Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AV1217

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-01-2006
Datum publicatie
07-02-2006
Zaaknummer
AWB 05/3533
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onvoldoende feitelijke grondslag aanwezig voor de conclusie dat eiser gedurende de gehele periode hier in geding zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen. Gezien de aard van de door eiser verrichte werkzaamheden onaannemelijk dat eiser voor zijn “dienstverlening” zodanig hoge bedragen heeft ontvangen dat ten gevolge daarvan ook in de maanden waarin geen transacties heeft plaatsgevonden het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 05/3533

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser]

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M.J.M. Willems,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 2 augustus 2005.

2. Procesverloop

Bij besluiten van 9 maart 2005 heeft verweerder eisers bijstandsuitkering en de toegekende woonkostentoeslag over de periode van 1 april 2003 tot 6 oktober 2004 ingetrokken en de te veel verstrekte bijstand ten bedrage van € 22.752,48 van eiser teruggevorderd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en de eerder genoemde besluiten gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 23 december 2005. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Willems. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. P. Van Diemen, werkzaam bij de Afdeling Sociale Zaken en Werk van verweerders gemeente.

3. Overwegingen

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiser niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht doordat hij geen mededelingen heeft gedaan van op loon waardeerbare activiteiten. Nu als gevolg hiervan het recht op bijstand in de periode van 1 april 2003 tot 6 oktober 2004 niet kan worden vastgesteld heeft verweerder eisers bijstandsuitkering ingetrokken met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB). Verweerder heeft voorts, op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de over die periode ten onrechte verstrekte (algemene en bijzondere) bijstand teruggevorderd.

Eiser stelt dat hij gedurende de in geding zijnde periode geen inkomsten in de zin van de Algemene bijstandswet (Abw) dan wel de WWB heeft genoten en, subsidiair, dat hij hooguit € 400,00 heeft ontvangen als dank voor zijn medewerking aan de totstandkoming van zogenaamde “Moneytransfers” waarbij gelden afkomstig uit de handel in drugs werden overgemaakt naar Curaçao. Uit de aard noch uit de omvang van de door eiser verrichte handelingen kan redelijkerwijs voortvloeien dat er sprake is van inkomsten die de toepasselijke bijstandsnorm overschrijden. Gelet hierop is sprake van dringende redenen dan wel bijzondere omstandigheden om (gedeeltelijk) af te zien van terugvordering. Door eiser wordt verder gesteld dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid.

De rechtbank overweegt het volgende.

In de uitspraak van 21 april 2005 (USZ 2005, 204) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zich onder meer uitgelaten over de vraag naar het toepasselijke recht ingeval terugvordering plaatsvindt na 1 januari 2004 met betrekking tot vóór die datum verleende bijstand. Onder vaststelling dat de wetgever ook in dat geval hantering van de artikelen 54, 58 en 59 van de WWB uitdrukkelijk heeft beoogd, concludeert de CRvB dat een college van burgemeester en wethouders aan voornoemde artikelen zijn bevoegdheid ontleent om tot intrekking, herziening en terugvordering over te gaan. In dezelfde uitspraak heeft de CRvB voorts overwogen dat de vraag of recht bestaat op bijstand beantwoord moet worden aan de hand van de wetgeving zoals die van kracht was ten tijde van de gedraging die aanleiding is geweest voor de intrekking.

Gezien hetgeen hierboven is overwogen heeft verweerder een juist toetsingskader gehanteerd.

Uit de gedingstukken is de rechtbank het volgende gebleken. Eiser ontving sinds 15 januari 2003 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Bij besluit van 27 mei 2003 werd aan hem tevens bijzondere bijstand verstrekt in de vorm van een maandelijkse woonkostentoeslag.

Op 6 oktober 2004 werd eiser door de politie aangehouden als verdachte ter zake van handel in verdovende middelen. Eiser werd op 13 oktober 2004 uitgeleverd aan justitie te Curaçao en heeft aldaar ongeveer drie maanden in detentie gezeten. De unit sociale recherche van de afdeling Sociale Zaken en Werk Nijmegen heeft naar aanleiding van eisers strafrechtelijke aanhouding een nader onderzoek ingesteld naar zijn activiteiten. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer inzage verkregen in strafrechtelijke onderzoekgegevens en is eiser op 3 februari 2005 verhoord ter zake van vermoedelijk gepleegde valsheid in geschrifte. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 4 februari 2005.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in beroep de originele processen verbaal van het strafrechtelijk onderzoek naar eiser heeft overgelegd. Hoewel deze stukken niet binnen de termijn genoemd in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb in het geding zijn gebracht, ziet de rechtbank gelet op de eisen die gesteld worden aan een goede procesorde geen aanleiding genoemde stukken niet bij de beoordeling van het beroep te betrekken nu de inhoud van deze stukken niet door eiser is betwist en eiser overigens geen bezwaar heeft gemaakt tegen de, op zich niet tijdige, overlegging van die stukken.

De rechtbank stelt voorts vast dat niet door eiser wordt betwist dat hij in het tijdvak van 1 april 2003 tot 6 oktober 2004 medewerking heeft verleend aan de totstandkoming van Moneytransfers van drugsgelden naar Curaçao, waarvoor hij geldelijke vergoedingen heeft ontvangen. Gelet hierop alsmede op de resultaten van het door de sociale recherche uitgevoerde onderzoek, waarbij de rechtbank met name van belang acht de op 3 februari 2005 afgelegde verklaring van eiser, is voor de rechtbank voldoende vast komen te staan dat eiser in het tijdvak van 1 april 2003 tot 6 oktober 2004 in totaal veertien Moneytransfers heeft uitgevoerd. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat deze activiteiten, mede gelet op de aard en de hoogte van de overgeboekte bedragen en de frequentie niet kunnen worden beschouwd als vriendendiensten doch moeten worden beschouwd als productieve arbeid die in het maatschappelijk verkeer een economische waarde vertegenwoordigt.

Eiser heeft van de door hem verrichte activiteiten, welke onmiskenbaar van belang zijn voor de bijstandsverlening, geen mededeling gedaan aan verweerder en heeft hiermee, in de maanden waarin de transacties hebben plaats gevonden, zijn inlichtingenplicht ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw geschonden.

Ten gevolge hiervan heeft verweerder niet kunnen vaststellen of eiser zich in die periodes bevond in de omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw (tot 1 januari 2004) en 11, eerste lid, van de WWB (vanaf 1 januari 2004). Het ligt onder die omstandigheden volgens vaste jurisprudentie op de weg van belanghebbende om aan te tonen of voldoende aannemelijk te maken dat recht bestond op (aanvullende) bijstand. Van de inkomsten uit de Moneytransfers heeft eiser geen boekhouding of administratie bijgehouden en ook overigens heeft eiser geen verifieerbare gegevens overgelegd waaruit de omvang van de genoten inkomsten kan worden afgeleid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij recht op (aanvullende) bijstand had.

Anders dan verweerder acht de rechtbank in de rapportages en de processen verbaal van het onderzoek naar de activiteiten van eiser onvoldoende feitelijke grondslag aanwezig voor de conclusie dat eiser gedurende de gehele periode hier in geding zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen. Gezien de aard van de door eiser verrichte werkzaamheden komt het de rechtbank onaannemelijk voor dat eiser voor zijn “dienstverlening” zodanig hoge bedragen heeft ontvangen dat ten gevolge daarvan ook in de maanden waarin geen transacties heeft plaatsgevonden het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Gezien het bepaalde in artikel 54, derde lid aanhef en onder a, van de WWB brengt dit mee dat verweerder geen grond heeft over te gaan tot intrekking van het recht op bijstand over de gehele periode hier in geding.

Uit het vorenstaande volgt dat de intrekking van het recht op bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid aanhef en onder a, van de Abw over de gehele periode van 1 april 2003 tot 6 oktober 2004 geen stand kan houden. Dit brengt met zich dat ook de terugvordering van teveel of ten onrechte betaalde kosten van bijstand ten bedrage van

€ 22.752,48 geen stand kan houden. Het besluit van 2 augustus 2005 dient derhalve te worden vernietigd wegens strijd met de wet.

De rechtbank overweegt tot slot dat gezien het hierboven overwogene verweerder ten onrechte heeft besloten de door eiser verzochte proceskostenvergoeding in bezwaar af te wijzen.

Het beroep dient mitsdien gegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, te begroten op € 644,00 aan kosten voor verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eiser met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,00 en wijst de gemeente Nijmegen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan op bankrekening 1923.25.752 ten name van DS 533 arrondissement Arnhem, onder vermelding van het registratienummer AWB 05/3533;

bepaalt voorts dat de gemeente Nijmegen het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,00 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Zijmers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2006.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: