Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AV2044

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-01-2006
Datum publicatie
20-02-2006
Zaaknummer
121810
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde vordert in reconventie een verklaring voor recht dat verweerster in reconventie toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen door in 2002 veevoer te verkopen en te leveren dat was esmet met ziekteveroorzakende myotoxinen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 121810 / HA ZA 04-2407

Vonnis van 4 januari 2006

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres in conventie],

gevestigd te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. J.A.M.P. Keijser,

advocaat mr. J. Hendriks te Nijmegen,

tegen

[gedaagde in conventie],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. B. Korvemaker te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna [eiseres in conventie] en [gedaagde in conventie] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit

- het tussenvonnis van 16 maart 2005,

- het proces-verbaal van comparitie van 10 juni 2005,

- een brief van mr Hendriks aan de rechtbank van 8 december 2005,

- de sluiting van de comparitie van partijen,

- de verwijzing naar de rol van 12 december 2005.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[eiseres in conventie] heeft in 2002 veevoeder geleverd aan [gedaagde in conventie], die sinds april 1999 een klant van haar is.

Zij heeft hem ter zake van leveringen op 17 december 2002 een factuur van 24 december 2002 gezonden ten belope van EUR 8.632,82. Deze zou vóór 28 december 2002 door middel van automatische incasso voldaan moeten zijn, maar is niet voldaan.

Van de overeenkomst op grond waarvan de leveringen in 2002 plaats vonden, maken deel uit de Algemene Voorwaarden Diervoederindustrie (ADV). Deze luiden onder meer als volgt.

Artikel 3. a. Indien een contractspartij bezwaar heeft tegen de wijze, waarop de overeenkomst door het lid is uitgevoerd, moet die contractspartij onmiddellijk daarvan bij de levering van het product (...) aan het lid schriftelijk mededeling doen.

b. Indien de gebreken pas later aan het licht komen, moeten de bezwaren binnen 7 dagen daarna schriftelijk aan het lid worden medegedeeld.

c. Indien niet tijdig de bezwaren schriftelijk kenbaar zijn gemaakt, wordt aangenomen dat het lid naar behoren heeft gepresteerd.

Artikel 6. Iedere rechtsvordering tot schadevergoeding uit hoofde van aansprakelijkheid van het lid terzake van gebreken in afgeleverde goederen (...) zal verjaren door verloop van één jaar na het tijdstip van aflevering.

Bij de stukken bevindt zich een brief, gedateerd 11 december 2002, gericht aan Firma P. [eiseres in conventie]. Onder aan deze voorgedrukte brief staan de gegevens van [gedaagde in conventie] ingevuld. In de brief staat onder meer:

U heeft deze zomer op ons bedrijf varkensvoer geleverd wat verontreinigd was met MPA. Een dergelijk voeder was uitdrukkelijk niet door ons besteld. Uw bedrijf heeft onvoldoende maatregelen getroffen om deze calamiteit te voorkomen. Door deze MPA en Toxinen verontreiniging hebben wij schade geleden en zullen wij waarschijnlijk nog meer schade lijden. Hoewel de schade op dit moment nog niet vaststaat, willen wij uw bedrijf, als leverancier van betreffende varkensvoeders en daardoor verantwoordelijk, aansprakelijk stellen.

Deze brief heeft [gedaagde in conventie] verzonden nadat hij telefonisch contact had gehad met [eiseres in conventie] in de zomer van 2002. Daarbij is onder meer aan de orde geweest dat de melkproductie niet op gang kwam en dat de zeugen last hadden van hormonale stoornissen. In de maand juni 2002 is in verband hiermee een stromonster genomen op het bedrijf van [gedaagde in conventie].

Bij brief van 21 juli 2003 heeft DAS Rechtsbijstand [eiseres in conventie] namens [gedaagde in conventie] onder meer het volgende gesteld ten aanzien van schade geleden ten gevolge van de levering van ondeugdelijk voer.

Ter stuiting van de verjaringstermijn zoals opgenomen in artikel 6 van de Algemene Voorwaarden Diervoederindustrie, houd ik namens cliënt uw cliënte nadrukkelijk aansprakelijk voor de door cliënte geleden en nog te lijden schade. Vooralsnog is de schade door cliënt begroot op een bedrag van EUR 12.432,00.

Het geschil in conventie

[eiseres in conventie] vordert veroordeling van [gedaagde in conventie] tot betaling van het openstaande factuurbedrag van EUR 8.632,82, vermeerderd met de wettelijke handelsrente althans de wettelijke rente, alsmede tot betaling van EUR 1.535,10 aan buitengerechtelijke kosten en van de proceskosten.

[gedaagde in conventie] voert gemotiveerd verweer. Hij voert het onder 4.1 hierna bedoelde betoog en beroept zich op verrekening van zijn vordering tot schadevergoeding met het factuurbedrag. Voorts betwist hij onder meer de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten en handelsrente.

Het geschil in reconventie

[gedaagde in conventie] betoogt dat hij vanaf juni 2002 gezondheidsproblemen bespeurde bij zijn opfokzeugen. Omdat hij vermoedde dat het door [eiseres in conventie] geleverde voer hiervan de oorzaak was – [eiseres in conventie] zelf had hem op het MPA-risico gewezen – heeft hij de Gezondheidsdienst voor Dieren het voor zijn varkens gebruikte stro laten onderzoeken. Dit bleek myotoxinen te bevatten. Daarop heeft [eiseres in conventie] Technical Laboratory Rotterdam B.V. ingeschakeld. Ten slotte is onderzoek uitgevoerd door prof. [betrokkene 1]. De conclusie van [gedaagde in conventie] luidt dat [eiseres in conventie], vermoedelijk in de periode juni tot en met oktober 2002, voer heeft geleverd dat besmet was met myotoxinen. [eiseres in conventie] is daardoor toerekenbaar tekortgeschoten en dientengevolge heeft [gedaagde in conventie] schade geleden. Deze heeft hij berekend op EUR 20.474,06.

[gedaagde in conventie] vordert thans een verklaring voor recht dat [eiseres in conventie] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [gedaagde in conventie], door in 2002 veevoer te verkopen en te leveren aan hem dat was besmet met ziekteveroorzakende myotoxinen. Voorts vordert hij veroordeling primair om hem EUR 11.821,44 (schadebedrag minus factuurbedrag) te betalen met de wettelijke rente vanaf 2 maart 2005, subsidiair om hem te betalen een bedrag ter zake van schadevergoeding als op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, verminderd met het factuurbedrag dat [eiseres in conventie] vordert, een en ander vermeerderd met de proceskosten.

[eiseres in conventie] voert verweer, allereerst met een beroep op de verval- c.q. verjaringstermijnen van de ADV. Voorts gaat zij in op het causaal verband en de schade.

De beoordeling

in conventie

Dat het factuurbedrag verschuldigd is, wordt niet betwist en de vordering ligt wat de hoofdsom betreft voor toewijzing gereed.

De rente daarover is eveneens toewijsbaar en wel in beginsel vanaf de datum waarop de factuur voldaan had moeten zijn (28 december 2002). Dat [gedaagde in conventie] op 27 november 2003 ‘ten laatste male’ is gesommeerd te betalen, verandert daaraan niets. Zou deze sommatie immers een voorstel hebben ingehouden op dat moment nog het factuurbedrag zonder rente te voldoen, dan geldt in ieder geval dat dit aanbod niet is aanvaard door [gedaagde in conventie]. De rechtbank zal de rente toewijzen zoals primair gevorderd, vanaf 31 december 2002.

De vraag is vervolgens of de wettelijke rente (art. 6:119 BW) of de wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW) toewijsbaar is. [eiseres in conventie] geeft niet aan wanneer de overeenkomst(en) is/zijn gesloten waarop de litigieuze factuur is gebaseerd, maar vast staat dat deze betrekking heeft op leveringen op 17 december 2002 in het kader van reeds vanaf 1999 lopende duurcontracten. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank, gelet op het overgangsrecht dat op art. 6:119a BW van toepassing is, niet vaststellen dat de wettelijke handelsrente verschuldigd is. Zij zal daarom de ‘gewone’ wettelijke rente (art. 6:119 BW) toewijzen.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [eiseres in conventie] heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

[gedaagde in conventie] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres in conventie] Mengvoederhandel worden begroot op:

- dagvaarding EUR 70,40

- vast recht 288,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.262,40

in reconventie

[eiseres in conventie] voert aan dat [gedaagde in conventie] heeft nagelaten tijdig in de zin van art. 6 ADV een rechtsvordering in te stellen. Deze bepaling acht [gedaagde in conventie] onredelijk bezwarend in de zin van art. 6:233 onder a BW, omdat er naar zijn mening sprake moet zijn van reflexwerking van art. 6:236 onder g BW.

Dit laatste artikel betreft de verhouding tussen een gebruiker van algemene voorwaarden en een consument. Reeds omdat [gedaagde in conventie] nalaat gemotiveerd aan te geven waarom hij, beroepsmatig en ervaren veehouder, die optreedt in zijn relatie tot een leverancier van mengvoeder en kunstmest, te dezen gelijk te stellen is met een consument, wordt dit betoog verworpen. Zijn stelling dat reeds op grond van de aard en de inhoud van het beding – een korte vervaltermijn - moet worden aangenomen dat ook tussen zakelijke partijen de regel van art. 6:236 onder g BW moet worden toegepast, vindt in haar algemeenheid geen steun in het recht.

