Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AV1880

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-01-2006
Datum publicatie
15-02-2006
Zaaknummer
AWB 05/905
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Plichtsverzuim zonder strafoplegging. Opneming in personeelsdossier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 05/905

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser]

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. W.J. Dammingh,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 16 februari 2005.

2. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2004 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de brief van 4 juni 2004 in zijn personeelsdossier is opgenomen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 22 december 2005. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Dammingh, werkzaam bij de Nederlandse Politiebond. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. J.M. Wachter, werkzaam bij de Korps landelijke politiediensten.

3. Overwegingen

Bij schrijven van 4 juni 2004 - voor zover hier van belang - is eiser in kennis gesteld van verweerders besluit bepaalde gedragingen van eiser op 27 januari 2003 aan te merken als plichtsverzuim als bedoeld in artikel 76 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), waarbij tevens is aangegeven dat aan eiser geen disciplinaire straf wordt opgelegd.

Bij brief van 28 juni 2004 is namens eiser aan verweerder meegedeeld dat naar eisers mening geen sprake is van plichtsverzuim, doch dat eiser, gelet op het feit dat geen disciplinaire straf is opgelegd, heeft besloten de kwestie af te sluiten. Hieraan is toegevoegd dat eiser erop vertrouwt dat verweerder de stukken die op de kwestie betrekking hebben niet in het personeelsdossier opneemt, doch vernietigt.

Hierop heeft verweerder het in rubriek 2 genoemde besluit van 14 juli 2004 genomen dat, na bezwaar, bij het bestreden besluit is gehandhaafd.

Eiser heeft aangevoerd dat de brief van 4 juni 2004 niet kan worden aangemerkt als een loopbaangegeven en daarom niet in het personeelsdossier mag worden opgenomen. Indien onder “gegevens van belang voor de loopbaan” ook informatie zou worden opgenomen als hier bedoeld - waarbij het functioneren van eiser in een negatief daglicht wordt geplaatst, terwijl van een disciplinaire bestraffing geen sprake is en zonder dat het gegevens betreft die van belang zijn c.q. van invloed zouden mogen zijn op de verdere loopbaan - dan verdraagt een en ander zich volgens eiser niet met (het oogmerk) van de betreffende bepaling.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat de brief van 4 juni 2004 - anders dan eiser meent - de mededeling behelst van een ten aanzien van eiser als ambtenaar genomen besluit in de zin van de Awb. In dit besluit worden immers gedragingen van eiser expliciet aangemerkt als plichtsverzuim. Dat in de omstandigheden waaronder deze gedragingen plaatsvonden aanleiding is gezien van een disciplinaire bestraffing af te zien, maakt dit niet anders. Daaraan doet evenmin af dat onder die brief - ten onrechte - geen bezwarenclausule is vermeld. Nu door eiser, ondanks de door verweerder aan bedoelde gedragingen gegeven kwalificatie, expliciet is afgezien van het maken van bezwaar tegen het besluit van 4 juni 2004, moet worden vastgesteld dat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

Op grond van artikel 5, aanhef en onder b, van het Privacyreglement Personeelsdossiers Korps landelijke politiediensten (verder : het Privacyreglement) kunnen in de registratie gegevens worden opgenomen omtrent ambtenaren in de zin van artikel 3 van de Politiewet.

Ten aanzien van deze ambtenaren kunnen op grond van artikel 6, eerste lid aanhef en onder e, van het Privacyreglement ten hoogste de volgende gegevens worden opgenomen:

loopbaangegevens, bestaande uit beoordelingen, (on)tevredenheidsbetuigingen, Besluiten Koninklijke onderscheidingen, uitgereikte legpenningen, straffen, sollicitatiegegevens, gegevens met betrekking tot de loopbaanbegeleiding en andere gegevens van belang voor de loopbaan.

De rechtbank is evenals verweerder van oordeel dat het besluit van 4 juni 2004 gegevens bevat die van belang zijn voor eisers loopbaan. Dat besluit behelst immers de vaststelling dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Hoewel geen disciplinaire straf is opgelegd, kan die vaststelling wel degelijk van belang zijn voor eisers loopbaan. Van strijd met het oogmerk van het Privacyreglement is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

Anders dan namens eiser is betoogd kan uit de term 'ten hoogste' in de aanhef van artikel 6, lid 1, van het Privacyreglement slechts worden afgeleid dat de soorten van gegevens zoals vermeld onder a t/m g limitatief zijn opgesomd, maar niet dat de per onderdeel van dit artikel genoemde gegevens eveneens limitatief zijn bedoeld. Dat zou immers niet stroken met de omschrijving 'andere gegevens van belang voor de loopbaan', zoals (onder meer) bij onderdeel e aangegeven. In dit opzicht komt verweerder derhalve enige beoordelingsvrijheid toe.

Op grond van het vorenstaande was verweerder dan ook bevoegd om het besluit van 4 juni 2004 in eisers personeelsdossier op te nemen. Niet is gebleken dat verweerder hierbij de grenzen van bovenbedoelde beoordelingsvrijheid zou hebben overschreden, dan wel dat de wijze waarop verweerder van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt anderszins de beperkte rechterlijke toetsing niet zou kunnen doorstaan. Hetgeen door en namens eiser voor het overige nog is aangevoerd kan hieraan niet afdoen.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient mitsdien ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries als rechter in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kajim-Panjer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2006.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: