ook na 1 februari 2010) extern te verzekeren, in welk kader partij [eiseres] zal wordt aangewezen als onherroepelijk begunstigde, met inachtneming van wat verder is bepaald in art. 5.5 van het echtscheidingsconvenant tussen [eiseres] en [gedaagde] d.d. 12 september 1996,

b. jaarlijks voor 1 april van het jaar, dit jaar vóór 1 april 2006, voor rekening van die BV, aan partij [eiseres] een door de accountant van de vennootschap opgestelde verklaring te doen afgeven, waarin die accountant vaststelt en verklaart dat de vennootschap beschikt over de fondsen, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de pensioenverplichtingen van de vennootschap als ook de wijze waarop zodanige fondsen zijn vastgelegd; met inachtneming van wat verder is bepaald in art. 5.7 van het echtscheidingsconvenant tussen [eiseres] en [gedaagde] d.d. 12 september 1996,

3. veroordeelt partij [gedaagde] tot betaling van een dwangsom van € 5.000,- voor elke week of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling onder 2a of aan een van de veroordelingen tot de periodieke verplichtingen onder 2b te voldoen, met een maximum aan gezamenlijke dwangsommen van € 500.000,-,

4. veroordeelt [gedaagde] Nijmegen B.V. in de kosten van de procedure met rolnummer 2004-1289, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 324,78 wegens verschotten en € 1.808 wegens salaris,

5. compenseert de overige proceskosten zo dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt,

6. verklaart de beslissingen 2, 3 en 4 uitvoerbaar bij voorraad,

7. wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Drabbe en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006.

De griffier, De rechter,