Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AV5244

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
25-10-2006
Zaaknummer
398368\CV EXPL 05-2074
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is niet verschenen ter comparitie van partijen en heeft ook daarna niet meer gereageerd. Vordering toch, zij het gedeeltelijk, toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Tiel

zaakgegevens 398368 \ CV EXPL 05-2074 \ 127 \ pjw

uitspraak van 8 maart 2006

Vonnis in de zaak van

[eiser]

wonende te Gameren

eisende partij

sinds 31 augustus 2005 procederend in persoon

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vervoersbedrijf [gedaagde] B.V.

gevestigd te Rossum

gedaagde partij

gemachtigde mr J.H. Silfhout

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

De procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit

- het tussenvonnis van 21 september 2005

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 1 november 2005.

[eiser] is, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet ter comparitie verschenen. [eiser] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om zich na de comparitie uit te laten.

De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

Tussen [gedaagde] als werkgever en [eiser] als werknemer zijn twee arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd totstandgekomen en wel van 12 december 2003 tot 12 juni 2004 en van 12 juni 2004 tot 12 juni 2005. Op de arbeidsovereenkomsten is de CAO voor het taxibedrijf van toepassing. De functie van [eiser] was taxichauffeur tegen een salaris van laatstelijk € 1.489,00 bruto per maand.

Op 21 oktober 2004 is tussen partijen een aanvullende overeenkomst totstandgekomen.

De tekst ervan luidt als volgt:

“De ondergetekenden (………) verklaren hierbij dat de chauffeurspas welke verplicht is voor het uitvoeren van taxi-vervoer, binnen een termijn van maximaal twee maanden vanaf de huidige datum, te weten 21 oktober 2004 , behaald zal worden door de werknemer. De regeling betreffende de kosten van deze chauffeurspas zullen conform bijlage 1 worden verrekend.

Blijft de werknemer in gebreke betreffende het bovenstaande, zal zijn contract per 21 december 2004 worden ontbonden, alsmede zullen de reeds gemaakte kosten voor de chauffeurspas verrekend worden met het laatste salaris.

Als verduidelijking kan vermeld worden dat werknemer gedurende geruime tijd de mogelijkheid heeft gehad om de chauffeurspas in zijn bezit te krijgen. Ondanks schriftelijke herinneringen vanuit het IVW (op 10-02-2004 en op 22-04-2004) en herinneringen in Easy Coach Form heeft werknemer verzaakt om gehoor te geven aan het volgen van de procedure voor het behalen van de chauffeurspas. Dit ondanks het feit dat de chauffeurspas ten tijde van de primaire aanvraag (primaire aanvraag 16-01-2004) geheel kosteloos (lees: vergoed door Vervoersbedrijf [gedaagde] B.V.) aangevraagd kon worden.”

Op 8 december 2004 is [eiser] voor het theorie-examen gezakt. Op 16 december 2004 is [eiser] voor het praktijkexamen gezakt.

Op 16 december ’s avonds is [eiser] verzeild geraakt in een handgemeen, waarna hij bij de politie aangifte heeft gedaan van mishandeling door de ander. Op 17 december 2004 heeft [eiser] zich ziek gemeld. Daarna heeft hij niet meer voor [gedaagde] gewerkt.

Bij brief van 20 december 2004 heeft [gedaagde] onder meer het volgende aan [eiser] bericht:

“Conform de opgemaakte, en mede door u ondertekende overeenkomst van 21 oktober 2004, waarin is overeengekomen dat u voor 21 december 2004 in het bezit zou zijn van een chauffeurspas, zullen wij uw contract beëindigen.”

Bij brief van 17 januari 2005 heeft de voormalige gemachtigde van [eiser] de nietigheid van het ontslag ingeroepen en meegedeeld dat [eiser] zich beschikbaar hield voor het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden zodra hij weer arbeidsgeschikt zou zijn. Namens [eiser] werd doorbetaling van loon en overige vergoedingen geëist op de gebruikelijke tijdstippen.

