Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AV2012

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-01-2006
Datum publicatie
20-02-2006
Zaaknummer
AWB 05/1804 IB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toekomstige waardestijging van grond behoeft niet in aanmerking te worden genomen bij afschrijving van opstal

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-0390
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/1804 IB

Uitspraakdatum: 11 januari 2006

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X]

wonende te [Y], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P]

verweerder,

[gemachtigde]

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij beschikking van 23 oktober 2002 eisers verlies over het jaar 1999 vastgesteld op f 95.961.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 29 april 2005 de beschikking gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartijen en behoren tot de stukken van het geding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2005 te Arnhem.

Partijen zijn daar verschenen.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

Eiser is per 1 januari 1999 toegetreden tot de maatschap [A] te [Q].

Bij toetreding heeft eiser een belang van 1/8,6 deel verkregen bij de tot het vermogen van de maatschap behorende onroerende zaken. Eiser heeft voor zijn aandeel in de daarin aanwezige stille reserves buiten de boeken van de maatschap om betaald.

Op eisers persoonlijke openingsbalans per 1 januari 1999 is zijn aandeel in de panden [a-straat] 5 en 7 te [Q] geactiveerd voor de aanschafprijs van respectievelijk f 148.222 en f 222.138, en het pand [b-straat] 19 te [R] voor de aanschafprijs van f 45.409. Van deze bedragen kan respectievelijk f 109.684, f 180.153 en f 31.786 aan de opstal worden toegerekend, en het overige aan de grond.

Het pand [a-straat] 7 is in 1999 voor een bedrag van f 493.696 verbouwd. Eisers aandeel daarin is f 57.416.

In zijn aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 1999 heeft eiser ten aanzien van voornoemde opstallen een bedrag van f 15.210 regulier afgeschreven en een bedrag van f 300.000 willekeurig afgeschreven. Op de ondergrond wordt niet afgeschreven. Het belastbaar inkomen volgens de aangifte bedraagt f 284.185 negatief.

Bij het regelen van de aanslag heeft verweerder ter zake van de willekeurige afschrijving een bedrag van f 188.224 gecorrigeerd.

3. Het geschil

In geschil is of eiser voor de (willekeurige) afschrijving van de opstallen rekening dient te houden met een restwaarde van de grond die is gebaseerd op een te verwachten toekomstige grondwaardestijging.

4. Beoordeling van het geschil

De rechtbank stelt voorop dat de opstal en de ondergrond van de onderhavige onroerende zaken voor afschrijvingsdoeleinden als één bedrijfsmiddel worden aangemerkt.

Uit het arrest HR 2 januari 1958, BNB 1958/56, volgt dat volgens goed koopmansgebruik voor afschrijvingsdoeleinden pas met een restwaardestijging rekening moet worden gehouden indien (i) die waardestijging zich reeds voorgedaan heeft, (ii) zij aanmerkelijk is, en (iii) zij redelijkerwijs als blijven beschouwd kan worden. (vgl. de conclusies van A-G Wattel van 26 juli 2005, NTFR 2005/1314)

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat eiser bij de afschrijving van de opstallen reeds in het jaar van aanschaf rekening moet houden met een waardestijging van de grond die zich in de toekomst wellicht gaat voordoen. Gelet op voornoemd arrest kan de rechtbank verweerders standpunt niet onderschrijven. Aan geen van de daarin genoemde vereisten is in het onderhavige geval immers voldaan. Een toekomstige waardestijging van de grond behoeft derhalve niet in de restwaarde van de onroerende zaak te worden verwerkt.

Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat bij de afschrijving van de opstallen rekening moet worden gehouden met een restwaarde van 22%. Voorts is overeengekomen dat de kosten voor de verbouwing in 1999 van het pand [a-straat] 7 worden geactiveerd en ook voor de afschrijving daarvan rekening moet worden gehouden met een restwaarde van 22%. Nu tussen partijen niet in geschil is dat eiser als startende ondernemer willekeurig kan afschrijven, kan eiser in het onderhavige jaar 78% van de aanschaffingskosten van de opstallen afschrijven.

Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij het pand aan de [b-straat] 19 te [R] niet willekeurig wenst af te schrijven, maar slechts met 2,5% per jaar. Dit leidt tot de volgende (willekeurige) afschrijvingen voor het onderhavige jaar:

Object Aanschafwaarde Verbouwing Restwaarde Afschrijving

Opstal [a-straat] 5 f 109.684 24.130 85.554

Opstal [a-straat] 7 180.153 57.416 52.265 185.304

Opstal [b-straat] 19 31.786 6.993 620

Totaal f 271.478

Eiser heeft in zijn aangifte in totaal voor een bedrag van f 315.210 afgeschreven op voornoemde panden. Nu op deze panden slechts een afschrijving kan worden toegepast van f 271.478, bedraagt het belastbaar inkomen voor het jaar 1999 f 240.453 negatief. Het bij beschikking vastgestelde verlies over het jaar 1999 dient dan ook tot dit bedrag te worden aangepast.

Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard.

Nu het beroep gegrond is, kan het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb, in de vorm van de wettelijke rente over de door de onjuiste verliesverrekening tot een te laag bedrag verleende teruggaaf, worden toegewezen. Weliswaar had eiser de renteschade grotendeels kunnen voorkomen door bij verweerder te verzoeken om een voorlopige teruggaaf ingevolge artikel 52, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, maar verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat er na het afgeven van de verliesbeschikking van 23 oktober 2002 een gerede kans bestond dat dit verzoek zou zijn afgewezen. Aan eiser kan derhalve niet worden tegengeworpen dat hij zijn verplichting tot beperking van de schade niet is nagekomen. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de ingangsdatum van de rentevergoeding op 23 oktober 2002 – de datum van de verliesbeschikking – moet worden gesteld.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding over te gaan tot een proceskostenveroordeling, omdat niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- stelt het verlies over het jaar 1999 vast op f 240.453;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt;

- bepaalt dat verweerder de wettelijke rente vergoedt zoals in de overwegingen is aangegeven.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, en mr. M.C.G.J. van Well en mr. M.M. Bijker-Veen, rechters. De beslissing is op 11 januari 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Munniks, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem;

dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.