Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AV3335

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-01-2006
Datum publicatie
03-03-2006
Zaaknummer
129743
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ohra voert aan dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering van gedaagde vernietigbaar is op grond van artikel 3 van de polisvoorwaarden en art. 251 Wetboek van koophandel omdat gedaagde Ohra in de door hem ingevulde formulieren en op Ohra's vragen gegeven antwoorden een aantal onjuiste gegevens heeft verschaft en relevante informatie heeft verzwegen. Bij ware kennis zou Ohra, zo betoogt zij, de arbeidsongeschiktheidsverzekering met gedaagde niet, althans onder andere voorwaarden, zijn aangegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 129743 / HA ZA 05-1373

Vonnis van 11 januari 2006

in de zaak van

de naamloze vennootschap

OHRA ZIEKTEKOSTENVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr.F.M. Van Sloun te Arnhem,

tegen

[gedaagde in conventie],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. R.J. Ruiter te Gulpen.

Partijen zullen hierna Ohra en [gedaagde in conventie] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 28 september 2005 en het proces-verbaal van comparitie van 21 december 2005, waarop een conclusie van antwoord in reconventie en een akte vermindering van eis in conventie zijn genomen door Ohra. Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[gedaagde in conventie] is thans werkzaam als zelfstandig ondernemer. Hij houdt zich bezig met schoonmaak en met distributie van schoonmaakartikelen. De bedrijven waarin hij zijn activiteiten heeft uitgeoefend en uitoefent dragen vanaf 1992 steeds een naam waarin de letters TCH (voor: Truck Cleaning Holland) voorkomen. Hierbij is sprake geweest van twee eenmanszaken, een vennootschap onder firma met achtereenvolgens zijn echtgenote en een zekere [betrokkene] als medevennoot, en een Belgische BVBA, die in 1999 gefailleerd is. Van deze vennootschap was [gedaagde in conventie] directeur op het moment van het faillissement.

In december 2002 heeft [gedaagde in conventie] een aanvraag ingediend voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij NV Rijnmond Verzekeringsmaatschappij (hierna: Rijnmond).

In het kader van die aanvraag is een geneeskundig onderzoek verricht door een arts van Meditel B.V.

Op het formulier voor geneeskundig onderzoek van Rijnmond heeft [gedaagde in conventie] op 8 februari 2003 vraag 9 (‘Wanneer hebt u voor het laatst een arts geraadpleegd? Waarvoor?’) beantwoord met ‘1992’ en ‘controle’.

Hij heeft de volgende vragen met ‘nee’ beantwoord:

2. Hebt u of heeft u ooit gehad: (...) c. ziekten van hart of bloedvaten, beklemming of pijn op de borst?

11. Bent u wel eens bij een specialist, fysiotherapeut, psycholoog, psychotherapeut, consultatiebureau, hulpverleningsbureau of beoefenaar van een alternatieve geneeswijze (...) geweest (...)?

De slotzin van deze verklaring, boven de ondertekening, luidt:

Ik, ondergetekende, verklaar, dat de antwoorden op de gestelde vragen door mij zijn gegeven en naar waarheid en volledig zijn vermeld. Ik ben mij er van bewust dat verzwijging van gegevens of onjuiste of onvolledige opgave de maatschappij van haar verplichtingen kan ontslaan.

Rijnmond adviseerde [gedaagde in conventie] met zijn huisarts na te gaan of nader onderzoek wenselijk was in verband met zijn hoge glucosegehalte. Omdat hij tussen Rijnmond en zijn huisarts een langere discussie voorzag heeft [gedaagde in conventie] vervolgens contact opgenomen met Ohra.

Op 24 maart 2003 heeft [gedaagde in conventie] het Aanvraagformulier Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen van Ohra ingevuld en ondertekend. Daarbij heeft hij

- op de vraag ‘Sinds welke datum werkt u als zelfstandig ondernemer?’ ‘05-01-1992’ geantwoord,

- op de vraag ‘Werk(t)(en) uw partner en/of kinderen mee in het bedrijf?’ ‘Nee’

- en op de vraag ‘Heeft u de afgelopen 5 jaar betalingsproblemen gehad die zouden kunnen leiden tot faillissement, surseance of schuldsanering?’ ‘Nee’, waarbij hij het alternatief ‘Ja, wanneer?’ niet heeft aangekruist.

De volgende vragen op de bijbehorende Gezondheidsverklaring heeft [gedaagde in conventie] op 1 april 2003 met ‘nee’ beantwoord.

