Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AV3312

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-01-2006
Datum publicatie
03-03-2006
Zaaknummer
122232
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling beeindiging veehouderijtakken van 17 maart 2000, Stcrt. 2000,55.

Wet herstructurering varkenshouderij, Stb. 1998, 236.

Waar het hier om gaat is of gedaagde sub 1 wist of had moeten weten dat eisers problemen bij de vaststelling van de subsidie wegens beeindiging van de varkenstak zou krijgen, als zij vóór die vaststelling haar grond zou vervreemden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 122232 / HA ZA 05-36

Vonnis van 4 januari 2006

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 1],

gevestigd te Olst, gemeente Olst-Wijhe,

2. [eiser sub 2],

wonende te Taber, Canada

eisers,

procureur mr. W.D. Huizinga,

advocaat mr. J.W. Both te Kampen,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te Nijkerk,

2. de maatschap

[gedaagde sub 2],

gevestigd te Nijkerk,

gedaagden,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. H.J. Delhaas te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] c.s. en [gedaagde] c.s. genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 31 augustus 2005

- de akte van [eiser] c.s.

- de antwoordakte van [gedaagde] c.s..

Ten slotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling

De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 31 augustus 2005 partijen uitgenodigd te reageren op de voorlopige oordelen in r.ovv. 4.13 en 4.18 die als volgt luiden (RBV staat voor Regeling beëindiging veehouderijtakken van 17 maart 2000, Stcrt. 2000, 55, p. 16, Whv staat voor Wet herstructurering varkenshouderij, Stb. 1998, 236):

“4.13 Kennelijk stelt Laser in haar besluit van 6 september 2002 als voorwaarde voor vaststelling van de subsidie dat [eiser] ten tijde van het besluit grond pachtte, waarop het varkensrecht kon worden benut. Daaruit zou men kunnen afleiden dat in de praktijk de eis werd gesteld dat het uitoefenen van een bedrijf of het bezitten van landbouwgrond voorwaarde voor het bestaan van het varkensrecht was. Een dergelijke voorwaarde mist echter goede zin vanaf het moment dat de rechthebbende zijn varkensrecht ter opkoop heeft aangeboden aan de Staat. Er bestaat dan immers geen bezwaar tegen dat de aanvrager vooruitlopend op de verlening en vaststelling van de subsidie zijn landbouwgrond of bedrijf - uitgezonderd het varkensrecht - overdraagt aan een derde, vooral niet als de varkenstak feitelijk al is beëindigd, een situatie die kennelijk niet uitzonderlijk was. Een dergelijke voorwaarde is niet te vinden in de toelichtende stukken op de RBV. In ieder geval behoefde een notaris als [gedaagde] niet bedacht te zijn op een dergelijke voorwaarde en kan daarom niet worden gezegd dat hij niet is opgetreden als een redelijk bekwaam en redelijk handelend notaris door te hebben nagelaten een pacht- of andere constructie zoals door [eiser] c.s. geschetst te hebben geadviseerd.

(...)

4.18 Deze gedachtegang strijdt niet alleen met de strekking van de Whv die zonder twijfel meebrengt dat een dergelijke transactie, waarin het economisch belang bij het varkensrecht feitelijk naar een ander overgaat, zou moeten worden afgeroomd, maar ook met de art. 18 en 20 Whv (oud). Zij miskent immers dat het begrip “bedrijf” in art. 1 sub c Whv is gedefinieerd als een geografisch begrip: “geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van de landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden”. Ook al zou een koper geïnteresseerd zijn in verwerving van de aandelen, dan nog zou de koper de varkensrechten moeten verplaatsen naar een andere locatie, naar een ander “bedrijf”. [betrokkene] had immers de landbouwgrond van [eiser] in eigendom gekregen. Bovendien had [betrokkene] geen belangstelling voor verwerving van de aandelen in [eiser]. Verplaatsing van het varkensrecht naar een ander bedrijf zou vallen binnen de reikwijdte van art. 18 Whv (oud) en het varkensrecht zou dus op grond van lid 3 van dat artikel zijn afgeroomd met 60%.”

Beide partijen hebben bij akte op deze voorlopige oordelen gereageerd.

[eiser] c.s. hebben, zakelijk weergegeven, naar aanleiding van r.ov. 4.13 van het tussenvonnis gesteld dat Laser en het Bureau Heffingen (thans gefuseerd tot de Dienst Regelingen) destijds in de praktijk de eis stelde dat de varkenshouder ten tijde van vaststelling van de subsidie op grond van de RBV wegens beëindiging van de varkenstak nog diende te beschikken over grond, waarop het varkensrecht kon worden benut. Zij hebben bewijs van deze stellingen aangeboden door het horen van medewerkers van het Ministerie van Landbouw, natuur en voedselkwaliteit - hierna: het Ministerie - waaronder die van de Dienst Regelingen. Volgens [eiser] c.s. wist [gedaagde] dit of had hij dat moeten weten.