De rechtbank passeert zijn beroep op de algemene regels van redelijkheid en billijkheid nu hij nalaat aan te geven welke omstandigheden een zodanige inhoud aan die regels geven dat zij aan toepassing van art. 6 ADV in de weg staan.

De vraag is nu of [gedaagde in conventie] heeft voldaan aan art. 6 ADV door tijdig een rechtsvordering in te stellen. Voor de beantwoording van die vraag is allereerst van belang of de periode van een jaar die art. 6 ADV bedoelt, ingaat op het tijdstip van aflevering of, zoals [gedaagde in conventie] op grond van de redelijkheid en billijkheid betoogt, later. Op dit punt volgt de rechtbank [gedaagde in conventie].

In redelijkheid kan het tijdstip van levering niet als uitgangspunt worden genomen wanneer het gaat om mogelijke schadelijke gevolgen van het geleverde, die eerst kortere of langere tijd na de levering kunnen blijken. De redelijkheid gebiedt om overeenkomstig de regeling van art. 3:310 BW uit te gaan van de dag waarop [gedaagde in conventie] zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend was geworden. Die dag moet hebben gelegen in juni of juli 2002 gelet op het volgende. [gedaagde in conventie] heeft ter comparitie verklaard: ‘Ik had gevraagd welke hormonen ze er nu in gedrukt hadden. Dat zal in juni of juli 2002 zijn geweest, nog vóór de onderzoeken werden uitgevoerd. Ik had al eerder gemerkt dat de productie maar niet op gang kwam. Er was sprake van berigheid van zeugen binnen een week nadat ze gedekt waren. Dat moest een hormonenkwestie zijn. Ik heb navraag gedaan wat de oorzaak kon zijn. Toen ik over de MPA had gehoord, heb ik [eiseres in conventie] gebeld.’ [eiseres in conventie] heeft daarop verklaard: ‘Inderdaad heeft [gedaagde in conventie] mij rond juni 2002 met die vraag gebeld of mij bij een bezoek daarover aangesproken.’

Het verband dat [gedaagde in conventie] zelf legt tussen het vermoeden dat het voedsel de oorzaak van de gezondheidsproblemen was en het nemen van het stromonster in juni 2002 plaatst de dag eerder in juni dan in juli 2002.

Op die dag is de termijn van art. 6 ADV gaan lopen. Deze is blijkens de formulering van het artikel een vervaltermijn – dat dit anders zou zijn is niet gemotiveerd gesteld of gebleken – en de woorden ‘rechtsvordering tot schadevergoeding uit hoofde van aansprakelijkheid’ eisen niet alleen het aankondigen van een vordering tot schadevergoeding, maar het instellen van een vordering in rechte. Dit is pas gebeurd op 2 maart 2005, de datum waarop de reconventionele vordering is ingesteld.

Zelfs als zou moeten worden aangenomen dat het woord rechtsvordering niet duidt op een in rechte ingestelde vordering, maar op een vordering zonder meer, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de onder 2.3 en 2.5 bedoelde brieven, anders dan [gedaagde in conventie] betoogt, niet als zodanig worden gezien. In geen van beide immers wordt vergoeding van schade gevorderd.

In een brief van 5 november 2003 vordert [gedaagde in conventie] de schadevergoeding wél uitdrukkelijk. Deze is echter langer dan een jaar na de in 5.7 bedoelde dag geschreven.

De slotsom is dat [gedaagde in conventie]’s vordering moet worden afgewezen omdat uit kracht van de overeenkomst tussen partijen waarvan de ADV deel uitmaakt, zijn recht om schadevergoeding te vorderen, is vervallen.

De vraag naar de gelding van art. 3 ADV die door partijen is opgeworpen, behoeft hierdoor geen bespreking meer. Ook betekent het voorgaande dat de rechtbank niet toekomt aan de benoeming van een deskundige om na te gaan of de uitgevoerde onderzoeken de conclusies kunnen dragen die [gedaagde in conventie] eraan verbindt, waarover door partijen ter comparitie – en daarna – is gesproken.

[gedaagde in conventie] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres in conventie] Mengvoederhandel worden begroot op:

- salaris procureur 452,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 452,00

De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt [gedaagde in conventie] om aan [eiseres in conventie] te betalen een bedrag van EUR 8.632,82 (achtduizend zeshonderd tweeëndertig euro en tweeëntachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 31 december 2002 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde in conventie] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres in conventie] tot op heden begroot op EUR 1.262,40,

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [gedaagde in conventie] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres in conventie] tot op heden begroot op EUR 452,00,

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2006.