3. Lijdt of heeft u geleden aan:

a. Hart- en/of vaatziekten; bijvoorbeeld hartkloppingen, beklemming of pijn op de borst of in de hartstreek, beroerte, trombose, spataderen, open been of een te hoge bloeddruk

c. Psychische aandoeningen; bijvoorbeeld overspanning, depressie, burn-out, hyperventilatie

4. Behandelingen

e. Bent u ooit behandeld door een psycholoog of psychotherapeut?

6 Overig

o.Heeft u weleens specialisten geraadpleegd?

Artikel 8 van de door [gedaagde in conventie] ondertekende Gezondheidsverklaring luidt:

Verzekerde verklaart dat alle vragen naar waarheid en volledig zijn beantwoord en dat niets is verzwegen dat voor OHRA bij de beoordeling van de aanvraag van deze verzekering van belang kan zijn. Het is de verzekerde bekend, dat een onjuiste en/of onvolledige beantwoording, dan wel verzwijging, tot nietigverklaring van de verzekering kan leiden en dientengevolge elk recht op uitkering kan doen vervallen (...).

Op 31 maart 2003 schrijft Ohra aan [gedaagde in conventie]:

Helaas heeft u nog niet alle vragen van het aanvraagformulier voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering beantwoord (...).

Wilt u ons uw bedrijfsplan toesturen, waaruit de prognose van de winst voor belasting uit de onderneming in 2003 blijkt? Als u niet in het bezit bent van een bedrijfsplan, verzoeken wij u een prognose te geven en aan te geven op basis van welke gegevens u tot deze prognose bent gekomen.

[gedaagde in conventie] heeft hierop geantwoord: ‘bedrijf bestaat sinds 1992’. Op een herhaalde vraag van Ohra antwoordt hij bij e-mail van 15 april 2003 onder meer: ‘Mijn prognoses van de winst zullen tussen de 50.000 en 55.000 euro voor 2003 uitkomen.’

In de hiervoor bedoelde, door hem ingevulde stukken is door [gedaagde in conventie] steeds [adres] te [woonplaats] als adres vermeld. Het vermelde adres is dat van zijn moeder. De echtgenote van [gedaagde in conventie] woonde in de relevante periode in België, in [woonplaats]. Hij zelf is door de gemeente [woonplaats] per 21 januari 2003 uitgeschreven van het adres in [woonplaats] als vertrokken naar de Verenigde Staten van Amerika. Sedertdien is hij niet opnieuw in [woonplaats] (gemeente [woonplaats]) ingeschreven.

Op grond van het aanvraagformulier, de gezondheidsverklaring en de door [gedaagde in conventie] aan Ohra verstrekte resultaten van het geneeskundig onderzoek door Rijnmond/ Meditel is met ingang van 8 mei 2003 ten behoeve van [gedaagde in conventie] bij Ohra een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten. Artikel 3 van de desbetreffende polisvoorwaarden luidt onder meer:

De door (...) de verzekeringnemer en de verzekerde aan OHRA verstrekte opgaven en gedane verklaringen, onder meer in aanvraagformulier, gezondheidsverklaring(en) en keuringsrapport(en) vormen de grondslag van deze verzekeringsovereenkomst en worden geacht daarmee één geheel uit te maken. Als voornoemde opgaven en verklaringen in enig opzicht verkeerd of onwaarachtig blijken te zijn, alsmede in geval van verzwijging van omstandigheden, die de verzekeringnemer of de verzekerde bekend zijn, als bedoeld in de ter zake doende wettelijke bepalingen, heeft OHRA het recht zich op vernietigbaarheid van de overeenkomst te beroepen.

Op 28 mei 2003 heeft [gedaagde in conventie] zich telefonisch bij Ohra arbeidsongeschikt gemeld wegens psychische klachten.

Na die ziekmelding heeft Ohra, met machtiging van [gedaagde in conventie], onderzoek verricht naar zijn medisch verleden en is zij op de hoogte gekomen van:

- een consult van [gedaagde in conventie] bij de Eerste Hart Hulp op 2 januari 2001 in verband met pijn op de borst,

- een bezoek van [gedaagde in conventie] in maart 2001 aan de polikliniek Psychiatrie van het Academisch Ziekenhuis Maastricht.

Ohra ontving in verband met dit bezoek de volgende brief van 28 januari 2004 van psychiater dr. A. [betrokkene 2].

Bovengenoemde patiënt zagen wij op 01.03.2001 op onze polikliniek Psychiatrie. Patiënt was door ons uitgenodigd, nadat hij naar aanleiding van een bezoek aan de Eerste Hart Hulp op 02.01.2001 in het kader van de studie “paniekstoornis en pijn op de borst” de Hospital Anxiety and Depression Scale (HADS) had ingevuld. Hierbij scoorde hij boven de door ons gestelde cut-off waarden en derhalve werd hij uitgenodigd voor een gevolggesprek.(...)

Patiënt vertelde sinds 2 jaar pijn op de borst klachten te hebben. De aanvallen zouden zijn versterkt na een val van de fiets in juni 2000. Op de dag van het Eerste Hart Hulp bezoek had patiënt de avond tevoren een aanval van pijn op de borst gehad. Hij is de volgende dag naar de Eerste Hart Hulp gegaan om daar naar eigen zeggen uitleg te krijgen over de mogelijke oorzaak (...).

Op 21 oktober 2003 heeft psychiater-psychotherapeut [betrokkene 3] Ohra geschreven:

Bij patiënt ([gedaagde in conventie], de rechtbank) is sprake van een combinatie van de depressieve stoornis en een paniekstoornis met agorafobie, eenmalige episode. Patiënt heeft deze klachten nooit eerder gehad. (...) E.e.a. is geluxeerd door een aantal life-events, die binnen een relatief korte periode plaatsvonden: acuut overlijden van zijn vader, een miskraam van zijn echtgenote, een zware hartoperatie bij zijn moeder, 2 inbraken, conflicten met de Nederlandse staat over contracten.

Bij brief van 8 maart 2004 aan [gedaagde in conventie] heeft Ohra de arbeidsongeschikt-heidsverzekering met terugwerkende kracht vanaf 8 mei 2003 beëindigd vanwege onjuiste dan wel onvolledige invulling van het aanvraagformulier en verzwijging door [gedaagde in conventie]. Ohra heeft de desbetreffende premies gerestitueerd.

Zij heeft in haar brief van 8 maart 2004 [gedaagde in conventie] verzocht de reeds aan hem verrichte betalingen van in totaal EUR 36.164,41 aan haar terug te storten.

Vanaf 1 maart 2004 ontvangt [gedaagde in conventie] geen uitkering meer.

Het geschil in conventie

Ohra vordert

- een verklaring voor recht dat de verzekeringsovereenkomst Arbeidsongeschiktheids-verzekering Basis met polisnummer 5640466-415-1 vernietigd is, althans dat deze nietig is,

- veroordeling van [gedaagde in conventie] om aan Ohra EUR 36.164,41 te betalen met rente vanaf 22 maart 2004 althans vanaf 22 juli 2005,

- veroordeling van [gedaagde in conventie] tot betaling van buitengerechtelijke kosten ad EUR 267,75 en, na vermindering van eis, expertisekosten ad EUR 999,60,

- veroordeling van [gedaagde in conventie] in de kosten van de procedure.

Ohra voert aan dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering van [gedaagde in conventie] vernietigbaar is op grond van art. 3 van de polisvoorwaarden en art. 251 Wetboek van Koophandel omdat [gedaagde in conventie] Ohra in de door hem ingevulde formulieren en op Ohra’s vragen gegeven antwoorden een aantal onjuiste gegevens heeft verschaft en relevante informatie heeft verzwegen. Bij ware kennis van zaken zou Ohra, zo betoogt zij, de arbeidsongeschiktheidsverzekering met [gedaagde in conventie] niet, althans onder andere voorwaarden zijn aangegaan.

[gedaagde in conventie] voert gemotiveerd verweer. Op de onderdelen van beider betogen zal de rechtbank hierna, voor zover nodig ingaan.

Het geschil in reconventie

[gedaagde in conventie] vordert veroordeling van Ohra tot hervatting van de betaling van de uitkeringen aan [gedaagde in conventie] vanaf 1 maart 2004 tot 1 januari 2006, althans tot een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum en vanaf die datum steeds zolang [gedaagde in conventie] krachtens de polisvoorwaarden recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ohra voert gemotiveerd verweer, waarbij zij aansluit op het door haar in conventie gestelde.

De beoordeling

in conventie

De feiten en omstandigheden die Ohra ten grondslag legt aan haar vordering betreffen het adres van [gedaagde in conventie], zijn bedrijf en zijn gezondheid. De rechtbank zal deze onderwerpen achtereenvolgens behandelen.