De vordering en het verweer

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat sprake is van een nietig ontslag;

2. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

a. het loon vanaf 12 december 2004 tot en met 2 juni 2005 voor zover dit niet kan worden verrekend met een uitkering die [eiser] van het UWV ontvangt;

b. overwerkvergoeding en onregelmatigheidstoeslag voor zover deze niet kan worden verrekend met een uitkering die [eiser] van het UWV ontvangt;

c. de vakantietoeslag tot en met mei 2005;

d. een vergoeding voor opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen in de periode 21 december 2004 tot en met 12 juni 2005 ad € 1.888,48 bruto;

e. vertragingsboete over a., b, c en d op grond van artikel 7:625 BW vanaf 12 juni 2005, althans vanaf de dag diet de kantonrechter redelijk acht;

f. wettelijke rente over a, b, c, d en e op grond van artikel 6:119 BW vanaf 12 juni 2005, althans vanaf de dag die de kantonrechter redelijk acht;

3. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.

[eiser] onderbouwt zijn vordering verkort weergegeven als volgt. Volgens [eiser] is de onduidelijk geformuleerde ontbindende voorwaarde alleen al niet geldig omdat daarmee het gesloten stelsel van het ontslagrecht wordt doorbroken. Daarbij komt dat het hier gaat om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd waarin de mogelijkheid van tussentijdse opzegging nadrukkelijk is uitgesloten. De voorwaarde is niet objectief. Volgens [eiser] kon hij, ondanks het ontbreken van de taxipas gewoon blijven werken en kon hij de pas binnen afzienbare tijd alsnog halen. [eiser] was zich niet bewust van de mogelijke gevolgen die ondertekening van de nadere overeenkomst voor hem zou kunnen hebben, bijvoorbeeld voor zijn recht op een sociale uitkering. Hij is door [gedaagde] ook niet gewezen op die mogelijke consequenties.

[gedaagde] voert verweer. Dit verweer wordt hierna zonodig besproken.

De beoordeling

[gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat [eiser] vanaf de aanvang van de eerste arbeidsovereenkomst op de hoogte was van het vereiste van het verkrijgen van een taxipas en dat het volstrekt redelijk was om nadere afspraken te maken met [eiser], zoals is neergelegd in de nadere overeenkomst van partijen van 21 oktober 2004. [gedaagde] heeft eveneens onweersproken gesteld dat zij er niet van op de hoogte was dat [eiser] bij het aangaan van de tweede arbeidsovereenkomst de chauffeurspas nog niet in zijn bezit had en dat [eiser] suggereerde dat dat wel zo was. Ten slotte heeft [gedaagde] onweersproken gesteld dat [eiser] zijn functie van taxichauffeur niet kan verrichten zolang hij niet in het bezit is van een taxidiploma en dat [gedaagde] er niet voor kan zorgen dat [eiser] wel in het bezit komt van een chauffeurspas.

Naar het oordeel van de kantonrechter is er daarom sprake van een rechtsgeldige ontbindende voorwaarde, voor zover daar al sprake van is. Er is echter veeleer sprake van een, gelet op de omstandigheden van het geval, in beginsel ook rechtsgeldige voorwaardelijke beëindigingsovereenkomst. Vast staat echter dat [gedaagde] [eiser] niet heeft gewezen op de consequenties die het aangaan van deze beëindigsovereenkomst zou kunnen hebben voor bijvoorbeeld het recht van [eiser] op een WW-uitkering. Dit betekent dat [gedaagde] er niet op mocht vertrouwen dat de verklaring van [eiser] door middel van zijn handtekening onder de voorgestelde overeenkomst een uiting was van zijn werkelijke wil. Daarom kan [gedaagde] [eiser] niet houden aan de voorwaardelijke beëindigingsovereenkomst, zodat de arbeidovereenkomst ook na 21 december 2004 is blijven bestaan.

In wezen heeft [gedaagde] zich tevens op het standpunt gesteld dat [eiser], ook als de arbeidsovereenkomst na 21 december 2004 nog in stand is gebleven, geen recht heeft op betaling van loon omdat [eiser] door eigen toedoen niet voldeed aan de voorwaarden om nog als taxichauffeur te mogen werken. Dit standpunt van [gedaagde] treft naar het oordeel van de kantonrechter op zich genomen wel doel, maar leidt er toch niet toe dat [gedaagde] wordt bevrijd van iedere betalingsverplichting ten opzichte van [eiser]. De reden daarvoor is dat [eiser] zich op 17 december 2004 ziek heeft gemeld en volgens zijn stellingen onafgebroken artbeidsongeschikt is geweest tot het contractuele einde van de arbeidsovereenkomst op 12 juni 2005. De kantonrechter gaat er vanuit dat deze stelling juist is, omdat [gedaagde] die stelling niet gemotiveerd heeft weersproken, bijvoorbeeld door middel van het overleggen van een verklaring van haar arbo-arts.