Waar het hier om gaat of [gedaagde] wist of had moeten weten dat [eiser] problemen bij de vaststelling van de subsidie wegens beëindiging van de varkenstak zou krijgen, als zij vóór die vaststelling haar grond zou vervreemden. [gedaagde] heeft gesteld dat hij niet bekend was met deze eis. In het tussenvonnis is overwogen dat noch de Whv noch de RBV noch de toelichtende stukken bij deze regelingen de eis stellen dat de varkenshouder ten tijde van de vaststelling van de subsidie dient te beschikken over grond, waarop het varkensrecht kan worden benut. Die conclusie hebben [eiser] c.s. niet weersproken. Zij hebben geen publicatie overgelegd, waaruit deze eis zou blijken. De RBV is in maart 2000 in werking getreden, ongeveer twee maanden vóór de levering van de boerderij van [eiser] c.s. aan [betrokkene] op 22 mei 2000. Het was dus op het moment van levering een nieuwe regeling. [gedaagde] was niet belast met de overdracht van het varkensrecht: [eiser] c.s. hebben dat uitdrukkelijk buiten de opdracht aan [gedaagde] gehouden.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook al zouden de medewerkers van Laser (en het Bureau Heffingen) vóór en op 22 mei 2000 in de praktijk de niet op een wettelijk voorschrift berustende eis hebben gesteld dat de varkenshouder ten tijde van de vaststelling van de subsidie diende te beschikken over grond, waarop het varkensrecht kon worden benut, [gedaagde] er geen verwijt van kan worden gemaakt dat hij van deze eis niet op de hoogte was. Begeleiding bij de overdracht of aanbieding ter opkoop van het varkensrecht behoorde niet tot zijn opdracht en de bedoelde eis blijkt uit geen enkel geschrift. In zoverre heeft [gedaagde] zijn zorgplicht tegenover [eiser] c.s. niet geschonden. Het bewijsaanbod wordt als niet ter zake dienend gepasseerd.

De rechtbank heeft in r.ov. 4.18 in twijfel getrokken dat [eiser] haar varkensrecht in 2000 op de vrije markt zonder afroming met 60% zou kunnen verkopen: het varkensrecht zou immers moeten worden verplaatst naar een andere locatie, een ander bedrijf in de zin van art. 1 sub c Whv, zodat op grond van art. 18 lid 3 Whv (oud) afroming zou plaatsvinden.

[eiser] c.s. hebben gesteld dat in de praktijk een constructie werd toegepast, waarin de aandelen van de besloten vennootschap die rechthebbende op het varkensrecht was, werden overgedragen aan een derde en de derde vervolgens een kale schuur zonder mestrechten huurde of tijdelijk pachtte op een andere locatie dan de oude locatie, of - als de rechtbank het goed begrijpt - juist op dezelfde locatie. Zij stellen dat [betrokkene] bereid zou zijn geweest om mee te werken aan een dergelijke huur- of pachtconstructie. Zij bieden bewijs aan van de stelling dat de medewerkers van Laser en het Bureau Heffingen een dergelijke constructie zouden accepteren en de overdracht niet zouden belasten met een afroming. Zij hebben echter geen geschriften in het geding gebracht, waaruit een dergelijke fiattering door Laser of het Bureau Heffingen zou blijken en ook geen verklaringen van medewerkers van deze organisaties, waaruit een en ander zou blijken.

Als de rechtbank [eiser] c.s. goed begrijpt - hun stellingen zijn op dit punt niet duidelijk - gaat het in de kern om een constructie waarin na aandelenoverdracht de varkens feitelijk op een andere locatie worden gehouden, maar de besloten vennootschap de oude locatie huurt of tijdelijk pacht, zonder dat op die oude locatie varkens worden gehouden. Dat laatste zou in dit geval ook niet kunnen, omdat [betrokkene] op de oude locatie een vleeskalverhouderij uitoefende. Een dergelijke constructie zou voor Laser en het Bureau heffingen destijds acceptabel zijn geweest en niet hebben geleid tot afroming van het varkensrecht, zo stellen [eiser] c.s.. Medewerkers van - inmiddels - de Dienst Regelingen zouden dat onder ede willen bevestigen.

Als de medewerkers van de Dienst Regelingen aan een dergelijke constructie zouden hebben willen meewerken, zou dat lijnrecht in strijd zijn geweest met de dwingende bepaling in art. 18 lid 3 Whv (oud). Feitelijk werd het houden van de varkens immers verplaatst van de oude locatie naar de nieuwe locatie. Op grond van art. 18 lid 3 Whv (oud) moest een dergelijke transactie met 60% worden afgeroomd. Als [gedaagde] daarom door een onjuiste mededeling over de mogelijkheid van intrekking van de subsidieaanvraag [eiser] zou hebben getroffen in het belang om geldelijk gewin te behalen bij uitvoering van deze constructie, is [eiser] niet in een rechtmatig belang getroffen. De daaruit voortvloeiende schade zou niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betekent dat het bewijsaanbod tot het horen van de medewerkers van de Dienst Regelingen als niet terzake dienend zal worden gepasseerd. De rechtbank blijft bij haar conclusie dat ook het horen van getuigen over de vraag of [gedaagde] al dan niet heeft gezegd dat de subsidieaanvraag na eigendomsoverdracht van het veehouderijbedrijf niet meer zou kunnen worden ingetrokken, niet nodig is. Ook al zou komen vast te staan dat [gedaagde] die foutieve informatie zou hebben gegeven, dan nog heeft dat niet tot schade van [eiser] c.s. geleid.

[eiser] c.s. hebben zich beroepen op art. 18 lid 5 Whv (nieuw). Dit artikellid is pas op 26 januari 2004 in werking getreden, zodat het in deze zaak geen rol speelt.

De conclusie van al het voorgaande is dat de vordering zal worden afgewezen.

[eiser] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] c.s. worden begroot op:

- vast recht EUR 241,00

- salaris procureur 960,00 (2,5 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.201,00

De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [eiser] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] c.s. tot op heden begroot op EUR 1.201,00,

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2006.