[gedaagde in conventie]s adres

[gedaagde in conventie] heeft als woonplaats steeds het hierboven genoemde adres in [woonplaats] opgegeven (2.10). Inmiddels staat vast dat zijn moeder daar in de relevante periode woonde, dat zijn echtgenote in de relevante periode in [woonplaats] woonde en dat hij zelf vóór de totstandkoming van de verzekering was uitgeschreven van het adres in [woonplaats]. Ter comparitie heeft [gedaagde in conventie] op de vraag of het adres in [woonplaats] zijn verblijfadres was, ontwijkend geantwoord. Wel heeft hij verklaard dat hij en zijn vrouw niet steeds samenwoonden en ook heeft hij verklaard: “Ik sprak er thuis over (over het mountainbike-ongeval, de rechtbank). Dat was in [woonplaats].”

Een en ander overziend is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde in conventie]s antwoorden op de vraag naar zijn adres steeds onjuist waren. Hij had op zijn minst diverse verblijfadressen – waarbij de rechtbank in het midden laat of het adres van zijn moeder daar één van was – en had behoren te begrijpen dat de verzekeraar niet alleen een postbusadres, maar feitelijke informatie over hem zelf vroeg.

Het bedrijf van [gedaagde in conventie]

Uit de onder 2.1, 2.5 en 2.9 weergegeven feiten volgt dat de verklaring van [gedaagde in conventie] dat zijn bedrijf sinds 1992 bestond en dat zijn partner er niet in meewerkte onjuist is. Er is wellicht – dit is niet onderbouwd door [gedaagde in conventie] en blijkt niet uit de stukken – sprake van steeds hetzelfde bedrijfsdoel, maar het bedrijf is uitgeoefend in respectievelijk de vorm van een eenmanszaak, een of twee vennootschap(pen) onder firma, wederom een eenmanszaak en gedurende enige tijd ook een BVBA. Zijn vrouw heeft op zijn minst in een van de vennootschappen onder firma meegewerkt.

Onjuist is ook het antwoord van [gedaagde in conventie] op de vraag ‘Heeft u de afgelopen 5 jaar betalingsproblemen gehad die zouden kunnen leiden tot faillissement, surseance of schuldsanering?’ (2.5). De BVBA was immers in 1999 failliet verklaard. Mocht de vraag zo gelezen zijn dat er niet naar een reëel faillissement, maar naar de niet gerealiseerde dreiging daarvan werd geïnformeerd (‘zouden kunnen leiden’), dan had de vervolgvraag ‘ja, wanneer?’ hetzij duidelijk moeten maken dat er ook naar reële faillissementen werd gevraagd, hetzij voor [gedaagde in conventie] aanleiding moeten vormen naar de bedoeling van de vraag te informeren. Ter comparitie heeft hij het standpunt van Ohra dat hij het faillissement had moeten vermelden, niet weersproken.

[gedaagde in conventie]s gezondheid

Vast staat dat [gedaagde in conventie] aan het onder 2.14 bedoelde onderzoek alleen heeft deelgenomen op uitnodiging van het ziekenhuis waar hij eerder geweest was. Dat onderzoek, waartoe een gesprek met een (assistent-)psychiater behoord heeft, laat de rechtbank vooralsnog rusten.

[gedaagde in conventie] heeft niet weersproken dat hij ‘met een beklemd gevoel op de borst’ naar het ziekenhuis is geweest in 2001 (2.13). Ter comparitie heeft [gedaagde in conventie] verklaard dat dit gebeurde op aandringen van zijn vrouw, zo sterk aandringen dat het door zijn advocaat, zonder dat [gedaagde in conventie] dit bestreed, ‘hysterisch’ werd genoemd. Bij de onder 2.3 en 2.6 bedoelde vragen heeft hij desondanks een ontkennend antwoord genoteerd. Gelet op de spanning die het ‘hysterische’ aandringen van zijn vrouw zal hebben opgeleverd, de aard van het verschijnsel, dat volgens [gedaagde in conventie] zelf volgde op een ernstig ongeluk, en de terugkerende woorden ‘beklemming op de borst’ acht de rechtbank [gedaagde in conventie]s verklaring dat hij zich deze gebeurtenis niet herinnerde tijdens het invullen van de vragenlijsten in hoge mate onaannemelijk.

Iets anders is dat gelet op de aard van de klacht, de slotzin van de onder 2.3 bedoelde verklaring en art. 8 van de Gezondheidsverklaring (2.7) in redelijkheid van [gedaagde in conventie] verwacht mocht worden dat hij aan deze klacht, die ongeacht de later gestelde diagnose, naar algemeen bekend is, een ernstige materie kan betreffen, wél aandacht had besteed in het vragenformulier. Het is, anders dan [gedaagde in conventie] stelt, niet zomaar een klacht geweest waarvoor geldt dat niet elk wissewasje in het formulier vermeld behoefde te worden.