De conclusie is dat [gedaagde] ook na 21 december 2004 verplicht is om aan [eiser] loon te betalen. Uit de CAO leidt de kantonrechter af dat [eiser] gedurende 10 weken van arbeidsongeschiktheid recht heeft op volledige betaling van het laatstverdiende loon en daarna op 70% daarvan. [eiser] heeft gesteld dat op het door [gedaagde] nog te betalen loon de door hem ontvangen uitkering op basis van de Ziektewet in mindering kan strekken. [eiser] is verzocht om zich na de comparitie, waar hij niet is verschenen, uit te laten over zijn uitkeringspositie gedurende de periode van 21 december 2004 tot 12 juni 2005. [eiser] heeft dat niet gedaan. De kantonrechter moet zijn oordeel daarom baseren op de stukken die zich al in het dossier bevonden. Uit de daarin door [eiser] geponeerde stellingen maakt de kantonrechter op dat de Ziektewetuitkering die [eiser] ontving eveneens 70% bedroeg van het conform de CAO berekende laatstverdiende loon. Dit leidt tot de conclusie dat [gedaagde] aan [eiser] alleen over de eerste tien weken van diens arbeidsongeschiktheid nog 30% van het laatstverdiende loon van [eiser] op basis van de CAO moet betalen.

[eiser] heeft onweersproken gesteld dat UWV geen vakantietoeslag betaalt als de arbeidsovereenkomst van partijen nog bestaat. Dit brengt mee dat [eiser] terecht aanspraak maakt op betaling van 8% vakantietoeslag berekend over zijn laatstverdiende loon op basis van de CAO gedurende de eerste 10 weken na 21 december 2004 en over 70% daarvan over de periode daarna tot 12 juni 2005.

[eiser] heeft onweersproken gesteld dat hij recht heeft op een vergoeding voor 176 niet-genoten vakantie-uren als de arbeidsovereenkomst van partijen voortduurde tot 12 juni 2005. [gedaagde] heeft gemotiveerd en ook onweersproken gesteld dat het bruto uurloon van [eiser] € 8,59 bedraagt en geen € 10,73 zoals aanvankelijk door [eiser] gesteld. Dit deel van de vordering wijst de kantonrechter daarom toe tot het bedrag van € 1.511,84 bruto.

De kantonrechter leest in de stellingen van [gedaagde] tevens een verweer tegen de vordering terzake van de wettelijk verhoging. De kantonrechter acht termen aanwezig om dit deel van de vordering te matigen tot nihil, gezien het debat van partijen over de verschuldigdheid van loon en het feit dat ook wettelijk rente is gevorderd. De vordering terzake van wettelijke rente wordt toegewezen, zoals hierna is vermeld.

Partijen worden beide voor een deel in het ongelijk gesteld en moeten daarom hun eigen kosten dragen.

De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt Vervoersbedrijf [gedaagde] B.V. om aan [eiser] over de periode van 10 weken na 21 december 2004 30% van het laatstverdiende brutoloon van [eiser] op basis van CAO te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 juni 2005 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt Vervoersbedrijf [gedaagde] B.V. om aan [eiser] 8% vakantietoeslag te betalen, berekend over het volle laatstverdiende loon van [eiser] op basis van de CAO over de eerste 10 weken na 21 december 2004 en berekend over 70% daarvan over de periode daarna tot 12 juni 2005, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag aan vakantietoeslag vanaf 12 juni 2005 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt Vervoersbedrijf [gedaagde] B.V. om aan [eiser] te betalen het bedrag van € 1.511,84 bruto terzake van niet-genoten vakantiedagen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 12 juni 2005 tot de dag van volledige betaling;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. P.J. Wiegman en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2006.