Van belang is dat op de vragen onjuiste antwoorden zijn gegeven. Of [gedaagde in conventie] bewust of onbewust het ziekteverschijnsel verzwegen heeft, is niet van belang omdat Ohra haar standpunt over de premierestitutie al heeft bepaald en heeft gerestitueerd.

Algemeen

Het door [gedaagde in conventie] opgegeven woonadres klopt niet (5.2). Dit betekent dat een elementair deel van zijn leefomstandigheden, die voor het inschatten van het risico dat een zelfstandig ondernemer loopt, van evident belang zijn, voor Ohra verborgen zijn gebleven.

Hetzelfde geldt bij de onduidelijkheid over [gedaagde in conventie]s bedrijf (5.3). Dat dit vanaf 1992 de letters TCH in zijn naam draagt, zegt niets over de activiteiten of de identiteit van het bedrijf die tot op de dag van de comparitie vaag zijn gebleven, zij het dat inmiddels vaststaat dat er sprake is geweest van (ten minste) vier verschillende vormen van bedrijfsvoering.

Ten aanzien van de TCH-bedrijven heeft [gedaagde in conventie] bovendien, zo is ter comparitie gebleken, ten onrechte onvermeld gelaten (5.4) dat de Belgische vennootschap failliet verklaard is.

Ten onrechte heeft [gedaagde in conventie] het doen voorkomen alsof hij al van vóór 1992 (2.3) geen gezondheidsklachten heeft gekend en nagelaten te vermelden dat hij zich in 2001 met een beklemd gevoel op de borst bij een ziekenhuis heeft gemeld.

Ten aanzien van dit alles geldt dat het [gedaagde in conventie] bij het invullen en ondertekenen van de diverse stukken duidelijk geweest moet zijn – hij bestrijdt dit alleen ten aanzien van de gezondheidsklachten, welk betoog onder 5.6 is verworpen – dat hij zijn informatie naar waarheid moest verschaffen. Nu dit niet is gebeurd, doet zich de situatie voor waarin krachtens art. 3 van de polisvoorwaarden en art. 251 Wetboek van Koophandel vernietigbaarheid van de arbeidsongeschiktheidsverzekering aan de orde is. Op deze vernietigbaarheid heeft Ohra zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen beroepen omdat het voor haar essentiële gegevens betreft terwijl het bovendien niet om één gegeven of informatie over één onderwerp gaat, maar sprake is van een samenhangend geheel van onjuiste informatie dat het Ohra vrijwel onmogelijk maakte haar risico in te schatten.

Gelet op het voorgaande onderschrijft de rechtbank het standpunt van Ohra dat [gedaagde in conventie] in de door hem ingevulde formulieren en op Ohra’s vragen gegeven antwoorden in zo grote mate onjuiste gegevens heeft verschaft en relevante informatie heeft verzwegen dat geconcludeerd moet worden dat een redelijk handelende verzekeraar bij ware kennis van zaken de arbeidsongeschiktheidsverzekering met [gedaagde in conventie] niet of onder andere voorwaarden zou zijn aangegaan, en dat zij dus tot vernietiging over kon gaan. Dit betekent dat de vordering in conventie voor wat betreft de verklaring voor recht en de hoofdsom, bestaande uit het bedrag van de gedane uitkeringen en het bedrag van de expertisekosten, voor toewijzing gereed ligt.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. Ohra heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

[gedaagde in conventie] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Ohra worden begroot op:

- dagvaarding EUR 100,00

- vast recht 845,00

- salaris procureur 1.158,00 (2,0 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 2.103,00

in reconventie

De rechtbank neemt over wat zij in conventie onder ( ) overwogen heeft. Dit betekent dat de reconventionele vordering moet worden afgewezen.

[gedaagde in conventie] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Ohra worden begroot op:

- salaris procureur EUR 579,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 579,00

De beslissing

De rechtbank

in conventie

verklaart voor recht dat de verzekeringsovereenkomst Arbeidsongeschiktheids-verzekering Basis met polisnummer 5640466-415-1 vernietigd is,

veroordeelt [gedaagde in conventie] om aan Ohra te betalen een bedrag van EUR 37.164,01 (zevenendertig duizend honderd vierenzestig euro en een eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het bedrag van EUR 36.164,41 vanaf 22 maart 2004 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde in conventie] in de proceskosten, aan de zijde van Ohra tot op heden begroot op EUR 2.103,00,

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [gedaagde in conventie] in de proceskosten, aan de zijde van Ohra tot op heden begroot op EUR 579,00,

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2006.